Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-04380

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 17 november 2022 (UHT DC I)

Hoorzitting: 3 juni 2025 om 15:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 23 juni 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Door de gemachtigde is op 7 december 2022 namens belanghebbende een bezwaarschrift ingediend tegen de beschikking van 17 november 2022 met kenmerk UHT-DC I (hierna: de bestreden beschikking).

UHT heeft in de bestreden beschikking aan belanghebbende een definitieve compensatie toegekend van € 44.307 voor de toeslagjaren 2008 en 2009, omdat over deze periode fouten zijn gemaakt door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) in de beoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 6 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT.
  • UHT heeft bij beschikking van 21 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld
    dat hij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 11 oktober 2022 aan belanghebbende een
    compensatie toegekend voor een bedrag van € 44.201.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende een definitieve
    compensatie toegekend voor een bedrag van € 44.307.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 7 december 2022, ingekomen op 7 december
    2022, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 26 februari 2024, het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 22 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 3 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een
    verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Op 4 juni 2025 heeft UHT naar aanleiding van de hoorzitting het SAS-overzicht en de besproken opname op de FSV-lijst toegezonden.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Persoonlijk dossier
Belanghebbende voert aan dat zij niet de beschikking heeft over de volledige
informatie, omdat hij niet de beschikking heeft over zijn persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier. De Commissie overweegt hierover het volgende.

De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, volgend op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.

Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 Wht heeft een
belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verweerschrift van UHT met de bijbehorende producties is op 3 juli 2024 aan gemachtigde toegestuurd. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende genoegzaam kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden besluiten. Dat belanghebbende de noodzaak voelt om haar persoonlijk dossier in handen te krijgen, begrijpt de Commissie en zij adviseert UHT daarom zich zoveel mogelijk in te spannen om het persoonlijk dossier aan belanghebbende te verstrekken. Tegelijkertijd is de Commissie van oordeel dat het niet hebben van het gehele persoonlijk dossier belanghebbende niet in de weg staat om op basis van het bezwaardossier inzicht te krijgen in hoe het compensatiebedrag tot stand is gekomen.

Uit hetgeen belanghebbende en UHT naar voren hebben gebracht blijkt niet dat in het aan belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij het door UHT genomen besluit. Naar het oordeel van de Commissie is daarmee in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. Het bezwaar is op dit punt ongegrond.

Motiveringsbeginsel
Belanghebbende stelt in het bezwaar dat de bestreden beschikking onvoldoende is
gemotiveerd.

De Commissie kan UHT volgen ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. Voor zover UHT
de berekeningen bij het uitbrengen van de bestreden beschikking niet voldoende zou hebben toegelicht, impliceert dat niet dat van een gebrekkige motivering dan wel onzorgvuldigheid sprake is. De Commissie is van mening dat met het indienen van het uitgebreide schriftelijke verweer, de betaal- en verrekenoverzichten over 2013 tot en met 2016 en overige producties het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en zorgvuldig tot stand is gekomen. De Commissie adviseert, gelet op voorgaande overwegingen, het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Vooraankondiging en zienswijze
Belanghebbende stelt dat hij geen vooraankondiging heeft ontvangen, waardoor hij destijds niet in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze kenbaar te maken.

De Commissie overweegt dat belanghebbende in het kader van de bezwaar-procedure de gelegenheid heeft gekregen en benut om zijn bezwaren toe te lichten en te onderbouwen. Een eventuele tekortkoming is daarmee hersteld.
Omdat verder niet is toegelicht welk nadeel belanghebbende van dit nalaten heeft gehad, adviseert de Commissie om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Overschrijding termijn bij definitieve KOT-beschikking
Gemachtigde stelt dat er sprake is van vooringenomen handelen aangezien de definitieve KOT-beschikkingen zonder duidelijke redenen buiten de termijn van artikel 19 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) zijn genomen; belanghebbende heeft gelet daarop recht op compensatie. De Commissie ziet in die omstandigheid onvoldoende aanknopingspunten om tot vooringenomenheid te concluderen en deelt voorts de mening van UHT dat dit bezwaar buiten het bestek van de Wht valt. De door gemachtigde gestelde omstandigheid kan, gelet op het hier toepasselijke regelgevende kader, niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat leiden. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Discriminatie
Gemachtigde heeft verzocht om bij de beoordeling van een schadevergoeding rekening te houden met de gevolgen van discriminatie van belanghebbende.

De Commissie overweegt dat zij in het kader van de hersteloperatie toeslagen niet
beoordeelt of in het geval van een belanghebbende sprake is geweest van discriminatie.

Hoogte van de KOT
De Commissie overweegt verder dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet ziet op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen. Belanghebbende verzoekt onder meer om een aanpassing van de hoogte van de KOT over de toeslagjaren 2008 en 2009 zoals deze indertijd definitief zijn vastgesteld. Een beoordeling daarvan valt echter buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Rentevergoeding gemiste KOT
De Commissie volgt het standpunt van UHT, zoals is uiteengezet in de schriftelijke reactie, dat de eerdere berekening met betrekking tot de rentevergoeding over gemiste KOT over toeslagjaar 2008 dient te worden aangepast in het voordeel van
belanghebbende. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren en de compensatie opnieuw te berekenen. De Commissie ziet in het bezwaar geen aanleiding om het standpunt van belanghebbende te volgen dat ook de componenten a en f voor toeslagjaar 2008 en component a voor toeslagjaar 2009 aangepast dienen te worden.

Immateriële schadevergoeding
Gelet op het voorgaande dient ook de immateriële schadevergoeding berekend te worden tot de datum van de beslissing op bezwaar.

Aanvullende vergoeding
De Commissie merkt op dat bovenstaande aanpassing tot gevolg heeft dat ook de
aanvullende vergoeding van 1% dient te worden berekend tot de datum van de
beslissing op bezwaar.

Vergoeding voor juridische kosten voor in het verleden gevoerde procedures
Belanghebbende stelt dat hij meerdere keren bezwaar heeft gemaakt, maar hier ten onrechte geen vergoeding voor juridische kosten is toegekend. De Commissie overweegt daarover als volgt.

Ingevolge artikel 2.3 lid 6 Wht bestaat recht op een forfaitair bedrag voor de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende en aan de belanghebbende in rekening gebrachte rechtsbijstand met betrekking tot een beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, Wht die is vastgesteld overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht, met wegingsfactor 2, waarbij wordt aangenomen dat er geen sprake is van samenhangende zaken, verminderd met een reeds toegekende of nog te toe te kennen proceskostenvergoeding.
De Commissie is van oordeel dat uit de voorhanden zijnde stukken niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende dergelijke kosten heeft gemaakt en adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.


Immateriële schade
Belanghebbende stelt recht te hebben op een hogere vergoeding voor de immateriële schade en verzoekt om deze reden te wijken van de forfaitaire vergoeding van de immateriële schade die de Wht voorschrijft. Belanghebbende heeft immers veel meer schade geleden dan € 500 per halfjaar.

De Commissie overweegt dat de wetgever de keuze heeft gemaakt om in het kader van de integrale beoordeling te werken met een systeem van forfaitaire vergoedingen. De Commissie heeft in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding gevonden om te komen tot het oordeel dat toepassing van het in de Wht neergelegde compensatiestelsel in een geval als dit buiten toepassing zou moeten blijven. Ook omdat de Wht ook voorziet in de mogelijkheid om vergoeding
van de daadwerkelijke (im)materiële schade te vragen via de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade. Het betoog van gemachtigde op dit punt slaagt niet. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Werkelijke schade
Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de
forfaitaire (standaard)vergoedingen en niet op de vergoeding van eventuele hogere werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) bestemd. Gemachtigde heeft tijdens de hoorzitting verklaard namens belanghebbende al een verzoek te hebben ingediend bij CWS tot vergoeding van de werkelijke schade.

Proceskostenvergoeding
Nu de bezwaren gedeeltelijk gegrond zijn en het advies van de Commissie ertoe strekt om de primaire beschikking met kenmerk UHT-DC I te herroepen, adviseert de Commissie UHT tevens de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De Commissie adviseert om hierbij de hoogste vergoeding toe te kennen met wegingsfactor 2.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • de compensatieberekening aan te passen op voornoemde punten;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter