BAC 2021-02507
Publicatiedatum 23-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 7 juli 2021 (UHT-DC-I A) en 27 augustus 2021 (UHT-DC-I)
Overdracht advies aan UHT: 26 februari 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende
bezwaarschrift is gericht tegen de hiervoor genoemde door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en
vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna:
Compensatieregeling) compensatie toegekend voor een bedrag van € 30.000 voor de jaren 2012 en 2013 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2009, 2010, 2011, 2014 en de maanden maart tot en met december van 2013.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 24 december 2019 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2013. Op 14 mei 2020 heeft belanghebbende verzocht de herbeoordeling uit te breiden naar de jaren 2010 tot en met 2014.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
van belanghebbende op 10 mei 2021 aan UHT toegestuurd. CvW heeft
geadviseerd dat de compensatieregeling voor het jaar 2012 en voor de maanden
januari en februari 2013 van toepassing is. Ten aanzien van de toeslagjaren 2009
tot en met 2011, de maanden maart tot en met december 2013 en het jaar 2014
heeft CvW geconcludeerd dat geen sprake is geweest van institutionele
vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. - UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk DC-I-A aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2011, de maanden maart tot en met december 2013 en het jaar 2014
- Gemachtigde heeft bij brief van 16 augustus 2021, ingekomen op 17 augustus
2021, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 6.621 welk bedrag op grond van de Catshuisregeling is aangevuld tot € 30.000.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DC-I aan
belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 30.000 voor de jaren 2012 en januari en februari 2013 (Catshuisregeling). - Gemachtigde heeft bij brief van 23 december 2021 het bezwaarschrift aangevuld
en daarbij ook bezwaargronden aangevoerd tegen de beschikking met kenmerk
UHT-DC-I. - UHT heeft op 4 september 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Nadat UHT haar schriftelijke reactie aan belanghebbende en de Commissie had
toegestuurd, heeft gemachtigde de Commissie laten weten dat belanghebbende
afziet van de mogelijkheid om ter zitting van de Commissie te worden gehoord en haar bezwaren nader toe te lichten. - Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Belanghebbende heeft zich vanwege de bejegening door de Belastingdienst / Toeslagen (hierna: B/T) genoodzaakt gezien om Nederland op 1 maart 2013 te verlaten en zich in Turkije te vestigen. Hierdoor, zo heeft belanghebbende gesteld in het bezwaarschrift, is de KOT niet vastgesteld op de bedragen waarop zij recht zou hebben gehad als zij in Nederland zou zijn gebleven. De Commissie begrijpt dat belanghebbende erover klaagt dat de KOT in de jaren voorafgaande aan haar vertrek uit Nederland te laag is vastgesteld en dat zij in de jaren daarna ten onrechte geen KOT meer heeft ontvangen.
Daarnaast heeft belanghebbende aangevoerd dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en dat de compensatievergoeding onvoldoende compensatie biedt voor de door haar geleden schade. De compensatie dekt de omstandigheid niet dat zij Nederland heeft moeten verlaten en geruime tijd in Turkije heeft moeten wonen en bij vertrek de inboedel en stoffering van haar woning in Nederland achter heeft moeten laten. Ook meent belanghebbende dat zij onvoldoende wordt gecompenseerd voor de fysieke klachten die zij als gevolg van de bejegening door B/T heeft ontwikkeld en waarvoor zij in Turkije medische zorg heeft ontvangen waarvoor zij niet verzekerd was. Verder heeft belanghebbende aangevoerd dat de uitkering die belanghebbende ontvangt sinds zij in Nederland is teruggekeerd te laag is vastgesteld. Het inkomen dat belanghebbende genoot voordat haar problemen met B/T begonnen, was hoger dan het inkomen dat zij sindsdien genoot. Belanghebbende heeft verzocht de wettelijke rente vast te stellen over de niet betaalde uitkering vanaf het moment dat de betaling had dienen plaats te vinden indien een rechtmatig besluit was genomen. Tot slot heeft zij verzocht om toekenning van een proceskosten-vergoeding.
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2011, de maanden maart tot en met december 2013 en het jaar 2014 af te wijzen.
KOT in verschillende jaren onjuist of niet vastgesteld.
De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen
handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet ziet op de herziening van definitieve KOT beschikkingen. Belanghebbende verzoekt in feite om een verhoging van de KOT zoals deze indertijd definitief is vastgesteld en het alsnog toekennen van KOT over jaren waarin deze niet is toegekend.
Een beoordeling van dit verzoek valt evenwel buiten de reikwijdte van de Wht. Hieruit volgt dat de Commissie over dit verzoek niet kan adviseren en dat bij de opstelling van de compensatieberekening van de destijds definitief vastgestelde KOT dient te worden uitgegaan, zoals UHT, naar zij onweersproken heeft gesteld, heeft gedaan. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Motiveringen van het bestreden besluit: compensatieberekening wordt herzien.
Belanghebbende heeft in zijn algemeenheid aangegeven dat de genomen besluiten onzorgvuldig tot stand zouden zijn gekomen. In haar nadere beschouwing heeft UHT nogmaals uiteen gezet hoe zij tot haar besluiten is gekomen. Daarbij is UHT tot de conclusie gekomen dat de compensatie-berekening, zoals die bij het besluit met kenmerk UHT DC-I is gevoegd, niet in stand kan blijven. UHT is, zo heeft zij gesteld, voornemens over de jaren 2012 en 2013 de hoogte van de toeslag die belanghebbende niet heeft gekregen of moest terugbetalen inclusief rente, de materiële schadevergoeding, de toeslagrente over gemiste KOT en de immateriële schadevergoeding te herzien en tevens de aanvullende vergoeding aan te passen. Belanghebbende heeft geen bezwaar gemaakt tegen de door UHT in dit verband genoemde (nieuwe) bedragen.
De Commissie kan UHT volgen in haar ingenomen standpunt de compensatieberekening en aanvullende vergoeding te herzien. Daarom adviseert de Commissie UHT om dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren.
Werkelijke schade
De Commissie overweegt dat de wetgever de keuze heeft gemaakt om in het kader van de integrale beoordeling te werken met een systeem van forfaitaire vergoedingen, zoals die in de Wht zijn vastgelegd. Deze bezwaarschriftprocedure heeft daarom alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Van belang hierbij is dat de Wht, naast het systeem van forfaitaire vergoedingen, voorziet in vergoeding van de daadwerkelijke (im)materiële schade via de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Wettelijke rente
Uit het voorgaande volgt dat in deze procedure niet kan worden geadviseerd over de vraag of, en zo ja hoeveel KOT aan belanghebbende in de betrokken toeslagjaren te weinig is toegekend. De Commissie kan derhalve evenmin adviseren over belanghebbende ter zake van te weinig toegekende KOT toekomende wettelijke rente. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu uit het voorgaande volgt dat de Commissie UHT adviseert het bezwaar deels gegrond te verklaren, adviseert de Commissie UHT eveneens om een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC-I gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- dit besluit gedeeltelijk te herroepen;
- met betrekking tot toeslagjaar 2012 en de maanden januari en februari 2013 een nieuwe compensatieberekening op te stellen overeenkomstig het gestelde in de beschouwing van 4 september 2024;
- de overige bezwaren tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC I en de bezwaren tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC I A ongegrond te verklaren en
- het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen op basis van
1 procespunt tegen het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter