BAC 2021-158
Publicatiedatum 31-05-2024
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van [belanghebbende]
Primair besluit: 17 februari 2021, UHT-DC
Ontvangst bezwaarschrift: 10 maart 2021
Hoorzitting: n.v.t.
Overdracht advies aan UHT: 29 april 2022
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT onder meer het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de vergoeding voor immateriële schade te berekenen vanaf 8 september 2009 (tot de datum van de dagtekening van de beslissing op bezwaar) en de rente voor de gemiste kinderopvangtoeslag te berekenen tot de datum van de dagtekening van de beslissing op bezwaar.
Onderwerp van advies
Het bezwaarschrift van [belanghebbende], ingediend door zijn [gemachtigde], gedateerd 8 maart 2021, is gericht tegen de definitieve beschikking compensatie Kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) van 17 februari 2021. De compensatie is aan belanghebbende toegekend, omdat bij de herbeoordeling over de toeslagjaren 2008, 2009, 2010 en 2011 is gebleken dat de Belastingdienst/Toeslagen fouten heeft gemaakt. Het bezwaarschrift bevat tevens een verzoek om herbeoordeling van de toeslagjaren 2012 en 2013.
Aan belanghebbende is op grond van de Compensatieregeling een compensatiebedrag
toegekend van € 42.414 over de jaren 2008 tot en met 2011.
Deze bezwaarschriftprocedure heeft betrekking op de toekenning van voormeld
compensatiebedrag alsmede de berekening van de tegemoetkoming 2008 t/m 2011 en op de afwijzing van een compensatie voor 2012 en 2013, maar niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade bestemd. Een eventuele beslissing naar aanleiding van het advies van deze commissie is vatbaar voor bezwaar.
Procesverloop
- Bij brief van 5 december 2019 heeft belanghebbende een verzoek gedaan om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de toeslagjaren 2008 tot en met 2011.
- Bij brief van 9 januari 2020 (T C VG D) en 16 januari 2020 (T-C VG D) heeft UHT schriftelijk bevestigd dat zij de melding van belanghebbende betreffende het ten onterechte stoppen van de KOT hebben ontvangen.
- Bij brief van 22 december 2020 ontving belanghebbende de vooraankondiging van de compensatieberekening over de toeslagjaren 2008 t/m 2011 (UHT-VC I). De hoogte van de voorlopige compensatie bedraagt € 42.414.
- UHT heeft op 26 januari 2021 van belanghebbende een bezwaar tegen de vooraankondiging van de compensatie kinderopvangtoeslag ontvangen.
- Bij brief van 17 februari 2021 (UHT-DC) ontving belanghebbende de definitieve compensatiebeschikking, waarbij de hoogte van de compensatie is vastgesteld op € 42.414. Aangezien belanghebbende dit bedrag al heeft ontvangen bij de voorlopige compensatie is er geen nabetaling geweest. De compensatie is berekend over de jaren 2008, 2009, 2010 en 2011.
- Bij brief van 8 maart 2021 heeft de gemachtigde namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de definitieve beschikking d.d. 17 februari 2021. Het bezwaarschrift is 10 maart 2021 door UHT ontvangen.
- UHT heeft op 4 augustus 2021 een schriftelijke reactie ingediend op de bezwaren van belanghebbende.
- Bij brief van 9 september 2021 heeft de gemachtigde aanvullende gronden ingediend, waarbij gemachtigde ook een verzoek heeft gedaan om herbeoordeling van de toeslagjaren 2012 en 2013.
- Op 10 januari 2022 heeft de UHT een aanvullende schriftelijke reactie met aanvullende stukken ingediend over de toeslagjaren 2008 t/m 2011.
- Op 27 januari 2022 heeft er een telefoongesprek plaatsgevonden tussen de persoonlijk zaakbehandelaar en de behandelend secretaris van de Commissie over de aanvullende stukken. Tijdens dit gesprek heeft de persoonlijk zaakbehandelaar bekend gemaakt dat belanghebbende zich verzet tegen het niet betrekken van de toeslagjaren 2012 en 2013 in de compensatiebeschikking van 17 februari 2021.
- De gemachtigde heeft op 2 februari 2022 per e-mail gericht aan het secretariaat van de Commissie te kennen gegeven dat belanghebbende niet langer inhoudelijk bezwaar maakt tegen de beoordeling van de toeslagjaren 2008 tot en met 2011.
- Op 3 februari 2022 heeft UHT het oordeel van de Commissie van Wijzen van 28 december 2021, alsmede de beschikking herbeoordeling 2012 en 2013 overgelegd aan de Commissie. De Commissie van Wijzen heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen bij zijn handelen voor de toeslagjaren 2012 en 2013 de beginselen van behoorlijk bestuur in acht heeft genomen. Van institutioneel vooringenomen handelen is daarom voor die jaren geen sprake.
- Op verzoek van de gemachtigde heeft de Commissie de behandeling van het bezwaarschrift op 3 februari 2022 aangehouden voor de duur van 4 weken.
- Bij beschikking van 8 februari 2022 met kenmerk UHT-DC-I A, heeft UHT geconcludeerd dat de Belastingdienst bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2012 en 2013 geen fouten heeft gemaakt en derhalve geen recht bestaat op compensatie.
- De gemachtigde heeft op 23 februari 2022 de Commissie verzocht om een termijn voor het aanvullen van de gronden ten aanzien van de toeslagjaren 2012 en 2013. De gemachtigde heeft hiervoor een termijn van één week gekregen.
- De gemachtigde heeft op 2 maart 2022 per e-mail gericht aan het secretariaat van de Commissie laten weten dat zij samen met belanghebbende heeft kunnen vaststellen dat de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2012 en 2013 terecht is teruggevorderd. Belanghebbende ziet om die reden af van een hoorzitting. Wel blijven zij erbij dat het primaire besluit onvoldoende onderbouwd en gemotiveerd was, waardoor belanghebbende steeds weer moest vragen naar de relevante stukken.
Gronden van bezwaar
De na de intrekking van enkele bezwaren overgebleven gronden van bezwaar luiden samengevat als volgt.
Onderbouwing en motivering besluit afwijzing compensatie KOT 2012 en 2013
De gemachtigde en belanghebbende blijven van mening dat het primaire besluit
onvoldoende onderbouwd en gemotiveerd was, waardoor zij steeds weer moesten vragen naar de relevante stukken. Voor hen was namelijk op geen enkele wijze na te gaan en te controleren waarom in de jaren vóór 2012 wel sprake was van vooringenomen handelen, maar daarna niet meer.
Immateriële schadevergoeding
De gemachtigde voert aan dat de einddatum bij de berekening van de immateriële
schade in de beschikking van 17 februari 2021 moet worden aangepast aan de datum
van de beslissing op bezwaar.
Proceskostenvergoeding
Namens belanghebbende verzoekt de gemachtigde op grond van het voorgaande het
bezwaarschrift gegrond te verklaren en de proceskosten te vergoeden.
Verweer ten aanzien van de inhoudelijk overgebleven bezwaren
Het verweer na intrekking van enkele bezwaren luidt kort samengevat als volgt.
Vergoeding immateriële schade
De vergoeding voor immateriële schade in de compensatieberekening bedraagt € 11.500. De vergoeding bedraagt € 500 per halfjaar. De immateriële schade is berekend vanaf 8 september 2009 tot en met de dagtekening van de compensatiebeschikking. UHT merkt hierbij op, gelet op de eerdere adviezen van de Commissie, de datum van de beslissing op bezwaar als einddatum van de berekening van de immateriële schade te zullen hanteren. Dit betekent dat het gehanteerde bedrag voor de immateriële schadevergoeding op dit moment onjuist is berekend en derhalve zal wijzigen bij het nemen van de beslissing op bezwaar.
Rentevergoeding over gemiste KOT
UHT geeft aan dat belanghebbende op grond van onderdeel 3.1.6 van het Besluit
Compensatieregeling CAF 11, ook recht heeft op een vergoeding over de gemiste KOT als gevolg van de neerwaartse correctiebeschikking. Belanghebbende heeft in totaal €
14.330 rentevergoeding ontvangen. Dit bedrag bestaat uit een vergoeding van € 4.781
voor toeslagjaar 2008, € 3.128 voor toeslagjaar 2009, € 3.435 voor toeslagjaar 2010 en € 2.986 voor toeslagjaar 2011. De toeslagrente is berekend tot en met de datum van de compensatiebeschikking.
Aanvullende vergoeding 1%
Gezien de voorgaande correcties zal de extra compensatie van 1% worden aangepast.
Toepasselijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb);
- Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir);
- Besluit Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken (hierna: de
Compensatieregeling), gedateerd:- 6 december 2019 (Staatscourant 9 december 2019, nr. 66172);
- 20 mei 2020 (Staatscourant 26 mei 2020, nr. 28700);
- 28 augustus 2020 (Staatscourant 7 september 2020, nr. 45904);
- Besluit forfaitair bedrag en verruiming compensatieregeling (hierna: Catshuisregeling):
- Staatscourant 19 maart 2021, nr. 14691;
- Staatscourant 1 juni 2021, nr. 28304;
- Subsidieregeling pakket rechtsbijstand herstelregelingen kinderopvangtoeslag
(Staatscourant 2021, nr. 10248); - Besluit proceskosten bestuursrecht;
- Besluit tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met de
verhoging van het tarief voor de vergoeding van de kosten van door een derde
beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep van 8 december 2020, Staatsblad 2020, 524 (hierna: Besluit tot wijziging van het Besluit proceskosten).
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar tijdig is ingediend en ontvangen en dat het ook
overigens voldoet aan de daaraan te stellen eisen.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Motiveringsgebrek
De Commissie heeft geconstateerd dat het dossier in eerste instantie gebrekkig is
opgesteld. Middels de aanvullende en nader aangevulde stukken en de contactmomenten tussen de gemachtigde en UHT, is veel onduidelijkheid weggenomen bij belanghebbende. Zo is voor gemachtigde en belanghebbende inzichtelijk gemaakt hoe het compensatiebedrag voor de toeslagjaren 2008 t/m 2011 tot stand is gekomen en heeft belanghebbende kunnen vaststellen dat de terugvorderingen over de toeslagjaren 2012 en 2013 terecht waren. De Commissie merkt hierbij wel op dat belanghebbende zich buitengewoon heeft moeten inspannen om het dossier, dat meermaals is aangevuld, te verkrijgen en daarmee inzicht te krijgen in met name de toeslagjaren 2012 en 2013.
Belanghebbende heeft bedragen aan KOT moeten terugbetalen over die jaren en heeft
gedurende lange tijd niet kunnen uitsluiten dat dit ook het gevolg is geweest van
institutioneel vooringenomen handelen. Gelet hierop beveelt de Commissie UHT aan het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en adviseert zij UHT om de
onderstaande posten te vergoeden, dan wel door te berekenen in de beslissing op
bezwaar.
Immateriële schade
De Commissie onderschrijft het voornemen van UHT om de forfaitaire vergoeding voor de immateriële schade van belanghebbende te berekenen vanaf 8 september 2009, (de datum van de melding die geleid heeft tot het eerste neerwaartse correctiebesluit in het kader van een CAF-onderzoek), tot de datum van de dagtekening van de beslissing op bezwaar.
Rentevergoeding gemiste KOT
De Commissie heeft geconstateerd dat de rentevergoeding over gemiste KOT is berekend tot aan de datum van de compensatiebeschikking. In lijn met eerdere adviezen beveelt de Commissie UHT aan om de datum van de beslissing op bezwaar als einddatum te hanteren.
Aanvullende compensatie 1%
De Commissie adviseert UHT om de aanvullende vergoeding van 1% van het
subtotaal van het compensatiebedrag aan te passen.
Proceskostenvergoeding
Voor de kosten van de rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure heeft belanghebbende, nu de Commissie het bezwaar gedeeltelijk gegrond acht, recht op een forfaitaire vergoeding. De Commissie adviseert UHT derhalve om 1 procespunten (1 punt voor het bezwaarschrift) met een wegingsfactor 2 tegen het hoogste tarief toe te kennen.
Advies
Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie de UHT om in de beslissing op
bezwaar:
- het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren;
- de vergoeding voor immateriële schade te berekenen vanaf 8 september 2009, tot de datum van de dagtekening van de beslissing op bezwaar;
- de rente voor de gemiste kinderopvangtoeslag te berekenen tot de datum van de dagtekening van de beslissing op bezwaar; en
- de vergoeding van 1% over het totale compensatiebedrag aan te passen.
Voorts adviseert de Commissie om voor de proceskosten voor de onderhavige
bezwaarprocedure een vergoeding toe te kennen van 1 punt met een wegingsfactor 2,
tegen het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter