Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-07670

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 21 april 2022 (UHT-DC I)

Hoorzitting: 15 januari 2025

Overdracht aan UHT: 25 februari 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 110.770,- voor de jaren 2009 tot en met 2012.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 10 februari 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). De jaren 2009 tot en met 2012 zijn betrokken in de herbeoordeling.
  • UHT heeft bij beschikking van 21 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €110.770,-.
  • De gemachtigde heeft namens belanghebbende bij brief van 27 mei 2022, ingekomen op 1 juni 2022, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 27 mei 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • De gemachtigde heeft op 28 juni 2024 een aanvullend bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 19 augustus 2024 een aanvullende schriftelijke reactie ingediend.
  • Op 15 oktober 2024 heeft de gemachtigde de Commissie bericht dat een andere gemachtigde de vertegenwoordiging van belanghebbende heeft overgenomen.
  • Op 15 januari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 30 januari 2025, een aanvullende schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft op 29 januari 2025 en op 7 februari 2025 nadere reacties ingediend.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie juist is.

Herbeoordeling van het jaar 2008
Belanghebbende heeft op de hoorzitting aangevoerd dat het jaar 2008 ook meegenomen had moeten worden in de herbeoordeling. Van haar had niet verwacht mogen worden dat zij zich tijdens haar verzoek om herbeoordeling precies kon herinneren welk toeslagjaar ten grondslag lag aan welk probleem.
Zij stelt dat daarom de beoordeling van het jaar 2008 in de onderhavige bezwaar-procedure moet worden betrokken, waarbij zij verwijst naar een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 17 december 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:13134).

De Commissie stelt vast dat het oorspronkelijke verzoek om herbeoordeling van de KOT zag op de jaren 2010 en 2011. In een gesprek met de persoonlijk zaak-behandelaar heeft belanghebbende aangegeven dat het verzoek ook de jaren 2009 en 2012 betreft. Zodoende ziet het bestreden besluit enkel op een herbeoordeling van de jaren 2009 tot en met 2012. Op de hoorzitting heeft belanghebbende voor het eerst kenbaar gemaakt dat zij ook om een herbeoordeling vraagt van toeslagjaar 2008.

Gelet op het voorgaande ziet de Commissie geen aanleiding om het niet-beoordeelde jaar 2008 in haar advies te betrekken. De Commissie wijst er voorts op dat in de zaak waar gemachtigde naar verwijst, sprake is van meerdere besluiten op aanvullende verzoeken om herbeoordeling. Dat is in het geval van belanghebbende niet aan de orde. De Commissie adviseert UHT om met belanghebbende in contact te treden om afspraken te maken over een passende manier van herbeoordeling van dit extra jaar.

De compensatieberekening
Grondslag compensatie toeslagjaar 2010 (component a t/m e)

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de grondslag van compensatie voor het jaar 2010 niet correct is, nu deze niet strookt met de grondslag van compensatie voor het jaar 2011, waarin sprake was van een vergelijkbare situatie. Voor beide jaren heeft UHT op basis van de RKT-bestanden en het verhaal van belang-hebbende aangenomen dat de KOT zonder context op nihil is gesteld, hetgeen door UHT is beoordeeld als institutionele vooringenomenheid. Volgens belanghebbende zal daarom, uitgaande van een nihilbeschikking van 8 april 2013, onder component a (‘Uw KOT voor het onderzoek’) een bedrag van € 26.229,- moeten worden opgenomen en onder component b (‘AF: Uw KOT na het onderzoek’) een bedrag van € 0,- moeten worden opgenomen.
UHT heeft zich bij aanvullende beschouwing van 30 januari 2025 op het standpunt
gesteld dat zij het bezwaar op dit punt gegrond acht en de compensatieberekening
conform de suggestie van belanghebbende zal aanpassen.
De Commissie is het er mee eens dat dit bezwaar gegrond is en stemt in met de
voorgestelde aanpassing, nu deze in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 2.2, onderdeel a, in samenhang gelezen met artikel 2.3, lid 1, van de Wht.

Aanvullend stelt UHT dat component g van toeslagjaar 2010 (‘AF: niet terug-betaalde/verrekende KOT’) zal wijzigen naar € 26.229,-, nu de nihilstelling niet
heeft geleid tot een werkelijke terugvordering van KOT. Ook die aanpassing acht de
Commissie correct, gelet op het bepaalde in artikel 2.3, lid 1 en onder a, van de Wht. Omdat de grondslag van compensatie voor toeslagjaar 2010 wijzigt zal UHT de componenten h (vergoeding materiële schade) en o (rentevergoeding over gemiste KOT) dienovereenkomstig wijzigen. De Commissie neemt met instemming kennis van deze voorgestelde correcties.

De rentevergoeding over gemiste KOT
UHT heeft zich in haar aanvullende beschouwing van 19 augustus 2024 op het standpunt gesteld dat de rente over gemiste KOT niet juist is berekend, omdat de verkeerde starten einddata zijn gehanteerd. In overeenstemming met artikel 2.3 lid 7 Wht, in samenhang gelezen met artikel 27 Awir, zal UHT de rente over de jaren 2010 en 2011 aanpassen door de vergoeding te berekenen over de tijdvakken die aanvangen op respectievelijk 1 juli 2011 en 1 juli 2012. Omdat zoals hierboven benoemd de grondslag van de compensatie voor toeslagjaar 2010 wijzigt, zal UHT de rente over gemiste KOT van 2010 berekenen tot aan de beslissing op bezwaar. De rente over gemiste KOT van 2011 zal UHT berekenen tot aan de datum van de compensatiebeschikking, te weten 21 april 2022.
UHT zal de rente over gemiste KOT voor de jaren 2009 en 2012 niet corrigeren, nu dat in het nadeel van belanghebbende zou zijn.
Op de hoorzitting is naar voren gekomen dat UHT en gemachtigde bij hun berekeningen van de rente op andere bedragen uitkwamen. Gemachtigde is hier schriftelijk op teruggekomen en heeft gemeld dat de herberekeningen van UHT juist zijn. De Commissie neemt met instemming kennis van de door UHT voorgestelde correcties. Het bezwaar is op dit onderdeel gegrond.

De vergoeding voor immateriële schade
Omdat het compensatiebedrag wijzigt, acht UHT het bezwaar gedeeltelijk gegrond. Om die reden zal UHT, bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade - in afwijking van de Wht - als einddatum hanteren de datum van de beslissing op het bezwaar. Dit is vast beleid van UHT. De Commissie adviseert UHT daarom dit beleid ook in dit geval toe te passen.

De Commissie overweegt met betrekking tot de startdatum van de vergoeding voor immateriële schade als volgt. Op grond van artikel 2.3, lid 4, Wht, moet de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade worden berekend vanaf de datum van een eerste beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT of het beëindigen van voorschotverlening voor KOT die een direct gevolg is van (onder meer) institutionele vooringenomenheid. UHT hanteert echter een voor belanghebbenden begunstigend beleid, dat voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade wordt uitgegaan van de datum van de eerste (interne of externe) vooringenomen handeling door de B/T. Dat beleid heeft UHT bij de bestreden beschikking toegepast door de vergoeding te berekenen vanaf 18 oktober 2012: de datum waarop intern besloten werd om het KOT-voorschot van 2012 op nihil te stellen (productie 51). De vooringenomen handelingen ten aanzien van de toeslagjaren 2009 tot en met 2011 vonden later plaats.
De Commissie adviseert UHT daarom om de startdatum van 18 oktober 2012 te
handhaven.

De 1% aanvullende vergoeding
Nu het subtotaal van de compensatieberekening zal wijzigen, adviseert de Commissie, in lijn met het voornemen van UHT, om ook de aanvullende vergoeding van 1% aan te passen.

De Commissie overweegt dat deze bezwaarschriftprocedure betrekking heeft op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Indien belanghebbende voor aanvullende compensatie voor werkelijke schade in aanmerking wil komen, dient zij daartoe een verzoek tot vergoeding van de werkelijke schade in te dienen, dat door UHT voor advies wordt voorgelegd aan de Commissie Werkelijke Schade (CWS). Dit CWS-advies is vervolgens leidend bij het nemen van het besluit met betrekking tot de aanvullende compensatie. Ook bestaat de mogelijkheid om via mediation met UHT tot overeenstemming te komen over de hoogte van de vergoeding.
Deze overeenstemming wordt dan vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst.

Strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel
Belanghebbende voert aan dat sprake is van strijd met zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.

Nu de bestreden beschikking volgens de Commissie niet in stand kan blijven, staat
daarmee vast dat de totstandkoming onvoldoende zorgvuldig is geweest en de
motivering bij beslissing op bezwaar dient te worden verbeterd.

Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te
verklaren en om:

  • de compensatieberekening op de volgende onderdelen aan te passen:
  • - de grondslag voor compensatie van toeslagjaar 2010
  • - de vergoeding voor materiële schade
  • - de vergoeding voor immateriële schade
  • - de rentevergoeding over gemiste KOT
  • met belanghebbende in contact te treden over de aanpak van de herbeoordeling van toeslagjaar 2008;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter