BAC 2021-02465
Publicatiedatum 03-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 16 september 2021 (UHT-DC-I A), 25 januari 2022 (UHT-DC I), 14 maart 2022 (UHT-O OGS B)
Hoorzitting: 29 januari 2025
Overdracht advies aan UHT: 7 mei 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna: Compensatieregeling) compensatie toegekend voor een bedrag van € 14.906,- voor het jaar 2012 en de periode 21 maart tot en met 31 december 2013. Voor de periode 1 januari tot en met 20 maart 2013 en het jaar 2014 is aan belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming toegekend voor een bedrag van € 7.820,-.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 22 november 2019 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). De jaren 2012, 2013 en 2014 zijn betrokken in de herbeoordeling.
- UHT heeft bij beschikking van 1 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 28 juli 2021 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat belanghebbende gedurende de periodes 1 januari tot en met
- 10 juni 2012 en 21 maart tot en met 31 december 2013 en het gehele jaar 2014 evident geen recht had op KOT, en daarom voor die periode niet in aanmerking komt voor een compensatie op grond van hardheid of vooringenomen handelen.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DC-I A en de beschikking met kenmerk UHT-DH5 A, beide van 16 september 2021, aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor het jaar 2014.
- Gemachtigde heeft bij brief van 15 oktober 2021, ingekomen op 19 oktober 2021, tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC-I A een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DC I aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 14.906,-voor de jaren 2012 en 2013.
- Gemachtigde heeft bij brief van 25 januari 2022, ingekomen op 27 januari 2022, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-O OGS B aan belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming toegekend voor een bedrag van
- € 7.820,- voor de periode 1 januari 2013 tot en met 20 maart 2013 en het jaar 2014.
- Gemachtigde heeft bij brief van 4 april 2022, ingekomen op 5 april 2022, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft op 9 december 2022 een aanvullend bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 27 juni 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- Gemachtigde heeft op 19 december 2024 een aanvullend bezwaarschrift ingediend.
- Op 29 januari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 26 februari 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 21 maart 2025 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Niet herbeoordeelde jaren
Belanghebbende stelt dat onduidelijk is waarom de jaren 2015 en 2016 niet zijn meegenomen in de herbeoordeling en vraagt UHT om toelichting.
Uitgangspunt is dat een verzoek om herbeoordeling als hier aan de orde betrekking heeft op alle jaren voor 2020 waarin de aanvrager van compensatie kinderopvang heeft aangevraagd, althans waarin de Dienst Toeslagen een beschikking daarover heeft gegeven, tenzij de aanvrager het verzoek heeft beperkt. Of dat laatste aannemelijk is, moet blijken uit alle omstandigheden van het geval, in samenhang beoordeeld, zoals de aanwezigheid van telefoonnotities, vastgelegde gesprekken en andere schriftelijke stukken. Uit het invul- en beoordelingsformulier (productie 14) volgt dat het oorspronkelijke verzoek om herbeoordeling van belanghebbende van 22 november 2019 zag op toeslagjaren 2012 tot en met 2015 en dat de persoonlijk zaakbehandelaar het verzoek na telefonisch contact met belanghebbende op 9 juni 2021 heeft beperkt tot de jaren 2012 tot en met 2014. In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT nagelaten heeft de jaren 2015 en 2016 in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden de bestreden beschikking moet worden herroepen. Nu het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikkingen de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om deze extra jaren in haar advisering te betrekken.
De Commissie heeft kennisgenomen van de suggestie van UHT om een verzoek om herbeoordeling van de jaren 2015 en 2016 door te sturen naar de primaire afdeling. Belanghebbende heeft te kennen gegeven graag in te gaan op dat aanbod. De Commissie is ermee bekend dat deze werkwijze, in de opvatting van UHT, kennelijk geen beperking van rechtsmiddelen voor belanghebbende met zich meebrengt. De Commissie houdt daarom de onderhavige bezwaarprocedure niet aan.
Ontbrekende stukken
Belanghebbende stelt in de aanvulling op haar bezwaarschrift van 9 december 2022 dat het dossier dat zij ontvangen heeft onvolledig is. Er ontbreken talloze stukken, waaronder terugvorderingsbeschikkingen en besluiten ten aanzien van het verzoek om een persoonlijke betalingsregeling, aldus belanghebbende.
De Commissie stelt vast dat een groot deel van de door gemachtigde opgevraagde stukken in het dossier zijn opgenomen dat op 22 oktober 2024 aan gemachtigde is toegezonden. Dit dossier bevat een groot deel van de door gemachtigde opgevraagde stukken, waaronder de KOT-beschikkingen van de jaren 2012, 2013 en 2014, en de stukken met betrekking tot het verzoek om een persoonlijke betalingsregeling (producties 65, 66, 70 t/m 72 en 76). De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Voor zover belanghebbende verzoekt om de stukken die zien op de besluiten van andere toeslagen dan KOT, is de Commissie van opvatting dat deze geen betrekking hebben op de in dit bezwaar bestreden beschikkingen.
Compensatie voor de periode 21 maart 2013 tot en met 31 december 2014
De Commissie stelt vast dat niet in geschil is dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) in de jaren 2013 en 2014 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld jegens belanghebbende. In beginsel komt belanghebbende daarom in aanmerking voor compensatie over deze jaren. Toekenning van compensatie blijft echter, ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan sprake vanaf 21 maart 2013 tot en met december 2014, omdat vanaf toen niet aan de materiële eisen voor KOT werd voldaan. Belanghebbende was vanaf die datum namelijk gehuwd met een toeslagpartner die niet in Nederland, de EU, de EER, of Zwitserland verbleef.
Belanghebbende voert in de eerste plaats aan dat de stelling van UHT dat sprake was van ernstige onregelmatigheden die aan haar toerekenbaar zijn onjuist is. Zij stelt alle voorschriften rondom de inschrijving van het huwelijk te hebben gevolgd, zodat B/T van meet af aan op de hoogte kon zijn van het huwelijk.
De Commissie overweegt dat vaststaat dat belanghebbende en de heer K. op 21 maart 2013 gehuwd zijn (bijlage 1 bij het aanvullend bezwaarschrift van 19 december 2024). Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), in samenhang met artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt een echtgenoot als toeslagpartner aangemerkt. Daarnaast is niet in geschil dat de heer K. in de periode 21 maart 2013 tot en met december 2014 in Ghana verbleef.
Omdat belanghebbende een toeslagpartner had die niet in Nederland, een EU-lidstaat of Zwitserland woonde, voldeed zij niet aan de eis die tot 4 maart 2022 werd gesteld in artikel 1.6, lid 3, van de Wet Kinderopvang (Wko).
De Commissie acht daarmee juist dat UHT heeft geoordeeld dat in het geval van belanghebbende sprake was van evident geen recht op KOT, waardoor er geen recht is op compensatie zoals bedoeld in artikel 2.1 van de Wht.
Belanghebbende voert in de tweede plaats aan dat zij in aanmerking komt voor compensatie op grond van hardheid in de periode 21 maart 2013 tot en met 31 december 2014.
De Commissie stelt voorop dat in het geval van evident geen recht, in uitzonderlijke gevallen, zoals ook volgt uit het beleid van UHT, sprake kan zijn van hardheid, waardoor belanghebbende in aanmerking komt voor compensatie als bedoeld in artikel 2.1, lid 1 en onder b, van de Wht.1 De Commissie ziet in het geval van belanghebbende geen aanknopingspunten te adviseren dat belanghebbende in aanmerking komt voor een compensatie op grond van hardheid, en zal dat hieronder op basis van de in dit verband aangevoerde bezwaargronden nader toelichten.
- Late verwerking van gegevens door B/T
Belanghebbende voert aan dat B/T al op 21 maart 2013 op de hoogte had kunnen zijn van haar huwelijk en daarmee van het toeslagpartnerschap van haar echtgenoot. Het kan haar niet worden aangerekend dat B/T deze wijziging pas na 2014 heeft verwerkt. Doordat de gevolgen hiervan volledig op belanghebbende zijn afgewenteld is volgens haar sprake van een onbillijkheid van overwegende aard die voortvloeit uit de hardheid van de toepassing van de regelgeving.
De Commissie meent dat een late vaststelling van definitieve recht op KOT niet gezien kan worden als een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft tot toekenning van de hardheidscompensatie. Bijstelling van de KOT was en is inherent aan het systeem van de KOT waarbij voorschotten verstrekt worden en B/T de hoogte van de KOT-aanspraak binnen de termijnen zoals bepaald in artikel 19 tot en met 21a van de Awir kan wijzigen. In het geval van belanghebbende zijn de definitieve beschikkingen van toeslagjaren 2013 en 2014 afgegeven op respectievelijk 18 maart 2016 en 29 april 2016. Daarmee zijn geen wettelijke termijnen geschonden.
Daarbij merkt de Commissie op dat registratie van het huwelijk op zichzelf niet voldoende was voor het vaststellen van het recht op KOT van belanghebbende. Niet duidelijk is wanneer B/T ervan op de hoogte was of kon zijn dat de partner van belanghebbende in Ghana verbleef, waarmee het recht op KOT zou komen te vervallen. Op 27 december 2014 doet B/T voor het eerst uitvraag naar het inkomen of de doelgroeperstatus van de partner van belanghebbende, wat impliceert dat B/T toen nog niet uitging van de situatie dat de toeslagpartner buiten Nederland of de EU verbleef.
- Vergelijking met situatie waarin toeslagpartner gedetineerd was
Belanghebbende heeft voorts aangevoerd dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Zij verwijst daarbij naar een beschikking van een andere ouder, waarin door UHT een compensatie op grond van hardheid werd toegekend (bijlage 4 bij het aanvullend bezwaarschrift van 19 december 2024). In die zaak was aan de orde dat de toeslagpartner van de ouder niet voor de kinderen kon zorgen omdat hij niet in beeld was en later in detentie zat. Belanghebbende stelt dat haar toeslagpartner ook niet in staat was om voor hun gezamenlijke kind te zorgen, omdat hij in Ghana verbleef en geen verblijfsrecht had in Nederland.
De Commissie heeft kennisgenomen van het beleid dat UHT heeft opgesteld voor de situatie waarin een ouder geen recht op KOT heeft omdat die ouder of diens toeslagpartner als gevolg van een vrijheidsbeperkende maatregel niet aan het werk- of doelgroepervereiste voldoet. In het geval dat de aanvrager van compensatie aan de andere voorwaarden voor KOT voldeed en de veroordeling voor minimaal drie maanden was, kent UHT de hardheidscompensatie toe.2 De Commissie neemt daarom aan dat in het door belanghebbende aangehaalde geval aan deze voorwaarden is voldaan.
Voor een geslaagd beroep op voormeld beleid dient belanghebbende aannemelijk te maken dat de feiten en omstandigheden van haar geval vergelijkbaar zijn met de door dat beleid bestreken gevallen. De Commissie is van oordeel dat de situatie van een partner woonachtig buiten de EU of Zwitserland zowel feitelijk als rechtens niet vergelijkbaar is met die van een partner in detentie (zie ook hierna onder Wijziging Wet Kinderopvang). Gelet daarop kan het beroep op meergemeld beleid niet slagen.
- Wijziging Wet Kinderopvang (Wko) van 11 december 2024
Belanghebbende heeft gewezen op de wijziging van de Wko van 11 december 2024 en aangevoerd dat de wetgever heeft ingezien dat de situatie van belanghebbende niet had mogen leiden tot uitsluiting van KOT. Uit de aanvullende reactie van UHT van 26 februari 2015 begrijpt de Commissie dat UHT in deze wetswijziging geen aanleiding ziet tot wijziging van haar hardheidsbeleid.
De Commissie overweegt dat de wetgever in het verleden de bewuste keuze heeft gemaakt om het recht op KOT uit te sluiten voor een aanvrager met een echtgenoot buiten de EU of Zwitserland. De achtergrond hiervan is dat de KOT aanvankelijk bedoeld is als faciliteit om ouders met kinderen te laten deelnemen aan de Nederlandse arbeidsmarkt. Dat werd tot uitdrukking gebracht in de eis dat zowel een aanvrager als diens eventuele toeslagpartner werkzaam moet zijn in Nederland. Dat vereiste bleek in strijd met het Europese recht, waarna de kring van KOT-gerechtigden werd uitgebreid met aanvragers waarvan de toeslagpartners in een andere lidstaat van de EU of Zwitserland werken. Door de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State (hierna: de Afdeling) is geoordeeld dat het hieruit voortvloeiende verschil in behandeling tussen aanvragers met een partner binnen de EU of Zwitserland en aanvragers met een partner buiten de EU of Zwitserland toegestaan is (uitspraken van 20 september 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2540), 10 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3296) en 13 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:435)).
De Commissie heeft voorts goede nota genomen van het feit dat artikel 1.6 lid 3 van de Wko bij wet van 11 december 2024 (geldend met terugwerkende kracht vanaf 4 maart 2022) gewijzigd is. Uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2022/23, 36241, nr. 3) volgt dat het primaire doel van de wijziging is om de aanspraak op KOT mogelijk te maken voor Oekraïense ontheemden. Daartoe is uitsluiting van de aanspraak op KOT voor aanvragers met een partner buiten de EU, EER of Zwitserland opgeheven. Op die manier maakt de wetswijziging aanspraak op KOT mogelijk voor een grotere groep dan alleen Oekraïense ontheemden, zoals inburgeraars met nareizende partner en aanvragers waarvan de partner buiten de EU woont vanwege arbeidsverplichtingen, zoals expats.
De Commissie onderkent dat sprake is van een gewijzigd inzicht van de wetgever, maar meent dat de wijziging, gegeven de daarop gegeven toelichting, niet van dien aard is dat die ook in aanmerking moet worden genomen in gevallen die zich voordeden voordat zij in werking trad.
De Commissie wijst er nog op dat onder de huidige wet de in het buitenland verblijvende toeslagpartner moet voldoen aan de overige voorwaarden in de Wko. Het gaat dan bijvoorbeeld om de eis dat de partner werkt of een uitkering ontvangt. In het geval van belanghebbende wordt aan die voorwaarden niet voldaan aangezien zij heeft verklaard dat de heer K. in Ghana niet heeft gewerkt. Of belanghebbende onder de huidige wetgeving wel aanspraak zou hebben gehad op KOT, gegeven haar omstandigheden in de periode 21 maart 2013 tot en met 31 december 2014, kan daarom met de informatie in dit bezwaardossier niet worden vastgesteld.
- Beroep op het evenredigheidsbeginsel
Belanghebbende heeft tot slot aangevoerd dat B/T in haar situatie onevenredig gehandeld heeft in verhouding tot de met de terugvordering te dienen doelen. Zij stelt dat zij in de periode dat haar echtgenoot in Ghana verbleef niet kon terugvallen op een partner bij de zorg voor haar kind en dat zij genoodzaakt was te werken om in het levensonderhoud te voorzien. De Commissie interpreteert deze bezwaargrond als een beroep op het evenredigheidsbeginsel.
De Commissie overweegt in de eerste plaats dat artikel 1.6 lid 3 Wko, als dwingend geformuleerde bepaling van een wet in formele zin, niet aan art. 3:4 lid 2 Awb (dat het evenredigheidsbeginsel codificeert) kan worden getoetst. De Commissie verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en ECLI:NL:RVS:2023:852. Wel kan, indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever bij het treffen van de toe te passen regeling, aanleidingbestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Ten eerste kunnen die omstandigheden volgens de Afdeling gelegen zijn in het handelen van het bestuursorgaan bij de uitvoering of de toepassing van de wettelijke bepaling. In de tweede plaats kan het gaan om gevolgen van de toepassing van de wettelijke regeling die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien.
De Commissie heeft oog voor de situatie van belanghebbende en begrijpt dat zij door de terugvorderingen in financiële problemen is geraakt. Mede gelet op wat hiervoor is overwogen met betrekking tot de Wko en de wijziging daarvan, komt de Commissie echter niet tot het oordeel dat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Aangenomen moet immers worden dat de wetgever heeft onderkend dat de situatie waarin belanghebbende verkeert zich kan voordoen en de gevolgen die de voorgenomen wettelijke regeling in die situatie zou hebben, heeft aanvaard.
O/GS-tegemoetkoming
De Commissie wijst er tot slot op dat door UHT is erkend dat belanghebbende door een onterechte O/GS-kwalificatie geen persoonlijke betalingsregeling heeft gekregen voor de terugvorderingen van de jaren 2013 en 2014. Daarom is aan belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6 van de Wht toegekend.
In dit verband adviseert de Commissie UHT om de O/GS-tegemoetkoming nader te motiveren en zo nodig te herzien. Waar uit het beoordelingsformulier volgt dat belanghebbende recht heeft op de O/GS-tegemoetkoming in de periode 21 maart 2013 tot en met 31 december 2013, wordt deze tegemoetkoming in de beschikking van 14 maart 2022 (UHT-O OGS B) toegekend over de periode 1 januari 2013 tot en met 20 maart 2013. Voor die laatste periode is aan belanghebbende echter compensatie toegekend op grond van vooringenomen handelen, bij beschikking van 25 januari 2022 (UHT-DC I).
Ambtshalve herziening compensatieberekening
UHT heeft geconstateerd dat aan de grondslag voor de compensatie van toeslagjaar 2013 (component c) een door belanghebbende betaalde heffingsrente van € 973,- moet worden toegevoegd. Wijziging van deze grondslag leidt tevens tot verhoging van de vergoeding voor materiële schade (component f).
Daarnaast heeft UHT vastgesteld dat rente over gemiste KOT ten onrechte niet is berekend tot aan de datum van de primaire beschikking, te weten 25 januari 2022. In productie 83 is de gecorrigeerde renteberekening van toeslagjaar 2012 inzichtelijk gemaakt. Ten aanzien van de rente voor toeslagjaar 2013 heeft UHT te kennen gegeven dat zij wegens de gewijzigde grondslag, zoals hierboven besproken, de rente zal berekenen tot aan de beslissing op bezwaar.
Omdat UHT het bezwaar gelet op het voorgaande gedeeltelijk gegrond acht, heeft zij te kennen gegeven dat zij bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade als einddatum zal hanteren de datum van de beslissing op bezwaar. Bovendien zal UHT de 1% aanvullende vergoeding aanpassen in de beslissing op bezwaar.
De Commissie neemt met instemming kennis van de voorgestelde correcties en acht het bezwaar op dit onderdeel gegrond.
O/GS-tegemoetkoming 2012
Belanghebbende heeft aangevoerd dat onduidelijk is waarom zij voor het jaar 2012 geen O/GS-tegemoetkoming heeft ontvangen.
Volgens UHT was met betrekking tot de terugvordering over het jaar 2012 geen sprake van het afwijzen van een persoonlijke betalingsregeling wegens een O/GS-kwalificatie. B/T heeft juist uitstel van betaling verleend, zoals volgt uit de beslissing van 22 juni 2016 (productie 65), aldus UHT.
De Commissie overweegt dat niet is gebleken van een O/GS-kwalificatie of het weigeren van een persoonlijke betalingsregeling ten aanzien van de KOT-terugvordering over het jaar 2012. Belanghebbende komt daarom niet in aanmerking voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6 van de Wht.
HZK-regeling
Belanghebbende stelt dat zij ook in aanmerking komt voor een O/GS-tegemoetkoming voor terugvorderingen van de huurtoeslag, de zorgtoeslag en het kindgebonden budget. De Commissie kan in deze bezwaarprocedure alleen adviseren over beslissingen met betrekking tot de KOT. De uitvoering van het herstel voor gedupeerde aanvragers van huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget (HZK, artikel 2.16 van de Wht) wordt op dit moment nog opgestart. Ouders die in aanmerking komen voor compensatie zullen ambtshalve bericht ontvangen. Meer informatie is te vinden op: herstel.toeslagen.nl/herstelregelingen/hzk-regeling/.
Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit met kenmerk UHT-DC I (de toegewezen compensatie voor de jaren 2012 en 2013) naar de mening van de Commissie moet worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar:
- gedeeltelijk gegrond te verklaren en de compensatieberekening aan te passen op de volgende onderdelen:
- ‘bedrag dat u eerder moest terugbetalen of niet hebt gekregen’;
- vergoeding materiële schade
- rentevergoeding over gemiste KOT;
- vergoeding voor immateriële schade;
- 1% aanvullende vergoeding;
- De O/GS-tegemoetkoming opnieuw te beoordelen en indien nodig te herzien;
- het bezwaar op de overige onderdelen ongegrond te verklaren;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter