BAC 2021-02921
Publicatiedatum 14-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 5 november 2021 (UHT-DH5 A)
Hoorzitting: 16 maart 2026 om 11:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 28 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de toenmalige gemachtigde van belanghebbende, ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) geen compensatie toegekend voor de jaren 2006 tot en met 2016.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 10 februari 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2006 tot en met 2016.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 21 oktober 2011 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden besluit UHT-DCH5 A en UHT-DC I aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2006 tot en met 2016.
- De toenmalige gemachtigde heeft bij brief van 17 mei 2022 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 6 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 16 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Belanghebbende is daar verschenen met zijn nieuwe gemachtigde. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 9 april 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 24 april 2026 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Dossier
De Commissie is van opvatting dat aan belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt. Daarmee is voldaan is aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. UHT heeft schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de concrete stellingen van belanghebbende en UHT geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest voor het door UHT genomen besluit.
Zorgvuldigheidsbeginsel
Met de in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken, is (thans) geen sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit kan onbeantwoord blijven, nu één en ander, zoals hierna zal blijken, niet leidt tot het herroepen ervan. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2005
Belanghebbende heeft in bezwaar aangegeven dat ook toeslagjaar 2005 moet worden herbeoordeeld. De Commissie heeft UHT verzocht dit te doen en UHT heeft aan dit verzoek gevolg gegeven. De Commissie constateert dat de KOT op
17 januari 2005 is vastgesteld op € 7.139. Op 29 juli 2005 is de KOT verlaagd naar € 6.687. UHT heeft toegelicht dat deze neerwaartse bijstelling verband hield met een door belanghebbende ontvangen werkgeversbijdrage, zoals blijkt uit productie 70, onder vaststelling #1 en #2, pagina 6 tot en met 9 van het WKO-bestand.
Op 19 april 2007 is de KOT definitief vastgesteld op € 8.234. Uit het betaal- en verrekenoverzicht over 2005 volgt dat een bedrag van € 8.270 is uitbetaald. UHT heeft toegelicht dat het verschil tussen het definitief vastgestelde bedrag en het uitbetaalde bedrag niet kan worden verklaard en dat de brief over de werkgeversbijdrage niet aanwezig is in de systemen van B/T. Belanghebbende voert aan dat deze onduidelijkheden en de volgens belanghebbende innerlijk tegenstrijdige bevindingen erop wijzen dat jegens belanghebbende vooringenomen is gehandeld. De Commissie overweegt dat de enkele omstandigheid dat een verschil tussen het vastgestelde en het uitbetaalde bedrag niet kan worden verklaard, onvoldoende is om aan te nemen dat B/T vooringenomen heeft gehandeld temeer niet nu het uitbetaalde bedrag hoger is dan het vastgestelde bedrag. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat de brief over de werkgeversbijdrage niet meer beschikbaar is. Uit de beschikbare gegevens blijkt namelijk dat de neerwaartse bijstelling verband hield met een werkgeversbijdrage. Daarmee is sprake van een reguliere correctie op basis van voor de hoogte van de KOT relevante gegevens. De Commissie ziet in de door belanghebbende genoemde onduidelijkheden geen aanwijzing dat B/T zonder individuele beoordeling heeft gehandeld, bewijsstukken op een vooringenomen wijze heeft uitgevraagd, een zero-tolerancebenadering heeft toegepast of de aanspraak op KOT bij de minste of geringste onregelmatigheid heeft verminderd. De Commissie ziet daarom ook geen grond voor compensatie wegens vooringenomen handelen over toeslagjaar 2005. Ten aanzien van de toepassing van de hardheidsregeling geldt dat in beginsel sprake moet zijn van een terugvordering of verlaging van de KOT van € 1.500 of meer. Daarvan is over toeslagjaar 2005 geen sprake. De Commissie ziet daarom geen grond voor compensatie op grond van hardheid. Ten aanzien van O/GS overweegt de Commissie dat niet is gebleken dat over toeslagjaar 2005 sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie of een verzoek om een betalingsregeling is geweigerd. Daarom ziet de Commissie geen grond voor een O/GS-tegemoetkoming over toeslagjaar 2005. De Commissie adviseert UHT dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2006 tot en met 2016
Belanghebbende heeft in bezwaar aangevoerd dat UHT hem voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2016 ten onrechte geen compensatie heeft toegekend op grond van vooringenomen handelen, de hardheidsregeling of opzet/grove schuld (O/GS). Naar aanleiding hiervan heeft UHT de toeslagjaren 2006 tot en met 2016 (ambtshalve) beoordeeld. De Commissie ziet aanleiding om deze toeslagjaren gezamenlijk te behandelen.
Vooringenomen handelen
De Commissie constateert dat uit de beschikbare gegevens niet blijkt van partijdig of doelbewust onzorgvuldig handelen bij de vaststelling en herziening van de KOT in de betrokken toeslagjaren. Dat in enkele toeslagjaren correcties niet (volledig) verklaarbaar zijn, is op zichzelf onvoldoende om vooringenomenheid aan te nemen. Voor de overige toeslagjaren blijkt dat wijzigingen in de KOT samenhangen met verwerking van (gewijzigde) gegevens afkomstig van belanghebbende, de kinderopvanginstelling en/of met de vaststelling van het (gezamenlijk) toetsingsinkomen. Dit duidt op reguliere uitvoering van de wet- en regelgeving en niet op vooringenomen handelen.
Hardheidsregeling
De Commissie overweegt dat in de meeste toeslagjaren geen sprake is van een verlaging of terugvordering van de KOT van € 1.500 of meer, zodat niet wordt voldaan aan een voorwaarde voor toepassing van de hardheidsregeling.
Voor zover in 2008 en 2012 wel sprake was van een terugvordering boven deze grens, is niet aannemelijk geworden dat sprake is van een situatie die onder de hardheidsregeling valt, zoals een kleine formele tekortkoming, het slechts gedeeltelijk betalen van opvangkosten, gedupeerdheid door fraude door een derde of overige bijzondere omstandigheden.
O/GS
Ook is in de toeslagjaren 2005 tot en met 2016 geen sprake is geweest van een (onterechte) kwalificatie opzet/grove schuld, dan wel dat een persoonlijke betalingsregeling is geweigerd of medewerking aan een MSNP/WSNP is onthouden. Daarmee ontbreekt de basis voor compensatie op grond van O/GS. Gelet op het voorgaande ziet de Commissie geen aanleiding om te oordelen dat UHT ten onrechte heeft geweigerd compensatie toe te kennen over de genoemde toeslagjaren. De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beschikking UHT-DC-I A
De Commissie constateert dat UHT op 5 november 2021 een gelijkluidend besluit heeft genomen met kenmerk UHT-DC-I A en dat belanghebbende daartegen bezwaar heeft gemaakt. Voor zover op dat bezwaarschrift nog niet is beslist, geldt dit advies tevens voor dat bezwaarschrift.
Proceskosten
Nu de Commissie niet adviseert het bestreden besluit te herroepen, is er geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding aan belanghebbende toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter