Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2021-03225

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 19 november 2021 met kenmerk UHT-DC-I A

Ontvangst bezwaarschrift: 20 december 2021

Hoorzitting: 22 november 2023 om 14.30 uur

Overdracht advies aan UHT: 20 maart 2024

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaarschrift gegrond te verklaren, alsnog compensatie toe te kennen voor de toeslagjaren 2013 tot en met 2015 en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door de toenmalige gemachtigde, namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen Definitieve beschikking afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) van 19 november 2021.

Met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna: Compensatieregeling) is aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2013 tot en met 2015.

Overgangsrecht

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moet de bestreden beschikking geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 29 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over de jaren 2013 tot en met 2015.
  • Bij brief van 30 april 2021 heeft UHT aan belanghebbende meegedeeld dat zij op grond van de eerste toets niet in aanmerking komt voor het bedrag van €30.000,-.
  • De toenmalige gemachtigde heeft bij brief van 8 juni 2021, ingekomen op 9 juni 2021, tegen de uitkomst van de eerste toets bezwaar gemaakt.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 10 november 2021 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de compensatieregeling en de hardheidscompensatie niet van toepassing zijn voor de jaren 2013 tot en met 2015 omdat geen recht op KOT bestond voor deze jaren.
  • Bij beschikking van 19 november 2021 is aan belanghebbende bericht dat zij geen recht heeft op compensatie KOT voor de jaren 2013 tot en met 2015.
  • De toenmalige gemachtigde heeft bij brief van 20 december 2021 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Op 24 december 2021 heeft de toenmalige gemachtigde het bezwaar tegen de beschikking eerste toets van 30 april 2021 ingetrokken.
  • Bij bericht van 22 september 2023 heeft de toenmalige gemachtigde meegedeeld dat gemachtigde de zaak heeft overgenomen.
  • Bij brief van 29 november 2022 heeft gemachtigde nadere gronden van bezwaar aangevoerd.
  • Op 23 december 2022 heeft UHT daarop schriftelijk gereageerd.
  • Op 22 november 2023 heeft ten behoeve van het bezwaarschrift van belanghebbende een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is verslag gemaakt. Dit verslag is achter het advies gevoegd.
  • Na de hoorzitting heeft UHT, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, bij e-mailbericht van 29 december 2023 nadere informatie verstrekt. Gemachtigde heeft daarop bij e-mailberichten van 15 februari en 7 maart 2024 gereageerd.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Feiten

Belanghebbende heeft voor haar eerste kind sinds 2009 en voor haar tweede kind sinds 2012 gebruik gemaakt van geregistreerde opvang. Als gevolg van een wetswijziging van het partnerbegrip per 1 januari 2013 verviel haar recht op KOT. Belanghebbende heeft over de periode 2012 - 2015 wel KOT ontvangen en gebruik gemaakt van geregistreerde opvang. Pas na afloop van deze toeslagjaren, in 2016 en 2017, is de KOT over de jaren 2012 – 2015 teruggevorderd. Voor toeslagjaar 2012 is dit gecorrigeerd en is alsnog KOT toegekend, maar voor 2013 - 2015 niet. Over de periode 2013 - 2015 staat vast dat sprake is van vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (B/T), thans Dienst Toeslagen.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Afwijzing compensatie over toeslagjaren 2013 tot en met 2015

Belanghebbende betoogt dat haar ten onrechte geen compensatie is toegekend over de toeslagjaren 2013 tot en met 2015. Zij stelt dat B/T wist dat haar echtgenoot nooit in Nederland heeft gewoond. Desondanks heeft zij voor de gehele periode vóór de nihilstellingen KOT ontvangen. Zij doet een beroep op het vertrouwensbeginsel; B/T heeft bij haar het vertrouwen gewekt dat zij recht had op KOT.

UHT stelt zich op het standpunt dat hoewel sprake is van vooringenomen handelen jegens belanghebbende voor de toeslagjaren 2013 tot en met 2015, belanghebbende evident geen recht heeft op KOT voor deze toeslagjaren omdat zij niet voldeed aan de wettelijke vereisten voor het ontvangen van KOT. Aan haar kan daarom geen compensatie worden toegekend. Een beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt volgens UHT niet omdat het recht op KOT per berekeningsjaar wordt toegekend en er daarnaast een wetswijziging heeft plaatsgevonden per 1 januari 2013.

De Commissie overweegt als volgt.

Niet in geschil is dat door een wetswijziging van het partnerbegrip vanaf 1 januari 2013 de (toenmalige) echtgenoot van belanghebbende als haar toeslagpartner werd aangemerkt. Daarvóór werd de duurzaam gescheiden levende echtgenoot niet als toeslagpartner aangemerkt. Omdat haar toeslagpartner in de toeslagjaren 2013 tot en met 2015 in Egypte woonde, had belanghebbende geen recht op KOT; alleen een belanghebbende met een partner woonachtig in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland heeft recht op KOT. Dat vloeit voort uit artikel 1.6 lid 3 van de (toenmalige) Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.

Dat belanghebbende gelet op de wetswijziging geen recht had op KOT, betekent naar het oordeel van de Commissie niet automatisch dat sprake is van de situatie van evident geen recht op KOT waar UHT op doelt en die valt onder artikel 2.1 lid 2 Wht.

Ingevolge artikel 2.1 lid 1 Wht kent de Dienst Toeslagen op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:

  1. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of
  2. de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.

Niet in geschil is dat B/T jegens belanghebbende vooringenomen heeft gehandeld over de toeslagjaren 2013 tot en met 2015. In beginsel komt zij daarom in aanmerking voor compensatie.

Ingevolge artikel 2.1 lid 2 Wht wordt de compensatie niet toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn.

De vraag die voorligt is of sprake van de situatie bedoeld in artikel 2.1 lid 2 Wht. De Commissie beantwoordt deze vraag ontkennend.

De Commissie overweegt daartoe in de eerste plaats dat de bewijslast voor deze situatie bij UHT ligt.

Hoewel de Commissie hier na de hoorzitting specifiek om heeft gevraagd is UHT in haar reactie niet ingegaan op de vraag in hoeverre in de zaak van belanghebbende sprake is van ernstige onregelmatigheden, en in hoeverre deze aan haar toerekenbaar zijn.

De Commissie heeft UHT verzocht bij de beantwoording van deze vragen specifiek te betrekken of in de wetsgeschiedenis onderscheid wordt gemaakt tussen een geringe en een ernstige onregelmatigheid, en daarbij aan te geven op welke gronden de situatie van belanghebbende als een ernstige onregelmatigheid kan worden gekwalificeerd. Ten aanzien van de toerekenbaarheid heeft de Commissie UHT verzocht nader te motiveren of het begrip ‘kwade trouw’ hierbij een rol speelt. (Vergelijk bijvoorbeeld Kamerstuk 31066, nr. 742 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen (officielebekendmakingen.nl))

Een reactie van UHT op deze vragen ontbreekt.

Bij deze stand van zaken is de Commissie met belanghebbende van oordeel dat UHT heeft nagelaten aan te tonen dat sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan belanghebbende toerekenbaar zijn.

De Commissie betrekt daarbij dat geen sprake is van een actieve handelwijze, een fout gemaakt door belanghebbende.

Voorafgaand aan de wetswijziging per 1 januari 2013 had belanghebbende immers wél recht op KOT en de KOT over 2013 tot en met 2015 is door B/T automatisch gecontinueerd. Pas in 2016 en 2017 is de KOT over deze toeslagjaren met terugwerkende kracht op nihil gesteld, waardoor belanghebbende werd geconfronteerd met een terugvordering van in totaal € 26.143,-. De Commissie is ervan doordrongen dat dit voor belanghebbende, haar relatie met haar (inmiddels) ex-echtgenoot en haar kinderen grote negatieve gevolgen heeft gehad.

Belanghebbende is voorts niet persoonlijk op de hoogte gebracht van de wijziging van het wettelijke partnerbegrip per 1 januari 2013 en de gevolgen voor haar situatie. De brief waarnaar UHT verwijst in productie 52 is gedateerd 29 december 2011 en ziet op de KOT 2012 in plaats van 2013. Hierin staat niet dat het partnerbegrip per 1 januari 2013 verandert. Enkel staat hierin dat er vanaf 1 januari (2012) een aantal veranderingen zijn die gevolgen kunnen hebben voor de toeslagen van belanghebbende. Dit zou ook betrekking kunnen hebben op het gewijzigd fiscaal partnerschap per 1 januari 2012 (productie 51).

De Commissie hecht dan ook geloof aan de verklaring van belanghebbende op de hoorzitting, dat zij niet op de hoogte was van de wetswijziging. Een ernstige onregelmatigheid die toerekenbaar is aan belanghebbende, veronderstelt een zekere mate van verwijtbaarheid van belanghebbende. Van toerekenbaarheid in die zin is echter bij belanghebbende geen sprake.

UHT gaat hieraan naar het oordeel van de Commissie voorbij met de stelling dat belanghebbende geacht wordt de wet te kennen en dat de wetswijziging eind 2012 is gecommuniceerd via diverse websites, radiospotjes en door advertenties in kranten. Het had voor de hand gelegen deze wetswijziging te communiceren met een toelichting bij het desbetreffende vakje. Dat is kennelijk gebeurd met ingang van 2016. De communicatieve misser om deze toelichting niet te geven in de jaren vóór 2016 dient voor rekening van UHT te komen.

Gelet op het voorgaande is naar de Commissie meent geen sprake van de situatie als bedoeld in artikel 2.1 lid 2 Wht, die aan toekenning van compensatie in de weg staat. De Commissie adviseert UHT daarom om alsnog over te gaan tot toekenning van compensatie aan belanghebbende over de toeslagjaren 2013 tot en met 2015.

Proceskostenvergoeding

Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie gegrond is, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie UHT om:

  • het bezwaarschrift gegrond te verklaren;
  • alsnog compensatie toe te kennen over de toeslagjaren 2013 tot en met 2015;
  • de proceskosten te vergoeden op basis van 2 procespunten met een wegingsfactor 2 en daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter