BAC 2021-02462
Publicatiedatum 11-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 2 september 2021 met kenmerk UHT-DC I
Hoorzitting: 14 maart 2024
Overdracht advies aan UHT: 2 september 2024
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar in de onderhavige zaak (deels) gegrond te verklaren, het bestreden besluit te herroepen, de compensatie opnieuw te berekenen en alle ingevolge de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) daarmee samenhangende vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift van 5 augustus 2021, ontvangen op 9 augustus 2021, wordt geacht te zijn gericht tegen de door UHT genomen beschikking van 2 september 2021 met kenmerk UHT-DC I.
Met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna: Compensatieregeling) is in de voornoemde beschikking aan belanghebbende over de toeslagjaren 2008 tot en met 2013 een definitief compensatiebedrag van € 227.819 toegekend.
Overgangsrecht
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in artikelen 8.6 en 9.2 Wht moet de bestreden beschikking geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 6 februari 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- Aan belanghebbende is op 21 november 2020 een noodvoorziening toegekend tot een bedrag van € 750.
- Bij brief van 15 februari 2021 (met kenmerk UHT-B DMB2) is aan belanghebbende medegedeeld dat zij op basis van de eerste toets in aanmerking kwam voor de Catshuisregeling en dat € 30.000 aan haar zou worden uitgekeerd, alsmede dat de herbeoordeling nog niet klaar was.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 28 april 2021 aan UHT toegestuurd. CvW heeft geoordeeld dat voor de toeslagjaren 2007, 2008, 2009, 2012, 2013, 2015 en 2016 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid en dat voor de toeslagjaren 2007, 2015 en 2016 geen sprake is van hardheid.
- Bij beschikking van 12 juli 2021 (met kenmerk UHT-VC I) is aan belanghebbende kenbaar gemaakt dat de voorlopige compensatie € 225.756 bedraagt. Omdat belanghebbende al een bedrag van € 30.000 had ontvangen, is dit bedrag aangevuld met € 195.756.
- Gemachtigde heeft bij brief van 5 augustus 2021, ontvangen op 9 augustus 2021, bezwaar gemaakt tegen deze beschikking. Op 16 september 2021 heeft UHT een ontvangstbevestiging gestuurd.
- Bij beschikking van 2 september 2021 (met kenmerk UHT-DC I) is aan belanghebbende medegedeeld dat de definitieve compensatie € 227.819 bedraagt.
- Op 6 januari 2022 heeft gemachtigde UHT in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar.
- Op 7 oktober 2022 heeft gemachtigde aanvullende gronden ingediend.
- Per brief van 30 mei 2022 heeft UHT de ontvangst van de ingebrekestelling bevestigd en aan belanghebbende laten weten dat zij recht heeft op een dwangsom van € 1.442.
- Op 14 februari 2023 heeft UHT schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift van belanghebbende.
- Op 14 maart 2024 heeft de Commissie een hoorzitting gehouden in aanwezigheid van partijen. Een verslag hiervan is achter dit advies gevoegd.
- De Commissie, bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid, heeft de bezwaren behandeld en dit advies uitgebracht.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Niet ingevorderde KOT over de toeslagjaren 2009 en 2010
Belanghebbende stelt dat in de berekening definitieve beslissing compensatiebedrag kinderopvangtoeslag te zien is dat bedragen van respectievelijk € 33.821 en € 24.303 in mindering zijn gebracht op het compensatiebedrag vanwege niet terugbetaalde KOT in toeslagjaren 2009 en 2010. Belanghebbende stelt deze bedragen nooit te hebben ontvangen.
De Commissie overweegt dat ingevolge artikel 2.3, lid 1, onder a, van de Wht de compensatie bestaat uit een bedrag dat als gevolg van een beschikking niet is toegekend of is teruggevorderd, vermeerderd met het bedrag van de rente die is begrepen in een beschikking tot terugvordering en verminderd, maar niet verder dan tot nihil, met een nog niet betaald bedrag van de terugvordering en van de rente of een alsnog toegekende KOT of een verhoging daarvan met betrekking tot het berekeningsjaar waarop de compensatie betrekking heeft. De wetgever gaat er - gelet op de tekst, strekking en het systeem van de Wht - kennelijk vanuit dat slechts een compensatie wordt toegekend voor teruggevorderde KOT indien en voor zover die teruggevorderde KOT door belanghebbende is betaald of ten laste van haar of hem is verrekend. Deze vermindering in de Wht is kennelijk gebaseerd op het uitgangspunt dat een belanghebbende die de KOT niet volledig heeft terugbetaald materieel minder schade heeft geleden dan een belanghebbende die de toeslag wel volledig heeft terugbetaald. De Commissie komt op basis van het voorgaande tot de conclusie dat de Wht geen ruimte biedt om de compensatieberekening op dit onderdeel bij te stellen en adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Rentevergoeding gemiste KOT
Belanghebbende stelt dat zij uit het dossier niet kan afleiden hoe het toegekende bedrag aan de vergoeding voor de gemiste rente over de KOT (component m) tot stand is gekomen. Tijdens de hoorzitting heeft UHT aangevoerd dat de rentevergoeding over de gemiste KOT verkeerd is berekend. De rentevergoeding is namelijk berekend tot en met 1 september 2021, terwijl dat 2 september 2021 had moeten zijn. De Commissie volgt UHT in haar standpunt dat het bezwaar op dit punt gegrond is en adviseert het bedrag van component m aan te passen in de beslissing op bezwaar.
Vergoeding van immateriële schade
Belanghebbende stelt dat zij uit het dossier niet kan afleiden hoe de toegekende vergoeding van immateriële schade tot stand is gekomen. De Commissie overweegt dat de vergoeding van immateriële schade ingevolge het bepaalde in artikel 2.3 lid 4 Wht dient te worden berekend over de periode vanaf de dagtekening van de eerste neerwaartse correctiebeschikking tot aan de dagtekening van de definitieve compensatiebeschikking.
UHT heeft in haar schriftelijke reactie verklaard dat de vergoeding van immateriële schade is berekend vanaf de datum van de harde stop, 13 december 2011, tot en met de datum van de definitieve compensatiebeschikking, 1 september 2021. Ter zitting heeft de behandelend ambtenaar verklaard dat die vergoeding had moeten worden berekend tot en met 2 september 2021. Dit leidt niet tot het resultaat dat een hogere vergoeding van immateriële schade moet worden toegekend, nu het aantal halve jaren waarover de vergoeding wordt berekend niet wijzigt. Echter, omdat het bezwaar (deels) gegrond is gelet op de onjuiste berekening van de rentevergoeding over de gemiste KOT, zal de vergoeding van immateriële schade moeten doorlopen tot en met de datum van de beslissing op bezwaar. De Commissie adviseert UHT dit overeenkomstig het bovenstaande verder in de beslissing op bezwaar uit te werken.
1 procent vergoeding
De Commissie constateert dat de (gedeeltelijke) gegrondbevinding van het bezwaar ook behoort te leiden tot aanpassing van de aanvullende vaste vergoeding van 1 procent. De Commissie adviseert UHT dit mee te nemen in de aangepaste compensatieberekening.
Werkelijke schade
Belanghebbende stelt dat Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) in de wetenschap was dat de KOT aan het gastouderbureau was uitbetaald en als fraudeur was aangemerkt, jarenlang achter haar en haar echtgenoot heeft aangezeten teneinde bedragen terug te vorderen die zij nooit had ontvangen. Dit heeft haar gezin enorm beschadigd. De Commissie merkt op dat, indien en voor zover belanghebbende heeft betoogd dat zij door het vooringenomen handelen van B/T meer schade heeft geleden dan het bedrag aan compensatie over de toeslagjaren 2008 tot en met 2013 heeft ontvangen, de Wht in beginsel aan gedupeerde ouders alleen een forfaitaire compensatie toekent. Een belanghebbende, die meer schade heeft geleden dan forfaitair wordt gecompenseerd, kan uit hoofde van artikel 2.1 lid 3 Wht een verzoek indienen om vergoeding van die meerdere (werkelijke) schade. Een dergelijk verzoek wordt door UHT voor advies voorgelegd aan de Commissie Werkelijke Schade.
Herbeoordeling kinderopvangtoeslagjaar 2014
Belanghebbende stelt dat ten aanzien van het toeslagjaar 2014 ten onrechte niets in dit dossier is overwogen. Zij verzoekt om een herbeoordeling over dit toeslagjaar.
Het bezwaarschrift van belanghebbende is gericht tegen de hoogte van de compensatie voor de toeslagjaren 2008, 2009, 2010, 2011, 2012 en 2013. Voor zover belanghebbende een herbeoordeling over het toeslagjaar 2014 wenst, kan zij daartoe een verzoek indienen bij UHT. Omdat het toeslagjaar 2014 geen onderwerp is van deze bezwaarprocedure laat de Commissie dit toeslagjaar 2014 buiten beschouwing.
Kinderopvangtoeslagjaren 2015 en 2016
Belanghebbende stelt dat zij over de jaren na het toeslagjaar 2013 ten onrechte geen compensatie heeft ontvangen. Voor de toeslagjaren 2015 en 2016 had zij destijds contact met B/T over KOT, maar deze werd niet toegekend omdat zij op een fraudelijst stond. Van een beschikking was geen sprake. Volgens belanghebbende is het onredelijk dat compensatie ingevolge het bepaalde in artikel 49 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) alleen mogelijk is als er een schriftelijke beschikking is afgegeven. Zij meent dat artikel 49b Awir een beschikking niet als vereiste stelt en compensatie biedt bij institutioneel vooringenomen handelen, er uit bestaande, zoals in haar geval, dat betrokkene op de fraudelijst is geplaatst en dat aanvragen zijn genegeerd. Het gevolg was dat belanghebbende niet fulltime kon werken, maar de kinderopvang wel zelf moest betalen.
UHT heeft in haar schriftelijk verweer erkent dat op zichzelf het afwijzen van het telefonische verzoek van belanghebbende om in aanmerking te komen voor KOT, vanwege het feit dat zij op een fraudelijst stond, een vooringenomen handeling zou kunnen zijn. UHT verwijst echter naar artikel 2.1 lid 1 Wht en stelt dat KOT moet zijn aangevraagd om aanspraak te kunnen maken op compensatie. Volgens UHT is geen sprake van een daadwerkelijk in behandeling genomen aanvraag voor de toeslagjaren 2015 en 2016, waardoor belanghebbende niet in aanmerking komt voor enige compensatie en ook geen aanspraak kan maken op de hardheidsregeling.
De Commissie volgt UHT in het uitgangspunt dat KOT dient te zijn aangevraagd om aanspraak te kunnen maken op compensatie. Echter, de Commissie constateert dat in dit geval een causaal verband bestaat tussen het afzien van het doen van een formele aanvraag en het vooringenomen handelen door B/T. Immers, belanghebbende heeft juist als gevolg van de telefonische afwijzing van een verzoek om KOT door B/T (omdat belanghebbende op de fraudelijst stond), afgezien van het doen van een formele aanvraag. In die zin staat het vooringenomen handelen door B/T zelf in de weg aan het voldoen aan het wettelijke vereiste van de aanvraag van KOT. Er is immers een causaal verband tussen de (vooringenomen) telefonische afwijzing van een verzoek om KOT en het ontbreken van een aanvraag KOT in de daaropvolgende periode.
Op grond van de overlegde dossierstukken staat niet vast dat belanghebbende daadwerkelijk geen KOT heeft aangevraagd over de toeslagjaren 2015 en 2016. Bovendien blijkt uit het invul- en beoordelingsformulier van de persoonlijk zaakbehandelaar dat de aanvragen voor KOT in de toeslagjaren 2015 en 2016 door B/T zijn afgewezen. Dit houdt in dat wel degelijk KOT kan zijn aangevraagd voor deze toeslagjaren. Het niet in behandeling nemen van deze aanvraag omdat belanghebbende op de fraudelijst stond, terwijl al bekend was dat dit onterecht was, is aan te merken als een vooringenomen handeling van B/T.
Voorwaarde voor toekenning van compensatie is wel dat belanghebbende in de betreffende toeslagjaren voldeed aan de voorwaarden om voor KOT in aanmerking te komen. Van belang is dat belanghebbende flexibele opvang afnam bij twee geregistreerde kinderopvanginstellingen en de kinderopvang zelf uit eigen middelen betaalde. UHT heeft ter zitting verklaard dat belanghebbende voor de toeslagjaren 2015 en 2016 aan de voorwaarden voldeed om in aanmerking te komen voor KOT. Gelet hierop adviseert de Commissie tot gegrondverklaring van het bezwaar op dit onderdeel. Zij adviseert UHT alsnog compensatie toe te kennen voor de toeslagjaren 2015 en 2016.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie in de gronden van het bezwaar aanleiding heeft gezien te adviseren de bestreden beschikking te herroepen, adviseert zij UHT tot toewijzing van het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding.
Conclusie
Samenvattend adviseert de Commissie UHT om het bezwaar tegen het besluit met kenmerk UHT-DC I deels gegrond te verklaren en dat besluit te herroepen, de compensatie opnieuw te berekenen en alle, ingevolge de Wht daarmee samenhangende vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies. Tot slot adviseert de Commissie een proceskostenvergoeding toe te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter