Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-07142

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 10 mei 2022 (UHT-DC I, UHT-DC-I A, UHT-DH A)]

Hoorzitting: 16 december 2024 om 13:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 25 maart 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

De door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende
bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking
compensatie kinderopvangtoeslag (UHT-DC I), de definitieve beschikking afwijzing
compensatie kinderopvangtoeslag (UHT-DC-I A) en de beschikking herbeoordeling
kinderopvangtoeslag (UHT-DH A).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en
vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) compensatie toegekend voor een bedrag van € 44.074,- voor de jaren 2015, 2016 en 2018. Voor de jaren 2017 en 2019 komt belanghebbende niet in aanmerking voor compensatie op grond van enige herstelregeling.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve vanm de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 3 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2013 tot en met 2019.
    Het informatie- en beoordelingsformulier vermeldt dat het oorspronkelijke beoordelingsverzoek in overleg met belanghebbende is beperkt tot de jaren 2015 tot en met 2019, aangezien de toeslagpartner van belanghebbende aanvrager van de kinderopvangtoeslag is over de jaren 2013 tot en met maart 2015 en de beschikkingen over deze jaren op zijn naam staan. De toeslagjaren 2013 tot en met maart 2015 zijn afzonderlijk herbeoordeeld in het herstel-dossier van de toeslagpartner.
  • UHT heeft bij beschikking van 26 mei 2021 (kenmerk: UHT-B DMB2) aan
    belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van
    € 30.000, -.
  • De Commissie van Wijzen heeft het verzoek van belanghebbende beoordeeld. De Commissie is van oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 49b van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) en de hardheidscompensatie van artikel 49 van de Awir niet van toepassing zijn voor de toeslagjaren 2014, 2017 en 2019. Voor de toeslagjaren 2013, 2015, 2016 en 2018 is de compensatieregeling wel van toepassing. Dit oordeel is op 14 februari
    2022 aan UHT toegezonden.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikkingen aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 44.074,- voor de toeslagjaren 2015, 2016 en 2018. Voorts heeft UHT besloten geen compensatie toe te kennen over de toeslagjaren 2017 en 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brieven van 19 mei 2022, tegen deze beschikkingen
    bezwaarschriften ingediend.
  • Gemachtigde heeft de bezwaarschriften bij brieven van 17 december 2022
    aangevuld.
  • UHT heeft op 20 maart 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften. Deze reactie wordt hierna aangeduid als de beschouwing.
  • Op 16 december 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 23 januari 2025
    een nadere schriftelijke reactie ingediend. Op 13 februari 2025 heeft gemachtigde daarop gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

In geschil is of UHT de bestreden beschikkingen zorgvuldig heeft voorbereid en heeft voorzien van een deugdelijke motivering. Ook is de vraag aan de orde of het aan belanghebbende toegekende compensatiebedrag van € 44.074,- voor de toeslagjaren 2015, 2016 en 2018 juist is berekend en is gebaseerd op de juiste opvanggegevens en beschikkingen. Tot slot speelt de vraag of UHT terecht heeft afgezien van de toekenning van compensatie voor de jaren 2017 en 2019.

Motiveringsgebrek
Belanghebbende stelt dat de bestreden besluiten niet goed zijn onderbouwd.
De Commissie legt dit bezwaar zo uit dat belanghebbende stelt dat de bestreden besluiten in strijd met het motiveringsbeginsel zijn genomen.

De Commissie constateert dat UHT de besluiten slechts summier heeft toegelicht. UHT heeft de motivering van de bestreden besluiten echter door middel van het indienen van een beschouwing, een uitgebreide uitleg met behulp van onder meer het Informatie- en beoordelingsformulier, het oordeel van de Commissie van Wijzen en overige producties alsnog aangevuld. Daarbij is UHT ingegaan op de toeslagjaren 2015 tot en met 2019.
Deze beschouwing en bijbehorende stukken zijn op 16 oktober 2024 aan
belanghebbende verzonden. De Commissie is van oordeel dat de bestreden besluiten met de schriftelijke reactie en het onderliggende bezwaardossier voldoende zijn onderbouwd, zodat eventuele motiveringsgebreken hiermee zijn hersteld. De Commissie adviseert tot ongegrondverklaring van dit bezwaar.

Zorgvuldigheidsbeginsel
Het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht) bepaalt dat UHT een besluit zorgvuldig moet voorbereiden. Om dit te kunnen doen, moet UHT kennis verzamelen over de relevante feiten en de af te wegen belangen. Dit heeft UHT gedaan bij het voorbereiden van de bestreden beschikkingen. UHT heeft toegelicht dat bij de voorbereiding van de besluiten alle beschikkingen kinderopvangtoeslag, alle brieven die aan belanghebbende zijn verstuurd en van belanghebbende zijn ontvangen en alle interne meldingen die in de systemen bekend zijn over de relevante jaren, zijn betrokken. Ook is gebruikgemaakt van een tijdlijn, waarin een overzicht is opgenomen van de gebeurtenissen over de jaren die zijn beoordeeld. Ook het verhaal van belanghebbende is verwerkt in de integrale beoordeling, evenals het oordeel van de Commissie van Wijzen.
Deze gegevens zijn als producties bij de beschouwing gevoegd.
Gelet hierop is de Commissie van oordeel dat de besluiten zorgvuldig tot stand zijn
gekomen. Er zijn geen gegevens die in andere richting wijzen. De Commissie adviseert hierom tot ongegrondverklaring van dit bezwaar.

Toeslagjaren 2015 en 2016
Belanghebbende stelt dat de ten aanzien van de toeslagjaren 2015 en 2016 in de
compensatieberekening onder component a opgenomen bedragen niet duidelijk zijn toegelicht. UHT heeft in haar beschouwing aan de hand van de producties uit het bezwaardossier beargumenteerd dat de KOT over de toeslagjaren 2015 en 2016 is vastgesteld op basis van de juiste en meest actuele opvanggegevens en genomen beschikkingen. Verwezen wordt daarbij naar de relevante beschikkingen, de SASoverzichten en de betaal- en verrekenoverzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: het LIC). De Commissie heeft deze gegevens gecontroleerd en heeft geen reden de juistheid van deze gegevens te betwijfelen. De Commissie constateert dat UHT bij de compensatieberekening terecht is uitgegaan van de bedragen in de beschikkingen van vóór de nihilstellingen. De Commissie adviseert daarom tot ongegrondverklaring van deze bezwaaronderdelen.

Tijdens de hoorzitting is namens belanghebbende gesteld dat de vergoeding voor
immateriële schade over een langere periode berekend zou moeten worden.
De stress en de spanning zouden voor belanghebbende al in 2013 zijn aangevangen, zodat belanghebbende ook over die periode een vergoeding voor immateriële schade moet krijgen.

De Commissie oordeelt ten aanzien hiervan dat de wet het moment van de eerste
vooringenomen handeling met betrekking tot het betreffende toeslagjaar aanhoudt als startdatum voor de vergoeding van immateriële schade. Uit het dossier blijkt dat de toeslagpartner de aanvrager is geweest van de KOT over de jaren 2013 tot en met maart 2015. Belanghebbende is de aanvrager van de KOT over de toeslagjaren 2015 tot en met 2019. Belanghebbende heeft daarom alleen recht op een vergoeding van immateriële schade vanaf het moment van de eerste vooringenomen handeling met betrekking tot het toeslagjaar 2015. Indien hij daarvoor in aanmerking komt, wordt de vergoeding voor immateriële schade over de daaraan voorafgaande periode conform de forfaitaire regeling toegekend aan de toeslagpartner van belanghebbende. De Commissie acht het bezwaar daarom ongegrond.

Toeslagjaar 2017
Volgens belanghebbende is ten aanzien van het toeslagjaar 2017 niet duidelijk waarom belanghebbende geen compensatie heeft ontvangen. Belanghebbende stelt zelf geen stopzetting van de KOT te hebben doorgevoerd. UHT betoogt dat juist is dat er geen stopzetting van de KOT over 2017 heeft plaatsgevonden, maar dat de KOT op 1 oktober 2016 reeds was stopgezet en in 2017 niet automatisch is gecontinueerd. Belanghebbende heeft de KOT over 2017 vervolgens niet opnieuw aangevraagd.

Volgens de Commissie staat vast dat belanghebbende voor het toeslagjaar 2017 geen KOT heeft aangevraagd of toegekend gekregen. Ingevolge artikel 2.1, lid 1, Wht wordt compensatie toegekend aan de aanvrager van KOT. Belanghebbende voldoet niet aan dit vereiste. Belanghebbende heeft in deze jaren geen gekwalificeerde opvang genoten noch daarvoor betaald. Daarom komt belanghebbende voor deze periode niet voor compensatie op grond van deze herstelmaatregel in aanmerking. De Commissie adviseert UHT daarom om de bezwaren van belanghebbende op dit punt ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2018
Belanghebbende stelt dat het ten aanzien van de toeslagjaren 2018 in de
compensatieberekening onder component a opgenomen bedrag niet duidelijk is
toegelicht. UHT heeft in haar beschouwing aan de hand van de stukken uit het
bezwaardossier beargumenteerd dat de KOT over het toeslagjaar 2018 is vastgesteld op basis van de juiste en meest actuele opvanggegevens en genomen beschikkingen. Wel stelt UHT vast dat er nogmaals vooringenomen is gehandeld. Bij de beschikking van 10 mei 2019 is een bedrag van € 17.376, - teruggevorderd (vastgesteld voor de periode augustus - december 2018), omdat uit de aangeleverde bankafschriften niet gebleken is dat de kosten van kinderopvang volledig zijn betaald. Omdat de tweede vooringenomen handeling niet is vastgesteld, noch in de compensatieberekening is betrokken, is dit bezwaar-onderdeel volgens UHT gegrond.

Tijdens de hoorzitting heeft UHT gesteld dat het juridisch-technisch gezien niet
noodzakelijk was het bezwaar als gegrond te beschouwen en/of de tweede
vooringenomen handeling in de compensatieberekening te betrekken. UHT heeft
niettemin besloten haar standpunt in de beschouwing niet aan te passen en ten aanzien van component a uit te gaan van het bedrag van € 17.376, -.

Ongeacht het antwoord op de vraag of in de beschouwing terecht is geconstateerd dat de tweede vooringenomen handeling heeft plaatsgevonden en dat de daarmee gemoeide terugvordering in de compensatieberekening betrokken had moeten worden, oordeelt de Commissie dat het besluit van UHT alsnog uit te gaan van het hogere bedrag van € 17.376, - onder component a, niet in het nadeel is van belanghebbende. De Commissie acht het bezwaar gegrond. De Commissie adviseert tot aanpassing van component a en alle, ingevolge de Wht, daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen.
Daarbij ware rekening te houden met het feit dat de vergoeding voor immateriële
schade, vanwege het gegronde bezwaar, doorloopt tot de datum beslissing op bezwaar.

Verrekeningen
Belanghebbende kan zich niet vinden in de verrekening in de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DC I van een bedrag van € 2.650, - met de compensatie van de toeslagpartner. Ten aanzien van eventuele verrekeningen die hebben plaatsgevonden met de compensatie van de toeslagpartner, merkt UHT op dat het bedrag van € 2.650, - abusievelijk is vermeld in de beschikking.
Deze vergissing is mogelijk het gevolg geweest van een proefberekening.
Uit de in de aanvullende beschouwing opgenomen opsomming van de aan belanghebbende gedane betalingen blijkt dat belanghebbende op 25 april 2022 een bedrag van € 4.466, - aan aanvullende compensatie heeft ontvangen. Daarmee lijkt het bedrag van € 2.650, - inderdaad niet in mindering te zijn gebracht op het totaalbedrag. De Commissie adviseert UHT dit nogmaals goed te controleren.

Toeslagjaar 2019
Belanghebbende stelt dat onduidelijk is waarom voor het jaar 2019 geen compensatie is toegekend. Volgens belanghebbende is sprake geweest van een brede uitvraag en daarmee van evident vooringenomen handelen. Dit ligt volgens belanghebbende in het verlengde van eerder vooringenomen handelen.

UHT heeft in haar beschouwing aan de hand van de producties uit het bezwaar-dossier beargumenteerd dat de KOT over het toeslagjaar 2019 is vastgesteld op basis van de op dat moment beschikbare bewijsstukken samen met de stopzetting die belanghebbende heeft gedaan per 1 juni en een geconstateerd hoger toetsingsinkomen. Uit de beschouwing blijkt dat UHT van oordeel is dat de veranderingen over het desbetreffende toeslagjaar het gevolg zijn geweest van reguliere aanpassingen en er daarom van institutioneel vooringenomen handelen geen sprake is.

Tijdens de hoorzitting heeft UHT gezegd te twijfelen over het in de beschouwing
ingenomen standpunt. UHT laat het oordeel of sprake is van een brede uitvraag aan de Commissie, waarbij zij heeft verwezen naar het reeds ingenomen standpunt. UHT heeft hieraan toegevoegd dat zij zich, terugkijkend op de toeslagaffaire, heel goed kan voorstellen dat het vanuit het gezichtsveld van de ouder gezien kan worden als een brede uitvraag.

De Commissie stelt vast dat het hier gaat om de vraag of hier een fraude-gerelateerde ‘brede uitvraag’ heeft plaatsgevonden. UHT heeft tijdens de hoorzitting verklaard dat belanghebbende de wijze van navraag heeft kunnen opvatten als getuigend van vooringenomen handelen. De Commissie kan zich daarin vinden. De Commissie acht deze uitkomst temeer gerechtvaardigd wanneer zij rekening houdt met de feiten en omstandigheden waarmee belanghebbende in eerdere jaren is geconfronteerd. Daarvan is relevant dat B/T belanghebbende in eerdere jaren ten onrechte heeft meegesleurd in verdenkingen van fraude, dat B/T daarmee onomstotelijk vooringenomen heeft gehandeld ten opzichte van belanghebbende en dat deze handelwijze van B/T in die eerdere jaren aanzienlijke materiële en immateriële schade heeft veroorzaakt. Door deze achtergrond past het binnen de doeleinden van de herstelwetgeving om in latere jaren de
lat voor terugkerend vooringenomen handelen minder hoog te leggen dan zonder deze voorgeschiedenis het geval zou zijn geweest. De Commissie adviseert daarom tot gegrondverklaring van het bezwaar en belanghebbende voor het toeslagjaar 2019 alsnog te compenseren.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie adviseert het primaire besluit met kenmerk UHT-DC I te herroepen, adviseert zij tevens een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • component a met betrekking tot het toeslagjaar 2018 aan te passen en alle,
    ingevolge de Wht, daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies;
  • belanghebbende over het toeslagjaar 2019 alsnog te compenseren wegens
    vooringenomen handelen en de compensatieberekening hierop aan te passen;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe
    te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste
    tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter