Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2021-02846

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 25 oktober 2021 met kenmerk UHT-DC I

Ontvangst bezwaarschrift: 6 december 2021

Hoorzitting: 10 november 2023

Overdracht advies aan UHT: 21 maart 2023

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de bestreden beschikking te herroepen en een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift d.d. 6 december 2021, is gericht tegen de door UHT genomen beschikking ‘definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag’ van 25 oktober 2021 met kenmerk UHT-DC I.

Op 5 november 2022 is de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) in werking getreden (Stb. 2022, 433). Op grond van artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten beschikkingen die in het kader van de hersteloperatie toeslagen zijn gegeven vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wht, vanaf dat tijdstip geacht worden te zijn genomen op grond van afdeling 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 6 februari 2020 een verzoek om herbeoordeling gedaan van haar kinderopvangtoeslag.
  • Bij besluit van 30 april 2021 heeft UHT aan belanghebbende een bedrag van €30.000,- toegekend.
  • Bij beschikking van 25 oktober 2021 is aan belanghebbende een definitieve compensatie toegekend van € 53.727,- voor de jaren 2015 en 2016.
  • Tegen deze beschikking heeft gemachtigde bij brief van 6 december 2021 een bezwaarschrift ingediend.
  • Het bezwaarschrift is bij e-mailbericht van 21 september 2022 aangevuld.
  • UHT heeft op 28 augustus 2023 een schriftelijke reactie ingediend.
  • Op 10 november 2023 heeft de Commissie een hoorzitting gehouden in aanwezigheid van partijen. Het verslag van deze hoorzitting is gevoegd bij dit advies.
  • Bij email van 17 november 2023 heeft gemachtigde de bezwaren deels ingetrokken en deels nader toegelicht.
  • UHT heeft op 9 januari 2024 nader gereageerd.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Niet beoordeelde jaren

Belanghebbende meent dat het toeslagjaar 2012 ten onrechte door UHT niet is herbeoordeeld en dat het jaar 2014 alsnog beoordeeld moet worden. UHT heeft aangegeven dat voor beide jaren geen aanvraag kot in de systemen is terug te vinden. Wat daar ook van zij, de onderhavige bezwaarprocedure ziet alleen op de uitgevoerde herbeoordeling voor de jaren 2015 en 2016 en de Commissie kan geen advies uitbrengen over niet in die herbeoordeling betrokken jaren.

Omvang geschil en resterende geschilpunten

In de schriftelijke reactie van 28 augustus 2023 heeft UHT aangegeven dat fouten zijn gemaakt bij de berekening van de post rente en kosten over 2015 en bij de renteberekening over beide toeslagjaren. UHT acht het bezwaar gegrond en heeft aangekondigd deze fouten bij de beslissing op bezwaar te herstellen. Daarbij zal de einddatum van de periode waarover immateriële schade wordt vergoed bepaald worden op de datum van de beslissing op bezwaar en zal ook de vaste vergoeding van 1 % worden aangepast. De door belanghebbende op deze punten ontwikkelde bezwaren zijn dan ook gegrond. Ter zitting is door UHT een nadere toelichting gegeven op diverse (andere) onderdelen van de berekening. Bij email van 17 november 2023 heeft gemachtigde laten weten dat door UHT voldoende inzicht is gegeven in de elementen van de berekening. De bezwaargronden waar UHT niet aan tegemoet is gekomen zijn ingetrokken, met uitzondering van de bezwaargrond tegen de hoogte van de vergoeding van immateriële schade en het niet toekennen van rentevergoeding over de post rente en kosten. Over die bezwaargronden adviseert de Commissie als volgt.

Immateriële schade

Belanghebbende heeft – kortweg - aangevoerd dat de forfaitaire vergoeding van €500,- per half jaar niet dekkend is en dat deze vergoeding zowel ten aanzien van de maximering van dat bedrag als wat betreft de keuze om de vergoeding niet per toeslagjaar maar per onderzoek toe te kennen, de toets der kritiek niet kan doorstaan.

De Commissie stelt voorop dat de Wht, net als het destijds geldende Besluit Compensatieregeling, naast het forfaitaire compensatiestelsel, voorziet in een afzonderlijk traject voor aanvullende compensatie bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS), welk traject ruimte biedt voor maatwerk. De omstandigheid dat in het forfaitaire compensatiestelsel is voorzien in een begrenzing wat de hoogte betreft per tijdseenheid van de vergoeding van immateriële schade levert dan ook reeds hierom geen schending van het evenredigheidsbeginsel op. Ten aanzien van het betoog dat de compensatie niet per onderzoek maar per toeslagjaar dient te worden toegekend, overweegt de Commissie dat de compensatie van de immateriële schade zowel op grond van het destijds geldende Besluit Compensatieregeling als in het kader van de Wht niet wordt toegekend per individuele stopzetting per toeslagjaar, maar voor de totale periode tussen de initiële intrekking van de KOT en de afhandeling van de compensatie. In de Memorie van Toelichting bij de Wht wordt dit punt expliciet besproken: “Het bedrag voor immateriële schade wordt eenmaal per gedupeerde aanvrager toegekend, ongeacht of deze aanvrager over een of over meerdere berekeningsjaren is gedupeerd door institutionele vooringenomenheid of hardheid.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 74) Het is dus kennelijk niet de bedoeling van de wetgever geweest om, wanneer een belanghebbende in meerdere toeslagjaren gedupeerd is, meer dan het forfaitaire bedrag van € 500,- per half jaar aan immateriële schadevergoeding uit te keren.

Schending van het evenredigheidsbeginsel levert dit niet op. De bezwaargrond slaagt niet.

Rentevergoeding over post rente en kosten

Belanghebbende stelt dat de door haar betaalde rente en kosten destijds onverschuldigd betaald zijn en dat het om die reden niet redelijk is dat in het kader van de compensatie alleen de betaalde rente en kosten vergoed worden. Er zou ook over deze post rentevergoeding plaats moeten vinden. UHT heeft aangevoerd dat dit binnen het compensatiestelsel niet mogelijk is, omdat de wetgever hierin niet heeft voorzien. De Commissie sluit zich daarbij aan. Binnen het forfaitaire stelsel van de compensatieberekening is hiervoor geen vergoeding mogelijk. Belanghebbende kan bij CWS verzoeken om vergoeding van de door haar gestelde renteschade.

Proceskostenvergoeding

Nu zal worden geadviseerd de bestreden beschikking te herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • de bestreden beschikking te herroepen, voor toeslagjaren 2015 en 2016 de bedragen bij component M (rentevergoeding over gemiste KOT), component N (aanvullende vergoeding 1%) en component L (vergoeding immateriële schade) en voor toeslagjaar 2015 daarnaast component G (betaalde rente en kosten) aan te passen, een en ander op de door UHT in de schriftelijke reactie van 28 augustus 2023 aangegeven wijze;
  • een proceskostenvergoeding voor onderhavige procedure toe te kennen zoals hiervoor aangegeven;
  • de overige bezwaren ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter