BAC 2022-03743, BAC 2022-03746 en BAC 2022-03749
Publicatiedatum 11-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primaire besluiten: 9 juli 2021 met kenmerk UHT-DC I A, 29 september 2021 met kenmerk UHT-DC I en 20 oktober 2021 met kenmerk UHT-O OGS B
Ontvangst bezwaarschrift: 11 augustus 2021 en 25 november 2021
Hoorzitting: 25 juni 2024
Overdracht advies aan UHT: 5 juli 2024
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaarschrift gericht tegen het definitieve compensatiebedrag deels gegrond te verklaren en de bezwaren gericht tegen de afgewezen toeslagjaren en de tegemoetkoming opzet/grove schuld van € 1.074, ongegrond te verklaren. Voorts adviseert de Commissie een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften worden geacht te zijn gericht tegen de volgende door UHT genomen beschikkingen:
- De beschikking van 9 juli 2021 met kenmerk UHT-DC-I A, waarin UHT heeft beslist dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2011, 2015 en 2016. De reden is dat door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) voor deze jaren geen fouten zijn gemaakt.
- De beschikking van 29 september 2021 met kenmerk UHT-DC I, waarin UHT heeft beslist dat aan belanghebbende een definitief compensatiebedrag van € 33.699 wordt toegekend voor de toeslagjaren 2012, 2013 en 2014. B/T heeft over die jaren fouten gemaakt bij de beoordeling van KOT.
- De beschikking van 20 oktober 2021 met kenmerk UHT-O OGS B, waarin UHT heeft beslist dat belanghebbende een tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GS-tegemoetkoming) van € 1.074 krijgt toegekend voor de toeslagjaren 2015 en 2016. De reden is dat B/T in het verleden ten onrechte niet heeft meegewerkt aan het verzoek van belanghebbende om een betalingsregeling.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Op 16 maart 2021 is namens belanghebbende verzocht om herbeoordeling van KOT voor de toeslagjaren 2011 tot en met 2016.
- Bij beschikking van 28 april 2021 heeft UHT op basis van de lichte toets een bedrag van € 30.000 toegekend.
- Op 28 mei 2021 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) als advies uitgebracht dat de compensatieregeling en de hardheidscompensatie niet van toepassing zijn op de toeslagjaren 2011, 2012, 2015 en 2016.
- Op 9 juli 2021 heeft UHT als vooraankondiging het voorlopige compensatiebedrag voor de toeslagjaren 2012, 2013 en 2014 bepaald op € 33.295.
- Op 9 juli 2021 heeft UHT compensatie voor de toeslagjaren 2011, 2015 en 2016 afgewezen.
- Op 8 augustus 2021 heeft gemachtigde hiertegen een bezwaarschrift ingediend.
- Op 29 september 2021 heeft UHT het definitieve compensatiebedrag voor de toeslagjaren 2012, 2013 en 2014 vastgesteld op € 33.699.
- Op 20 oktober 2021 heeft UHT voor de toeslagjaren 2015 en 2016 een O/GS-tegemoetkoming toegekend van € 1.074.
- Op 10 november 2021 heeft gemachtigde een bezwaarschrift ingediend tegen de beschikkingen van 29 september 2021 en 20 oktober 2021.
- Op 4 oktober 2022 heeft gemachtigde aanvullende gronden van bezwaar ingediend en gevraagd de bezwaarschriften gevoegd te behandelen.
- Op 15 september 2023 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
- Op 25 juni 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
- De Commissie bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid, heeft dit advies behandeld.
Ontvankelijkheid
De ontvankelijkheid van de bezwaarschriften is niet in geschil.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden besluiten
Met betrekking tot de compensatieberekening heeft gemachtigde tijdens de hoorzitting aangegeven zich te kunnen vinden in de gedeeltelijk gegrondverklaring, zoals opgenomen in de schriftelijke reactie van UHT. De Commissie ziet zich derhalve nog voor de vraag gesteld of UHT compensatie voor de toeslagjaren 2011, 2015 en 2016 terecht heeft afgewezen en de overige gronden van bezwaar.
Compensatieberekening
Het is de Commissie gebleken dat in de compensatieberekening een onjuiste einddatum voor de immateriële schadevergoeding en de rentevergoeding over de gemiste KOT (regel o van de compensatieberekening) is gehanteerd. Dit had 29 september 2021 moeten zijn in plaats van 22 september 2021. UHT acht het bezwaar op dit punt gegrond en zal de compensatieberekening aanpassen in de beslissing op bezwaar. De Commissie adviseert UHT om aan deze toezegging gevolg te geven en de compensatieberekening aan te passen conform de in de schriftelijke beschouwing opgenomen toezeggingen.
UHT heeft de Commissie meegedeeld dat UHT, indien een bezwaar (gedeeltelijk) gegrond is, bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade - in afwijking van de Wht - als einddatum zal hanteren de datum van de beslissing op het bezwaar. De Commissie adviseert UHT daarom dit beleid ook in dit geval toe te passen.
Immateriële schadevergoeding
Met betrekking tot de hoogte van de immateriële schadevergoeding overweegt de Commissie dat het op grond van de Wht niet mogelijk is in het kader van de onderhavige procedure een hogere schadevergoeding toe te kennen dan in overeenstemming is met de forfaitaire compensatieregeling. Deze procedure ziet uitsluitend op toekenning van de standaardvergoedingen volgens de Wht en niet op de vergoeding van de werkelijk geleden schade. Ten overvloede merkt zij op dat het niet onevenredig is om met forfaitaire bedragen te werken.
Wanneer een belanghebbende meer (of andere schade) heeft geleden dan forfaitair wordt gecompenseerd, dan kan hij of zij om aanvullende compensatie vragen voor die werkelijke schade. Belanghebbende dient daartoe een verzoek tot vergoeding van die werkelijke schade in bij de Commissie Werkelijke Schade.
Afwijzing compensatie 2011, 2015 en 2016
Gemachtigde stelt dat compensatie voor de toeslagjaren 2011, 2015 en 2016 ten onrechte is afgewezen. Met betrekking tot toeslagjaar 2011 stelt gemachtigde dat geen sprake was van een toeslagpartner en de eerste maanden de KOT door B/T is uitgekeerd op een onjuist rekeningnummer. Met betrekking tot de toeslagjaren 2015 en 2016 stelt gemachtigde dat de KOT niet door belanghebbende zelf is stopgezet. Voor zover geen aanvraag voor KOT is gedaan, ligt de reden hiervoor in de belastingschuld die is ontstaan als gevolg van de problemen met de KOT.
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T.
Uit het bezwaardossier blijkt dat voor toeslagjaar 2011 zowel een op- als neerwaartse correctie heeft plaatsgevonden naar aanleiding van wijzigingen in het (gezamenlijke) toetsingsinkomen. Dit heeft geresulteerd in een uiteindelijke neerwaartse correctie van € 77. Verder blijkt uit het bezwaardossier dat vanaf 1 september 2011 een toeslagpartner stond ingeschreven op het adres van belanghebbende. Uit het overzicht van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC-overzicht) blijkt dat de KOT in eerste instantie werd uitbetaald op een foutief rekeningnummer. Dit is binnen drie maanden hersteld.
Met betrekking tot toeslagjaar 2015 volgt uit het bezwaardossier dat zich in dat jaar meerdere wijzigingen hebben voorgedaan. Zowel in het aantal opvanguren, het uurtarief als het toetsingsinkomen. Daarnaast heeft belanghebbende de KOT meerdere malen zelf stopgezet dan wel opnieuw aangevraagd. De laatste melding dateert van 29 december 2015, waarmee de KOT per 1 december 2015 werd stopgezet. De neerwaartse correcties zijn volgens UHT allen het gevolg van reguliere wijzigingen. Voor toeslagjaar 2016 blijkt ook dat belanghebbende de kinderopvangtoeslag zelf heeft stopgezet en dat geen (gekwalificeerde) kinderopvang is afgenomen.
Tijdens de hoorzitting heeft belanghebbende aangegeven dat ze haar DigiD heeft gegeven aan een medewerker van de kinderopvanginstelling. De Commissie overweegt als volgt. Om een aanvraag/stopzetting KOT te kunnen doen, moet de aanvrager inloggen met zijn/haar persoonlijke DigiD-inloggegevens. Daarmee heeft B/T willen bewerkstelligen dat alleen een rechthebbende op de toeslag een dergelijke aanvraag kan indienen. Een DigiD biedt immers een persoonsgebonden ingang naar een digitaal portaal. Hoewel de Commissie niet uitsluit dat belanghebbende het delen van haar DigiD te goeder trouw heeft gedaan, is zij toch van mening dat het delen van DigiD-inloggegevens voor rekening en risico van belanghebbende dient te komen. Voorts verwijst de Commissie naar productie 25, waarin op een door belanghebbende ondertekend bezwaarformulier, handgeschreven wordt vermeld dat belanghebbende de opvang per 1 december 2015 heeft stopgezet.
Gelet op vorenstaande is er naar het oordeel van de Commissie geen reden het advies van de CvW en het standpunt van UHT met betrekking tot de toeslagjaren 2011, 2015 en 2016 onjuist te achten. De Commissie is verder van oordeel dat met het indienen van het schriftelijke verweer, de LIC-overzichten en de overige producties, het bestreden besluit ten aanzien van de afgewezen toeslagjaren voldoende is onderbouwd en zorgvuldig tot stand gekomen. De bezwaren zijn op dit punt ongegrond.
O/GS-tegemoetkoming 2015 en 2016
Met betrekking tot de O/GS-tegemoetkoming merkt de Commissie op dat deze volgens artikel 2.6 lid 2 Wht 30% bedraagt van het bedrag van de terugvordering. Uit het bezwaardossier blijkt dat voor toeslagjaar 2015 een bedrag van totaal €2.072 is teruggevorderd en voor toeslagjaar 2016 een bedrag van € 1.505. Gelet hierop is de Commissie van oordeel dat de aan belanghebbende toegekende O/GS-tegemoetkoming van € 1.074 correct is berekend.
Voorts heeft de Commissie geconstateerd dat op basis van de kindregeling een bedrag van € 6.000 is toegekend aan de dochter van belanghebbende.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar de mening van de Commissie deels gegrond is en het advies van de Commissie ertoe strekt om de beschikking met kenmerk UHT- DC I te herroepen, adviseert de Commissie UHT tevens de kosten van rechtsbijstand in deze procedures te vergoeden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (één bezwaarschrift en één hoorzitting). De Commissie adviseert om hierbij de hoogste vergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:
- het bezwaarschrift gericht tegen de beschikking met de kenmerk UHT-DC I deels gegrond te verklaren en de compensatieberekening aan te passen conform bovenstaande overwegingen; en
- de bezwaarschriften gericht tegen de beschikkingen met de kenmerken UHT-DC-I A en UHT-O OGS B ongegrond te verklaren; en
- een proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter