Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-03728

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 29 maart 2023 (UHT-DCH ZV)

Hoorzitting: 29 oktober 2025

Overdracht advies aan UHT: 14 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de compensatieberekening over toeslagjaar 2014 aan te passen en alsnog compensatie toe te kennen voor het toeslagjaar 2010 op grond van vooringenomenheid en 2017 op grond van hardheid. Daarnaast adviseert de Commissie om, met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 9.1, eerste lid, Wht, een O/GS-tegemoetkoming toe te kennen voor de jaren 2013, 2015 en 2016 . Tot slot adviseert de Commissie om aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van €14.305,- voor het jaar 2014 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2008 tot en met 2013 en 2015 tot en met 2018.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 26 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over het jaar 2007. UHT heeft in overleg met belanghebbende de jaren 2008 tot en met 2018 herbeoordeeld.
  • UHT heeft bij beschikking van 30 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 29 december 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2013 en 2015 tot en met 2018.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 29 maart 2023 met kenmerk UHT-DCH ZV aan belanghebbende voor toeslagjaar 2014 een compensatie toegekend voor een bedrag van €14.035,- en geen compensatie toegekend voor de jaren 2008 tot en met 2013 en 2015 tot en met 2018.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 11 april 2023, ingekomen op dezelfde dag, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 10 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft op 24 oktober 2025 een aanvullend bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 28 oktober 2025 een aanvullende beschouwing met aanvullende producties overgelegd.
  • Op 29 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd. Tijdens de hoorzitting heeft gemachtigde namens belanghebbende stuken overgelegd over uitstel van betaling, informatie doelgroepen en over 2018.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 21 november 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 16 december 2025 op gereageerd en aanvullende stukken aangeleverd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Opmerkingen vooraf ten aanzien van op de zaak betrekking hebbende stukken, zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

De Commissie merkt op met verbazing kennis te hebben genomen van de stukken die door UHT en door gemachtigde eerst ná het nemen van de primaire beslissing zijn toegevoegd aan het dossier. Op UHT rust de wettelijke verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken tijdig en volledig te overleggen. Vastgesteld moet worden dat hieraan niet (tijdig) is voldaan, hetgeen de Commissie als zorgelijk kwalificeert.

Voorts acht de Commissie het zorgelijk en onwenselijk dat UHT kennelijk een primair besluit heeft genomen, zonder dat de daaraan ten grondslag liggende stukken kenbaar onderdeel uitmaakten van het dossier. Daarmee is onvoldoende inzichtelijk en controleerbaar op welke feitelijke grondslag de ingenomen standpunten berusten. Een herstelprocedure als de onderhavige vereist naar het oordeel van de Commissie een hoge mate van zorgvuldigheid, nauwkeurigheid en inzichtelijkheid. Uit het voorliggende dossier blijkt niet dat aan deze vereisten is voldaan. De Commissie gaat er van uit dat UHT deze tekortkomingen kritisch evalueert en structurele verbeteringen doorvoert om herhaling te voorkomen. Naast de in deze zaak spelende problematiek heeft de geschetste gang van zaken tot een aanmerkelijke duur van deze bezwaarprocedure geleid. De Commissie adviseert UHT om in onderhavige zaak, voor zover nog niet gedaan, alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken (waaronder het ouderdossier) per omgaande aan belanghebbende te verstrekken en de beslissing op bezwaar van een adequaat onderbouwde en inzichtelijke motivering te voorzien.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het jaar 2014 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2008 tot en met 2013 en 2015 tot en met 2018 af te wijzen.

De Commissie is tot de conclusie gekomen dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en dient te worden herroepen. Dit wordt in de navolgende overwegingen toegelicht.

Gelet op het groot aantal jaren dat in bezwaar aan de orde is en de beoordeling door de Commissie van de toeslagjaren 2010, 2014 en 2017 zullen eerst die jaren worden besproken en daarna de overige jaren.

Toeslagjaar 2010

Gemachtigde stelt zich op het standpunt dat voor toeslagjaar 2010 sprake is van vooringenomen handelen, omdat Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) voor dit toeslagjaar meermaals dezelfde informatie bij belanghebbende heeft opgevraagd. Dit terwijl de eerder, door belanghebbende, opgestuurde stukken al voldoende waren om het recht op KOT te kunnen beoordelen. Volgens het Handboek van UHT is dit een indicatie van vooringenomen handelen, aldus nog steeds gemachtigde.

UHT stelt zich op het standpunt dat de informatie van belanghebbende onvoldoende duidelijk was omdat er geen duidelijke splitsing tussen de verschillende opvangkosten die bij de verschillende opvanginstellingen waren gemaakt is vermeld op het formulier dat belanghebbende had ingestuurd.

Belanghebbende betwist dit. Zij verwijst in dit verband naar de splitsing in de tijdlijn bij vak “24 10 2011”. Zij vindt het onbegrijpelijk dat door UHT aangevoerd wordt dat een duidelijke splitsing zou ontbreken. Belanghebbende voert tevens aan dat zij voor dit jaar te weinig opvanguren toegekend heeft gekregen. Ze vertelt ook dat ze in 2016 een bedrag van €500,- á €700,- per maand rechtstreeks aan het gastouderbureau heeft betaald.

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of sprake is van vooringenomen handelen. In de jaaropgave 2010 van [naam KOI] (pagina 141) is door middel van kolommen per maand een kostenoverzicht gegeven. De tweede en de derde kolom zien respectievelijk op de “kosten gastouder” en “kosten [naam KOI]”. Verder is op de jaaropgave te lezen dat de totale kosten en opvanguren alsook het gehanteerde uurtarief per opvang per maand zijn gespecificeerd.

Onder de kolommen zijn de totale kosten voor het jaar 2010 voor zowel opvang door de gastouder als voor [naam KOI] vermeld. Ook staat daar het totaal afgenomen opvanguren.

Belanghebbende heeft de jaaropgave bij het eerste formulier d.d.11 oktober 2011 (pagina 140) meegestuurd. Ook in dat door haar ingevulde formulier is te zien dat zij een splitsing en een berekening van de opvangkosten heeft genoteerd. De Commissie volgt het standpunt van UHT dat een duidelijke splitsing zou ontbreken, en daarom nadere uitvraag gerechtvaardigd zou zijn, niet. Belanghebbende is voor het aanleveren van de gevraagde informatie afhankelijk van de gegevens op de jaaropgaaf die zij van de opvanginstelling ontvangt. Ze heeft daarvan een afschrift meegestuurd. De Commissie overweegt dat de splitsing in opvang/kosten– mede gelet op de door belanghebbende ingevulde gegevens en aan de hand van de verstrekte jaaropgave – kenbaar was voor B/T, zodat zij toen gepaste acties had moeten ondernemen als daarvoor aanleiding was.

De Commissie acht het daarom vooringenomen dat B/T in de tweede brief d.d. 13 december 2012 (productie 105) opnieuw vraagt om opvanguren, kosten en periode van zowel buitenschoolse opvang (BSO) als dagopvang. Op dat moment was voor B/T immers bekend dat belanghebbende de informatie waarover zij beschikte al had ingediend. Gelet op het voorgaande kwalificeert het opnieuw uitvragen van informatie, terwijl deze reeds bekend was en door belanghebbende verstrekt was, als een vooringenomen handeling. De Commissie acht het invoelbaar dat voornoemde handelswijze van B/T in combinatie met de financiële positie van belanghebbende veel stress en onzekerheid met zich meebracht in het leven van belanghebbende.

De Commissie adviseert UHT om alsnog compensatie toe te kennen op grond van vooringenomenheid voor toeslagjaar 2010.

Beoordeling compensatieberekening over toeslagjaar 2014

Belanghebbende voert aan dat zij zich niet kan verenigen met de compensatieberekening.

UHT heeft in de beschouwing een nadere toelichting gegeven op elk onderdeel van de compensatieberekening. Daarin bevestigt UHT dat een onjuiste start- en einddatum is gehanteerd voor de vergoeding voor immateriële schade (component n). De startdatum van 12 december 2015 klopt niet, dit moet volgens UHT 7 januari 2016 zijn (de nihilstelling, productie 45). De gehanteerde einddatum van 4 april 2023, moet volgens UHT 29 maart 2023 zijn (productie 6). Echter, aanpassing van deze data heeft geen gevolgen voor de hoogte van de immateriële schadevergoeding. Deze blijft €7.500,- , omdat de totale periode is afgerond van 14,5 naar 15 halve jaren (15 jaren x €500,- = €7.500,-).

De Commissie overweegt allereerst dat het advies van de Commissie om voor toeslagjaar 2010 compensatie te verstrekken gevolgen heeft voor de aanvang van de termijn waarover de immateriële schade zich uitstrekt, aangezien de vooringenomenheid dan reeds vanaf de tweede uitvraag over 2010 aanwezig was. Over 2014 is de Commissie van opvatting dat de juiste startdatum 15 december 2015 is, op die dag zijn de lasten door B/T intern op nihil gesteld (zie pagina 39). De Commissie adviseert UHT om bij de beslissing op bezwaar de toekenning van immateriële schade aanvullend te motiveren.

UHT bevestigt daarnaast dat de rente over gemiste KOT (component o) onjuist is berekend. Indien de juiste data worden gehanteerd, zal de rente €3.082,- bedragen. Dit bedrag is echter ten nadele van belanghebbende, UHT zal dit bedrag dus niet aanpassen. Het bedrag van €3.088,- blijft ongewijzigd.

De Commissie neemt met instemming kennis van de toelichting op de compensatieberekening ten aanzien van de rente over gemiste KOT (component o).

Met betrekking tot de post kosten van juridische hulp (component m) heeft gemachtigde aangevoerd dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding voor de juridische kosten. Gemachtigde is het niet eens met de stelling van UHT dat alleen recht op vergoeding bestaat bij bezwaar- en beroepsprocedures. De Commissie stelt aan de hand van de stukken in het dossier vast dat belanghebbende juridische hulp heeft gehad van een ter zake kundige gemachtigde (onder andere pagina’s 216 en 218). Daaruit volgt dat namens belanghebbende een “verbeterde aangifte toeslagen 2014” was ingediend, dat die niet in behandeling was genomen omdat de definitieve beschikking reeds was vastgesteld en dat namens belanghebbende verzocht werd om de verbeterde aangifte alsnog in behandeling te willen nemen. Ook is in de brief van 24 oktober 2016 (pagina 218) gevraagd om uitstel van betaling. De Commissie overweegt dat de verbeterde aangifte kwalificeert als bezwaar tegen de definitieve beschikking toeslagen 2014. Het verzoek had naar zijn strekking – bezwaar – moeten worden behandeld.

In het Besluit proceskosten (hierna: Bpb) is het criterium: door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De Commissie concludeert dat uit de voorhanden stukken afdoende blijkt dat sprake is van professionele bijstand en deze door het boekhoudkantoor werd verleend. De Commissie ziet daarom geen reden om deze van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in het Bpb, uit te sluiten.

De Commissie adviseert UHT derhalve voor het toeslagjaar 2014 alsnog een vergoeding voor juridische kosten toe te kennen en dus component m van de compensatieberekening aan te passen.

Beoordeling toeslagjaren 2017 en 2018

Belanghebbende betwist dat zij of haar boekhouder een aanvraag KOT heeft ingediend voor de jaren 2017 en 2018. Haar kinderen hebben geen opvang genoten in [locatie]. Belanghebbende vermoedt dat er een fout is gemaakt, hetgeen ook wordt bevestigd door de medewerker aan de telefoon. Belanghebbende heeft een geluidsopname en transcriptie van dat telefoongesprek overgelegd. De boekhouder heeft met terugwerkende kracht KOT aangevraagd voor het toeslagjaar 2016. Belanghebbende vermoedt dat die aanvraag door B/T is aangemerkt als een nieuwe aanvraag voor het toeslagjaar 2017. Op het formulier (productie 106) dat UHT heeft overgelegd, staat de datum 1 januari 2016. De uitbetaling van de KOT 2017 is vervolgens direct verrekend en hebben er dwangbevelen plaatsgevonden.

De Commissie overweegt dat de verklaring van belanghebbende wordt ondersteund door de transcriptie van het telefoongesprek tussen haar en de medewerker van B/T. Belanghebbende heeft als gevolg van de fout van B/T nadelige gevolgen ondervonden.

Uit het LIC-overzicht (pagina 303) blijkt dat er over het jaar 2017 geen KOT is uitbetaald, maar dat het gehele jaarvoorschot reeds bij toekenning in december 2016, is verrekend met de KOT over 2014. Op dat moment was nog niet duidelijk hoe de opvang situatie over het jaar 2017 eruit zou zien. De Commissie concludeert dat, hoewel achteraf is gebleken dat er geen recht was op KOT, deze handelswijze beoordeeld naar de situatie op het moment van de aanvraag en daaropvolgende toekenning van het jaarvoorschot, blijk geven van een hardheid als gedefinieerd in de Wht. Belanghebbende is door de verrekening ineens van het voorschotbedrag over het gehele jaar ernstig benadeeld. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren en om voor het jaar 2017 alsnog een hardheidscompensatie toe te kennen.

Met betrekking tot het jaar 2018 constateert de Commissie dat gelet op de beschikkingen en het LIC-overzicht (pagina 303), sprake is van een verlaging van minder dan €1.500,-. Belanghebbende heeft over dit toeslagjaar geen terugbetalingen gedaan, B/T heeft (een deel van) het teruggevorderde bedrag verrekend met KOT over 2015 en het lopende jaar. Wil er sprake zijn van hardheid dan moet het bedrag van de terugvordering minimaal €1.500,- bedragen. Nu het teruggevorderde bedrag lager is, bestaat er voor dit jaar geen recht op compensatie op grond van hardheid.

De Commissie adviseert aan UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Beoordeling van de overige jaren

Toeslagjaren 2008 en 2009

De Commissie stelt vast dat over de toeslagjaren 2008 en 2009 geen neerwaartse correcties en geen terugvorderingen hebben plaatsgevonden (producties 12 en 17). De Commissie ziet geen aanleiding voor compensatie over die jaren. De bezwaren zijn op dit onderdeel ongegrond.

Toeslagjaar 2011

Volgens belanghebbende is de neerwaartse bijstelling niet gebaseerd op het antwoordformulier en de jaaropgave.

In de aanvullende beschouwing van 28 oktober 2025 heeft UHT toegelicht dat de neerwaartse bijstelling nog is beïnvloed door een hoger toetsingsinkomen. Dat destijds de KOT niet met de juiste opvanguren is vastgesteld, zoals gemachtigde heeft gesteld, valt volgens UHT buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie ziet in de gegevens over 2011 geen aanknopingspunten voor vooringenomenheid of hardheid.

Toeslagjaar 2012

Gemachtigde stelt zich in de aanvullende bezwaargronden op het standpunt dat sprake is van vooringenomen handelen. Hiertoe voert zij aan dat uit het dossier (productie 31) blijkt dat sprake is van een ‘zachte stop’. Daarmee is volgens haar sprake van een onterechte collectieve stopzetting. Verder blijkt uit de tijdlijn (pagina 29) dat op 6 december 2011 de KOT aanvraag tijdens het MACCEN onterecht is gestopt. Nadat de KOT aanvraag was verwerkt door B/T heeft belanghebbende vervolgens bezwaar ingediend. Hierop is de KOT opwaarts bijgesteld. Gemachtigde verzoekt de stukken over te leggen die op dit toeslagjaar zien. UHT stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een ‘zachte stop’. Ter onderbouwing hiervan voert zij aan dat uit het LIC-overzicht (productie 78) volgt dat de uitbetalingen van de voorschotbedragen KOT niet later hebben plaats gevonden.

De MAC-melding heeft niet geleid tot nadelige gevolgen voor belanghebbende nu die onterecht was gestopt en de automatische continuering op normale wijze doorgang vond. De overige correcties betreffen reguliere wijzigingen.

De Commissie heeft in het dossier geen aanknopingspunten gevonden die moeten leiden tot de conclusie dat voor het toeslagjaar 2012 sprake is van vooringenomen handelen.

Weliswaar volgt uit de producties voornoemd dat sprake was van een stopzetting, echter deze is reeds een aantal dagen daarna hersteld, nog voor aanvang van het toeslagjaar. Uit de betaalgegevens in het LIC-overzicht blijkt verder dat de uitbetaling van de KOT regulier doorgang heeft gevonden. Uit het SAS overzicht beschikkingen 2012 (productie 39) blijkt evenmin van wijzigingen die aanknopingspunten bieden voor herstel. De Commissie adviseert om het bezwaar met betrekking tot dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaren 2013, 2015 en 2016

In de beschouwing van 10 maart 2025 heeft UHT de twee neerwaartse correcties in het jaar 2013 toegelicht, voortvloeiend uit de informatie in de KOI-viewer en het toetsingsinkomen. Ook de twee neerwaartse correcties in toeslagjaar 2015 zijn toegelicht, wegens uit de jaaropgave blijkende minder opvangkosten en vanwege het bereiken van de leeftijd van vier jaar van kind [naam], geboren 7 september 2011 (BSN ***), zodat voor dit kind geen recht op dagopvang meer bestond. De ene correctie in toeslagjaar 2016 betrof een verlaging na door belanghebbende ingezonden jaaropgave van de kinderopvanginstelling. UHT heeft de verlaging van 2013, die hoger was dan € 1.500,- toegelicht en geconcludeerd dat daarin geen hardheid was gelegen. In 2015 en 2016 was geen sprake van verlaging of terugvordering van meer dan € 1.500.

Belanghebbende heeft geen bezwaren tegen deze jaren gemaakt behalve over de verrekeningen in 2013.

De Commissie is van oordeel dat de wijzigingen in de jaren 2013, 2015 en 2016 afdoende zijn toegelicht. Aanknopingspunten voor vooringenomenheid ziet de Commissie niet. Dat geldt ook voor hardheid voor toeslagjaar 2013. De KOT was aan belanghebbende betaald en de toegepaste verrekening is overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen toegepast. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.

O/GS-beoordeling

Gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de vaststelling dat geen sprake is van O/GS-over de toeslagjaren 2010 tot en met 2019 niet gemotiveerd is. Volgens haar dient inzicht te worden gegeven in de wijze waarop zoekopdracht en de vaststelling is geschied. Die informatie behoort volgens gemachtigde tot de op de zaak betrekking hebbende stukken. UHT heeft nagelaten deze stukken te verstrekken, terwijl dit juist van belang is, zeker met betrekking tot toeslagjaar 2010. Ze verwijst in dit verband naar de tijdlijn. Daarin staat dat namens belanghebbende op 19 juli 2013 (pagina 26) is verzocht om een persoonlijke betalingsregeling. In het LIC-overzicht van 2010 is echter geen betalingsregeling zichtbaar. Gemachtigde bepleit dat er evidente aanwijzingen zijn dat het verzoek om een betalingsregeling is geweigerd.

UHT stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een onterechte O/GS kwalificatie. Uit de bij de afdeling CAP belegde uitzoekvraag (productie 102) blijkt dat voor de toeslagjaren 2014, 2015 en 2017 verzoeken om uitstel van betaling zijn ingediend. Deze verzoeken zijn gehonoreerd en na het verstrijken van de gestelde termijn weer ingetrokken (producties 97 tot en met 99). Ten aanzien van het door gemachtigde aangehaalde verzoek van 19 juli 2013 bevestigt UHT dat dit een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling betreft. Naar aanleiding van dat verzoek is een persoonlijke betalingsregeling getroffen (productie 102), zodat er voor dat jaar geen sprake kan zijn van een onterechte O/GS kwalificatie. Met betrekking tot de andere jaren stelt UHT zich op het standpunt dat de aangetroffen brieven een verzoek behelsden en geen verzoeken om een persoonlijke betalingsregeling. Daarnaast is er een kwijtscheldingsverzoek aangetroffen.

De Commissie stelt vast dat alles in dit dossier erop wijst dat belanghebbende niet kon voldoen aan de terugvorderingslast die op haar gelegd werd. Belanghebbende heeft op verschillende momenten contact opgenomen met B/T, zowel schriftelijk als telefonisch, waarbij ze aangaf dat ze de terugvorderingen niet (ineens) kon voldoen. Ze deed deelbetalingen waar dat voor haar financieel haalbaar was.

Belanghebbende legde ook een overzicht van haar verwachte inkomsten over. Al met al had B/T uit dit alles kunnen en moeten begrijpen dat belanghebbende niet in staat was om de teruggevorderde bedragen ineens terug te betalen. De verzoeken en contactmomenten van belanghebbende met B/T hadden daarom aangemerkt moeten worden als verzoeken om een persoonlijke betalingsregeling. Dat heeft B/T echter niet gedaan.

De Commissie stelt vast dat de in productie 102 aangehaalde betalingsregeling en aldaar genoemde deelbedragen voor het jaar 2010 niet blijken uit de LIC overzichten vanaf het jaar 2010. Uit niets blijkt dat door belanghebbende over een bepaalde periode een reeks van betalingen zijn gedaan, die zich zouden laten kenmerken als een uiting van een getroffen persoonlijke betalingsregeling.

Vaststaat dat B/T geen formele O/GS-kwalificatie heeft gegeven. Gelet op de hierboven weergegeven gang van zaken adviseert de Commissie UHT om in dit geval, met toepassing van de hardheidsclausule in artikel 9.1 lid 1 Wht, een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6 Wht aan belanghebbende toe te kennen voor de jaren 2013 tot en met 2017. De Commissie overweegt daartoe dat de situatie waarin belanghebbende verkeerde, feitelijk gelijk is aan de situatie waarop artikel 2.6 Wht ziet. In beide gevallen is immers geen persoonlijke betalingsregeling toegekend door de B/T, met grote gevolgen voor belanghebbende. De Commissie neemt hierbij in overweging dat belanghebbende meermaals contact heeft gezocht met B/T over de terugvorderingen. Ze deed deelbetalingen en verstrekte ook haar verwachte inkomsten, waaruit bleek dat belanghebbende niet aan de hoge terugvorderingslast kon voldoen die op haar gelegd werd. Dat het O/GS-label ontbreekt, mag naar het oordeel van de Commissie, gezien de bijzondere omstandigheden van dit geval, niet doorslaggevend zijn om een tegemoetkoming te weigeren. Concluderend is de Commissie van oordeel dat UHT aan belanghebbende alsnog een tegemoetkoming conform artikel 2.6, Wht voor de jaren 2013 tot en met 2017 moet toekennen met inachtneming van de reeds toegekende compensatie over toeslagjaar 2014 en het advies van de Commissie over toeslagjaar 2017.

Tot slot wijst de Commissie inzake O/GS naar het advies in BAC 2023-11362, gepubliceerd op de website, waarin is geadviseerd over het recht op informatie inzake O/GS.

In genoemd advies BAC 2023-11362 is onder meer vermeld:

Tot slot overweegt de Commissie dat belanghebbende recht heeft op de onderliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de O/GS-beoordeling.

De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid Ergin die op 10 maart 2026 is aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) en waarin de Kamer heeft uitgesproken dat UHT standaard en actief inzage geeft in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NKL:RBROT:2026:1545. Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

Dat is ook voor deze zaak van toepassing.

Proceskostenvergoeding

Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2.

Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gegrond te verklaren en om:

  • alsnog een vergoeding voor juridische hulp (component m) toe te kennen voor toeslagjaar 2014 en de compensatieberekening aan te passen;
  • alsnog compensatie toe te kennen voor toeslagjaar 2010 op grond van vooringenomenheid;
  • alsnog compensatie toe te kennen voor toeslagjaar 2017 op grond van hardheid;
  • alsnog met toepassing van de hardheidsclausule in artikel 9.1 lid 1 Wht, een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6 Wht aan belanghebbende toe te kennen voor de jaren 2013 tot en met 2017 met inachtneming van de reeds toegekende compensatie over toeslagjaar 2014 en de geadviseerde compensatie over toeslagjaar 2017;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter