BAC 2022-03674
Publicatiedatum 23-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Bestreden beschikking: 24 november 2021 (UHT-DC-I A)
Hoorzitting: 27 januari 2025 om 14:15 uur
Overdracht aan UHT: 17 februari 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar ongegrond te verklaren, de bestreden beschikking in stand te laten
en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende
bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking
compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en
vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) geen
compensatie toegekend over de toeslagjaren 2014 tot en met 2016.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 19 februari 2020 verzocht om een herbeoordeling van
de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2014 tot en met
2016. - UHT heeft bij beschikking van 26 april 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
van belanghebbende op 9 november 2021 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies geoordeeld dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. - UHT heeft bij de bestreden beschikking van 24 november 2021 met kenmerk
UHT-DC-I A aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op
compensatie voor de toeslagjaren 2014 tot en met 2016. - Gemachtigde heeft bij brief van 5 januari 2022, ingekomen op 10 januari 2022,
tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend. - Gemachtigde heeft bij brief van 28 februari 2022 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 31 mei 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 27 januari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is
een verslag gemaakt, dat aan dit advies is gehecht. - De Commissie, bestaande uit de voorzitter en 2 commissieleden, heeft de bezwaren behandeld en dit advies uitgebracht.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of een tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2014 en 2015 af te wijzen.
Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt dat de bestreden beschikking is genomen in strijd met het
motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel.
De Commissie is van oordeel dat UHT de bestreden beschikking weliswaar niet
voldoende heeft toegelicht, maar dat door het schriftelijke verweer en een uitgebreide uitleg met behulp van producties de bestreden beschikking voldoende is onderbouwd en in zoverre zorgvuldig tot stand is gekomen. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Vertrouwensbeginsel
Belanghebbende stelt dat zij geen aanvraag voor KOT heeft gedaan voor de toeslagjaren 2014 en 2015, omdat aan haar door een medewerker van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) is meegedeeld dat zij hier geen recht op zou hebben. Belanghebbende doet hierbij een beroep op het vertrouwensbeginsel. UHT stelt dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor compensatie omdat zij geen aanvraag voor KOT heeft gedaan voor de toeslagjaren 2014 en 2015. UHT stelt dat op basis van een advies geen gerechtvaardigd vertrouwen kan zijn gewekt bij belanghebbende over de definitieve uitkomst van de KOT-berekening over de toeslagjaren 2014 en 2015 en dat het indienen van een aanvraag voor KOT de verantwoordelijkheid van de ouder is.
De Commissie overweegt hierover als volgt. Vaststaat dat belanghebbende geen KOT heeft aangevraagd voor de toeslagjaren 2014 en 2015. Op grond van artikel 2.1, lid 1, Wht kan compensatie worden toegekend aan de aanvrager van KOT. Belanghebbende voldoet niet aan dit vereiste en komt daarom niet voor compensatie op grond van een herstelmaatregel in aanmerking. Ter zitting is door gemachtigde aangevoerd dat belanghebbende gezien de feiten en omstandig-heden in haar situatie zou moeten worden gecompenseerd op grond van de hardheidsclausule. De Commissie overweegt dat UHT op grond van artikel 9.1, lid 1, van de Wht bij een besluit over toekenning van compensatie of een tegemoetkoming kan afwijken van artikel 2.1, voor zover toepassing van dat
artikel, gelet op het doel of de strekking ervan, zal leiden tot een onbillijkheid van
overwegende aard voor belanghebbende. Uit de wetsgeschiedenis bij artikel 9.1 Wht volgt dat de hardheidsclausule is bedoeld voor bijzondere situaties waarin niet is voorzien en waarin toepassing van de wetsbepaling tot een zeer onbillijke uitkomst leidt. Een belangrijke voorwaarde hierbij is dat vasthouden aan de toepassing van de desbetreffende bepaling voor degene die heeft verzocht om toekenning van een herstelregeling, zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Belanghebbende stelt dat zij geen KOT heeft aangevraagd omdat een medewerker van B/T aan haar had meegedeeld dat zij hier geen recht op zou hebben. Hierdoor heeft zij geen gekwalificeerde kinderopvang afgenomen en zag zij zich genoodzaakt haar kind tegen betaling op te laten vangen door derden. De Commissie onderkent dat dit mogelijk niet de ideale situatie voor belanghebbende was, maar ziet in deze omstandigheden onvoldoende aanleiding om een afwijking van de systematiek van de Wht te rechtvaardigen. De Wht biedt herstel ten aanzien van onrechtmatige verlagingen en verrekeningen van KOT. Belanghebbende heeft geen KOT aangevraagd en ontvangen, en daarmee is geen KOT bij belanghebbende teruggevorderd. De Commissie ziet onvoldoende grond om compensatie toe te kennen op basis van de hardheidsclausule van artikel 9.1 Wht. De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar van belanghebbende ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert de bestreden beschikking te herroepen, bestaat geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en:
- de bestreden beschikking in stand te laten;
- geen proceskostenkostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter