Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-03467

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van [belanghebbende]

Primair besluit: 3 december 2021 (UHT-DC-I A) en3 januari 2022
(UHT-O OGS B)

Hoorzitting: 23 februari 2026

Overdracht advies aan UHT: 4 mei 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve besluiten compensatie kinderopvangtoeslag. Deze besluiten worden hierna aangeduid als de bestreden besluiten.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GS) toegekend voor een bedrag van € 4.617 voor het jaar 2015 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2015 en 2016.

Op 5 november 2022 is de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) in werking getreden. Volgens de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden besluiten geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 30 juli 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2015 en 2016.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 24 november 2021 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW is van oordeel dat de B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 49b van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) en de hardheidscompensatie van artikel 49 van de Awir niet van toepassing zijn voor de toeslagjaren 2015 en 2016.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit van 3 december 2021 aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor het jaar 2016.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit van 3 januari 2022 aan belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming toegekend voor een bedrag van € 4.617 voor het jaar 2015.
  • Gemachtigde heeft bij e-mail van 13 januari 2022 tegen deze besluiten een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 30 juni 2025 (met een ‘beschouwing’) schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 23 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 23 februari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft op 10 maart 2026 daarop gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de O/GS-tegemoetkoming voor het jaar 2015 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor het jaar 2016 af te wijzen.

Motiveringsbeginsel
De Commissie volgt UHT in het standpunt over de motivering van de bestreden besluiten. Voor zover er gebreken zijn in deze motivering, kan UHT die herstellen in de beslissing op bezwaar, en wel aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie adviseert aan UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Zienswijze
Belanghebbende heeft geen vooraankondiging ontvangen, waardoor hij destijds niet in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken. De Commissie overweegt dat, hoewel dat inderdaad niet de voorgeschreven gang van zaken is, belanghebbende in deze bezwaarprocedure de gelegenheid heeft gekregen en benut om zijn bezwaren toe te lichten en van bewijsstukken te voorzien.
Een eventuele tekortkoming is daarmee hersteld. Omdat belanghebbende niet heeft aangevoerd welk nadeel hij door dit nalaten heeft gehad, laat de Commissie dit bezwaar verder buiten beschouwing. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Commissie van Wijzen
Belanghebbende heeft in de hoorzitting verzocht de vraag te beantwoorden of de CvW kennis had van het feit dat de partner van belanghebbende, mevrouw [naam], voor de toeslagjaren 2012 tot en met 2014 betrokken was bij een CAF 11-onderzoek. De Commissie overweegt hierover het volgende. Uit de stukken waarop de CvW haar advies heeft gebaseerd is niet gebleken dat mevrouw [naam] betrokken was bij een CAF 11- onderzoek. De Commissie heeft echter geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de jaren 2015 en 2016 daardoor, in het geval van belanghebbende, institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Vooringenomenheid/Hardheid (toeslagjaar 2015)
De Commissie stelt vast dat voor het toeslagjaar 2015 twee verlagingen van de KOT hebben plaatsgevonden. De eerste verlaging van de KOT hield verband met het door belanghebbende met ingang van 31 augustus 2015 stopzetten van de KOT. De tweede verlaging van de KOT is gebaseerd op het door belanghebbende opgestuurde antwoordformulier en de bijgevoegde jaaroverzichten.
Deze verlagingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd.
Dergelijke verlagingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Belanghebbende heeft in de hoorzitting verzocht de berekening toe te sturen waaruit blijkt waarop het verschil, tussen de uitbetaalde KOT van bijna € 9.000 en het totale bedrag aan opvangkosten van ongeveer € 10.400 uit de jaaropgave, gebaseerd is. UHT heeft een aanvullende beschouwing met de berekening opgestuurd. UHT stelt dat de werkelijke opvangkosten in 2015 € 10.522 hebben bedragen en de uitbetaalde KOT € 8.929. Belanghebbende heeft het verschil van
€ 1.593 (€ 10.522 -/- € 8.929) zelf betaald als eigen bijdrage. Het percentage dat belanghebbende zelf als eigen bijdrage betaalt, is geen vast percentage.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat de door UHT gemaakte berekening en conclusie onjuist zijn. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

O/GS (toeslagjaar 2015)
Belanghebbende voert aan dat de problemen met het toeslagjaar 2015 zijn voortgevloeid uit een eerder CAF 11-onderzoek en dat onduidelijk is dat slechts een situatie van O/GS is aangenomen. De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT dat er geen recht op compensatie is vanwege groepsgewijze vooringenomenheid, omdat uit de systemen niet blijkt dat belanghebbende bij een CAF 11-onderzoek of een daarmee vergelijkbaar onderzoek is betrokken. Op grond van artikel 2.6 lid 1 en 2 Wht ontvangt een belanghebbende aan wie vanwege een onterechte kwalificatie van O/GS geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd, een O/GS-tegemoetkoming van 30% van het teruggevorderde bedrag. Volgens artikel 2.6 lid 4 Wht blijft deze O/GS-tegemoetkoming achterwege indien ten aanzien van de terugvordering recht bestaat op compensatie als bedoeld in artikel 2.1 Wht over hetzelfde berekeningsjaar. Voor het toeslagjaar 2015 heeft belanghebbende geen compensatie ontvangen als bedoeld in artikel 2.1 Wht waardoor haar O/GStegemoetkoming bestaat uit 30% van de som van het bedrag dat B/T voor toeslagjaar 2015 heeft teruggevorderd. Ten aanzien van de tegemoetkoming O/GS heeft UHT vastgesteld dat weliswaar de berekening onjuist is, maar dat dit in het voordeel van belanghebbende uitpakt. De Commissie overweegt dat belanghebbende door het indienen van bezwaar niet in een slechtere positie mag worden gebracht en adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren en de bestreden besluiten op dit onderdeel in stand te laten.

Toeslagjaar 2016
Met betrekking tot toeslagjaar 2016 is geen KOT aan belanghebbende toegekend en betaald. Belanghebbende heeft namelijk op 16 september 2015 een wijziging doorgegeven waarin hij de KOT per 31 augustus 2015 heeft stopgezet. Ook heeft hij geen KOT aangevraagd voor toeslagjaar2016. Omdat dit een reguliere gang van zaken betreft, die in overeenstemming met de wet is uitgevoerd, ziet de Commissie hier geen vooringenomenheid of hardheid in. Ook is er geen O/GS-kwalificatie in toeslagjaar 2016. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding
Omdat de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter