BAC 2021-03095
Publicatiedatum 23-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 2 augustus 2021 met kenmerk UHT-DC I A
Hoorzitting: 13 februari 2025 om 15:00 uur
Overdracht aan UHT: 17 april 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten.
Onderwerp van advies
Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de op
2 augustus 2021 door UHT genomen definitieve beschikking met kenmerk UHT-DC I A.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en
vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna:
Compensatieregeling) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2000 tot en met 2008.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 1 januari 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2000 tot en met 2008.
- Bij brief van 21 november 2020 heeft UHT aan belanghebbende € 750 toegekend omdat hij lang heeft moeten wachten op de beoordeling van zijn situatie.
- Bij beschikking van 7 april 2021 met kenmerk UHT heeft UHT aan
belanghebbende medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling en dat de herbeoordeling nog niet klaar is. - De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
van belanghebbende op 23 juli 2021 aan UHT toegestuurd. CvW heeft
geadviseerd dat gedurende de toeslagjaren 2000 tot en met 2005 de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) nog niet gold en compensatie op grond van die wet niet aan de orde was. Voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2008 geldt dat geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid. - Bij beschikking van 2 augustus 2021 met kenmerk UHT-DC-I A heeft UHT aan
belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de
toeslagjaren 2000 tot en met 2008. - Belanghebbende heeft bij brief van 16 september 2021, ingekomen op
22 september 2021, tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. - UHT heeft op 31 mei 2022 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 31 oktober 2024 zou de behandeling van het bezwaar op stukken hebben
plaatsgevonden, omdat belanghebbende op 4 oktober 2024 per e-mail aan de
Commissie heeft kenbaar gemaakt af te zien van zijn recht om gehoord te
worden. - Belanghebbende en zijn echtgenote hebben echter op 28 oktober 2024 telefonisch te kennen gegeven toch gebruik te willen maken van hun recht om gehoord te worden. In eerste instantie zou de hoorzitting plaatsvinden op 5 december 2024.
- Op 13 februari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is
een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd. - Ter zitting is UHT verzocht om documentatie te overleggen waaruit de terug-betaalde bedragen zouden moeten blijken. Belanghebbende is ook verzocht deze informatie te overleggen indien mogelijk. Op 11 maart 2025 heeft
belanghebbende gereageerd op dit verzoek. Op 14 maart 2025 heeft UHT
gereageerd.
- De Commissie, bestaande uit de voorzitter en 2 commissieleden, heeft het bezwaar van belanghebbende behandeld en het hierna volgende advies aan UHT opgesteld.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Recht op compensatie
Belanghebbende stelt dat B/T wel degelijk fouten heeft gemaakt waardoor hij in
financiële problemen is geraakt. Hij heeft een groot bedrag moeten terugbetalen
vanwege buitenschoolse opvang. Belanghebbende heeft geruime tijd onder het
minimumniveau moeten leven en daarvoor wenst hij een compensatie van minimaal € 15.000.
UHT stelt dat zij in geen enkel systeem van de Belastingdienst bewijs heeft aangetroffen dat wijst op een aanvraag van KOT door belanghebbende voor de toeslagjaren 2000 tot en met 2008.
Ter zitting is besproken dat UHT bij het Landelijk Incassocentrum (hierna: LIC)
overzichten met betrekking tot de KOT en eventuele andere toeslagen die verband
houden met de KOT zal opvragen vanwege de gestelde terugbetaalde bedragen.
Daarnaast is belanghebbende verzocht om bankafschriften op te vragen waaruit blijkt dat hij KOT heeft moeten terugbetalen in verband met buitenschoolse opvang. Uit de overgelegde informatie blijkt dat het niet mogelijk is voor belanghebbende om de bankafschriften te verkrijgen. Uit het LIC-overzicht dat UHT heeft overgelegd, blijkt dat belanghebbende geen KOT heeft uitbetaald gekregen over de toeslagjaren 2005 tot en met 2008. UHT licht daarbij toe dat de KOT ook niet verrekend kan zijn met andere toeslagen, omdat hiervan dan melding zou zijn gemaakt op dit overzicht.
De Commissie overweegt als volgt.
De Commissie stelt voorop dat zij het betreurt dat belanghebbende en zijn gezin last hebben van de gevolgen van terugbetalingen vanuit het verleden. Echter blijkt op geen enkele wijze uit het dossier en de aanvullende stukken en informatie dat belanghebbende in de toeslagjaren 2000 tot en met 2008 daadwerkelijk aanspraak heeft gehad op KOT.
Vanaf 2005 was het pas mogelijk om KOT aan te vragen. Daarom worden de voorgaande jaren buiten beschouwing gelaten. Daarnaast wordt ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht alleen een compensatie toegekend aan de aanvrager van KOT. Belanghebbende voldoet niet aan dit vereiste, omdat, voor zover is na te gaan, niet is gebleken dat hij KOT heeft aangevraagd over de toeslagjaren 2005 tot en met 2008. Daarom komt hij niet in aanmerking voor compensatie op grond van de herstelmaatregelen. De Commissie adviseert UHT om deze reden om het bezwaar van belanghebbende ongegrond te verklaren. De Commissie raadt UHT evenwel aan om (nogmaals) haar systemen met betrekking tot informatie over het kindgebonden budget en de zorgtoeslag te raadplegen, aangezien de terug-betalingen van belanghebbende hiermee te maken zouden kunnen hebben.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter