Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2021-02104

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: van 28 juli 2021 met kenmerk UHT-DC-I A en van 6 oktober 2021 met kenmerk UHT-DC I

Ontvangst bezwaarschrift: op 1 september 2021 tegen UHT-DC-I A en op
10 november 2021 tegen UHT-DC I

Hoorzitting: 15 februari 2024

Overdracht advies aan UHT: 21 maart 2024

Samenvatting

De bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT het bezwaar tegen de beschikking van 28 juli 2021 met kenmerk UHT-DC-I A ongegrond te verklaren. Daarnaast adviseert de Commissie om het bezwaar tegen de beschikking van 6 oktober 2021 met kenmerk UHT-DC I (gedeeltelijk) gegrond te verklaren, het bestreden besluit op onderdelen te herroepen en alle, ingevolge de Wht daarmee samenhangende vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies. Tot slot adviseert de Commissie het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding van de proceskosten toe te wijzen wat betreft het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC I.

Onderwerp van advies

De door de belanghebbende en de gemachtigde ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen beschikkingen van 28 juli 2021 (met kenmerk UHT-DC-I A) en 6 oktober 2021 (met kenmerk UHT-DC I).

Met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 van 28 augustus 2020
(Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna: Compensatieregeling) is bij beschikking van 28 juli 2021 (met kenmerk UHT-DC-I A) aan belanghebbende kenbaar gemaakt dat zij geen recht heeft op compensatie over de toeslagjaren 2013 en 2017 tot en met 2019. Bij beschikking van 6 oktober 2021 (met kenmerk UHT-DC I) is aan belanghebbende een definitief compensatiebedrag van € 42.402 toegekend over de toeslagjaren 2007, 2009 en 2014 tot en met 2016.
De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft over die periode namelijk fouten gemaakt bij de beoordeling van de situatie van belanghebbende.

Overgangsrecht
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 8 juli 2021 aan UHT toegestuurd. CvW heeft – kort samengevat – geoordeeld dat UHT terecht tot de voorlopige conclusie is gekomen dat belanghebbende over de toeslagjaren 2013 en 2017 tot en met 2019 niet in aanmerking komt voor compensatie wegens vooringenomen handelen of hardheid van B/T.
  • Bij brief van 28 juli 2021 heeft UHT aan belanghebbende de “Vooraankondiging compensatie kinderopvangtoeslag” (met kenmerk UHT-VC I) toegezonden, waarin belanghebbende een voorlopig compensatiebedrag is toegekend van
    € 42.135 over de toeslagjaren 2007, 2009, 2014, 2015 en 2016.
  • Bij beschikking van 28 juli 2021 (met kenmerk UHT-DC-I A) is aan belanghebbende kenbaar gemaakt dat zij over de toeslagjaren 2013, 2017, 2018 en 2019 niet in aanmerking komt voor compensatie.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 30 augustus 2021, ontvangen door UHT op 1 september 2021, pro forma bezwaar aangetekend tegen de vooraankondiging met kenmerk UHT-VC I en tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC-I A. Genoemde vooraankondiging komt in deze procedure niet nader aan de orde, omdat er inmiddels een definitieve compensatiebeschikking is (met kenmerk UHT-DC I).
  • Bij beschikking van 6 oktober 2021 (met kenmerk UHT-DC I) is aan belanghebbende het definitieve compensatiebedrag van € 42.402 toegekend over de toeslagjaren 2007, 2009, 2014, 2015 en 2016.
  • Bij brief van 10 november 2021 heeft gemachtigde namens belanghebbende bezwaar ingediend tegen de beschikking van UHT van 6 oktober 2021 (met kenmerk UHT-DC I). De aanvullende gronden heeft gemachtigde bij e-mails van 15 februari 2022, 2 en 10 november 2022 en bij brief van 8 februari 2024 ingebracht.
  • Op 30 maart 2022 heeft gemachtigde een verzoek tot vaststelling van de werkelijke schade die belanghebbende heeft geleden ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS).
  • UHT heeft op 20 juli 2022 een schriftelijke reactie ingediend op de bezwaren van belanghebbende.
  • Op 15 februari 2024 heeft de Commissie de bezwaren behandeld op een hoorzitting in aanwezigheid van partijen. Een verslag hiervan is achter dit advies gevoegd.
  • Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft UHT op 20 februari 2024 aanvullende informatie ingediend, waarop gemachtigde bij e-mail van 6 maart 2024 heeft gereageerd.
  • De Commissie, bestaande uit de voorzitter) en 2 commissieleden, heeft het bezwaar behandeld en het hierna volgende advies uitgebracht.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat de bezwaren ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Omvang van de procedure
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat UHT de toeslagenjaren 2005, 2008, 2010, 2013 en 2017 tot en met 2019 ten onrechte bij haar (her)beoordeling buiten beschouwing heeft gelaten. Voor zover over die toeslagjaren KOT is teruggevorderd, dienen die bedragen gecompenseerd te worden.

De Commissie stelt vast dat UHT de toeslagjaren 2013 en 2017 tot en met 2019 in de herbeoordeling heeft betrokken. Uit de op 28 juli 2021 afgegeven beschikking met kenmerk UHT-DC-I A blijkt namelijk dat belanghebbende over deze toeslagjaren niet in aanmerking komt voor compensatie wegens hardheid en/of vooringenomen handelen. Naar het oordeel van de Commissie is het bezwaar van belanghebbende, dat deze jaren buiten beschouwing zijn gelaten, ongegrond.

Wat betreft de toeslagjaren 2005 en 2008 is de Commissie van oordeel dat deze, nu zij niet betrokken waren in het verzoek om herbeoordeling en/of de bestreden beschikking, buiten het kader van de onderhavige procedure vallen. De Commissie gaat er echter wel vanuit dat UHT de door haar gedane toezegging ter zitting, om haar uiterste best te doen de jaren 2005, 2006, 2008 en 2010 opnieuw te laten beoordelen, nakomt. Pas als in deze herbeoordeling een voor bezwaar vatbaar besluit is genomen, kan de Commissie een advies uitbrengen als dit voor belanghebbende niet tot een bevredigend besluit heeft geleid en belanghebbende tegen die beschikking bij UHT een bezwaarschrift heeft ingediend.

De beschikking met kenmerk UHT-DC-I A
Belanghebbende stelt in bezwaar zich niet te kunnen verenigen met de afwijzing van het compensatieverzoek over de toeslagjaren 2013, 2017, 2018 en 2019.

Toeslagjaar 2013
Uit het dossier blijkt dat B/T over het toeslagjaar 2013 een veelvoud aan (voorschot)beschikkingen heeft afgegeven met zowel op- als neerwaartse bijstellingen van de KOT. Een groot deel van die bijstellingen is het gevolg van aanpassingen in het aantal opvanguren en/of het rekentarief.
Dergelijke wijzigingen vinden plaats conform het reguliere toeslagenproces en geven op zichzelf geen blijk van vooringenomen handelen of hardheid bij de toepassing van het toeslagensysteem door B/T. Voor zover een aanpassing van (een voorschot op) de KOT het gevolg is geweest van het ten onrechte betrekken van (het inkomen van) een toeslagpartner in de berekeningen – zoals belanghebbende heeft aangevoerd -, ziet de Commissie geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen. Het aanmerken van de broer van belanghebbende als toeslagpartner heeft, voor zover dat al onjuist zou zijn geweest, geen gevolgen gehad voor de hoogte van de KOT. Deze broer had namelijk geen inkomen, zodat het toetsingsinkomen uitsluitend op het inkomen van belanghebbende werd vastgesteld. Dat B/T vervolgens de ex-partner van belanghebbende als toeslagpartner aanmerkte, oogt niet zorgvuldig, maar rechtvaardigt evenmin de conclusie dat sprake is van vooringenomen handelen van B/T. Belanghebbende heeft destijds bezwaar gemaakt tegen de desbetreffende beschikking, is daarop in het gelijk gesteld en heeft een herzien (verhoogd) bedrag aan KOT ontvangen, waarbij alleen met haar inkomen rekening is gehouden. Met de Commissie van Wijzen is de Commissie daarom van oordeel dat aan deze omstandigheden niet zodanig gewicht mag worden toegekend dat belanghebbende over het toeslagjaar 2013 in aanmerking komt voor compensatie.

Toeslagjaar 2017
Wat betreft het toeslagjaar 2017 herleidt de Commissie uit de in het geding gebrachte stukken dat de eerste neerwaartse beschikking van de KOT (d.d. 31 december 2016, met kenmerk T1700131) plaatsvond vanwege een stijging van het toetsingsinkomen. Deze wijziging vond plaats aan de hand van het reguliere toeslagenproces en geeft als zodanig geen blijk van vooringenomen handelen of hardheid als bedoeld in artikel 2.1 Wht. De KOT is vervolgens bij beschikking van 21 januari 2017 op nihil gesteld. Onweersproken heeft UHT daaromtrent gesteld dat dit een gevolg was van de stopzetting van de KOT door belanghebbende.
Nu het ook daarbij ging om een reguliere wijziging, ziet de Commissie in de kale betwisting van de door UHT getrokken conclusie door belanghebbende geen aanknopingspunten om tot een andere conclusie te kunnen komen.

Toeslagjaar 2018
Bij beschikking van 22 oktober 2018 (met kenmerk T1800131) is het eerste voorschot op de KOT, zoals vastgesteld bij beschikking van 23 juli 2018 (met kenmerk T1800011), verhoogd van € 4.070 naar € 4.148. Vervolgens is de KOT bij beschikking van 5 juli 2019 op dat hogere bedrag vastgesteld. Nu daarmee over het toeslagjaar 2018 geen sprake is geweest van een verlaging of nihilstelling van de KOT, kan belanghebbende over dit toeslagjaar niet als gedupeerde in de zin van artikel 2.1 Wht worden aangemerkt. Naar het oordeel van de Commissie heeft UHT daarom terecht geconcludeerd dat belanghebbende over het toeslagjaar 2018 niet in aanmerking komt voor compensatie.

Toeslagjaar 2019
Uit het bezwaardossier is de Commissie gebleken dat over het toeslagjaar 2019 twee keer een neerwaartse bijstelling van de KOT heeft plaatsgevonden. De eerste neerwaartse bijstelling geschiedde bij beschikking van 24 april 2019 (met kenmerk T.1900371) en is een gevolg van een wijziging in het aantal opvanguren over de periode van 1 juni 2019 tot en met 31 december 2019. De tweede neerwaartse bijstelling vond plaats bij beschikking van 31 december 2020 (met kenmerk T1960611) vanwege een stijging van het toetsingsinkomen. Het verwerken van dergelijke wijzigingen vindt plaats aan de hand van het reguliere toeslagenproces en geeft geen blijk van vooringenomen handelen of hardheid als bedoeld in artikel 2.1 Wht.

Tussenconclusie
Het vorenstaande brengt met zich dat de Commissie UHT adviseert de bezwaren, voor zover die zijn gericht tegen de beschikking van 28 juli 2021 met kenmerk UHT-DC-I A, ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking in stand te laten.

De beschikking met kenmerk UHT-DC I
Juistheid van de bedragen over de toeslagjaren 2007, 2014, 2015 en 2016
Belanghebbende stelt in bezwaar dat zij in haar eigen berekening over de toeslagjaren 2007, 2014 en 2015 tot hogere bedragen komt dan UHT in de definitieve compensatieberekening. Naar de Commissie begrijpt, richt belanghebbende zich daarbij in hoofdzaak op de componenten a en/of c van de compensatieberekening.

Toeslagjaar 2007
Belanghebbende stelt in bezwaar dat bij de compensatieberekening uit moet worden gegaan van een bedrag van € 6.048 in plaats van de door UHT gehanteerde € 5.504.

Bij beschikking van 30 januari 2007 (met kenmerk T.07.000.11) is aan belanghebbende een voorschot op de KOT toegekend van € 6.048. De eerste neerwaartse bijstelling van de KOT vond plaats bij beschikking van 8 september 2007 (met kenmerk T0700601) en de tweede bij beschikking van 11 april 2008 (met kenmerk T0701001). Naar het zich laat aanzien vonden die neerwaartse bijstellingen plaats, omdat belanghebbende over de periode van 1 september 2007 tot en met 31 december 2007 geen gebruik van kinderopvang heeft gemaakt. Dit zijn reguliere wijzigingen die geen aanleiding geven voor de conclusie dat (al) sprake was van vooringenomen handelen of hardheid van B/T. Conform het bepaalde in artikel 2.2 lid 1 en 2.3 lid 1 Wht wordt het bedrag van component a van de compensatieberekening vastgesteld op het bedrag dat als gevolg van de beschikking niet is toegekend of is teruggevorderd. Dat betekent in dit geval concreet dat uit moet worden gegaan van de beschikking van 11 april 2008, omdat dit de laatste beschikking is voorafgaand aan de nihilstelling van 12 mei 2009 (met kenmerk T0701201). Naar het oordeel van de Commissie is UHT daarom in de compensatieberekening over het toeslagjaar 2007 terecht uitgegaan van een te compenseren bedrag van € 5.504.

Bij de beoordeling van het bezwaar heeft de Commissie geconstateerd dat UHT in haar berekening over het toeslagjaar 2007 uit is gegaan van een verkeerd bedrag onder component g. UHT heeft op dit onderdeel namelijk € 5 vermeld, terwijl deze component conform het relevante overzicht van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC) € 9 bedraagt. De Commissie adviseert UHT om deze component in de beslissing op bezwaar vast te stellen op het correcte bedrag.

Toeslagjaar 2014
Wat betreft het toeslagjaar 2014 voert belanghebbende aan dat het compensatiebedrag onder component a € 15.293 zou moeten bedragen in plaats van het door UHT gehanteerde bedrag van € 14.851.

De Commissie stelt vast dat in de laatste neerwaartse beschikking voorafgaand aan de nihilstelling (d.d. 1 mei 2015 met kenmerk T1400251) een voorschot op de KOT aan belanghebbende was toegekend van € 14.851. Dit is ook het bedrag dat UHT hanteert onder component a van de compensatieberekening. Uit de beschikking tot nihilstelling van 29 maart 2016 (met kenmerk T1460371) blijkt echter een terugbetalingsverplichting voor belanghebbende van € 15.293. Het verschil tussen die bedragen laat zich verklaren door een, ook uit het SAS-overzicht te herleiden, bedrag van € 442 aan toeslagrente. Conform het bepaalde in artikel 2.2 lid 1 Wht dient deze rente meegenomen te worden in het onder component a te compenseren bedrag, hetgeen UHT in dit geval lijkt te hebben nagelaten. Toevoeging van dit bedrag aan rente komt de Commissie eens te meer redelijk voor, nu UHT bij het bedrag onder component d van de compensatieberekening ook het bedrag aan toeslagrente heeft meegerekend. Blijkens de desbetreffende beschikking (d.d. 4 november 2016 met kenmerk T1460611) werd daarbij een bedrag aan KOT toegekend van € 10.965, maar vervolgens een bedrag van € 11.554 aan belanghebbende uitgekeerd. Het verschil van € 589 laat zich ook hier terugvinden in het SAS-overzicht in de kolom “Heffingsrente”. De Commissie is daarom van oordeel dat UHT in haar compensatieberekening onder component a ten onrechte uit is gegaan van het bedrag van € 14.851. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel gegrond te verklaren.

Toeslagjaren 2015 en 2016
Ter zitting heeft gemachtigde verklaard dat de door UHT voorafgaand aan de mondelinge behandeling gegeven toelichting op de compensatieberekening over de toeslagjaren 2015 en 2016 voldoende is. Nu hetgeen UHT over deze toeslagjaren heeft overwogen in haar schriftelijke reactie voor de Commissie eveneens voldoende duidelijk is, laat de Commissie deze toeslagjaren voor het overige buiten beschouwing.

Einddatum rente over gemiste KOT, vergoeding voor immateriële schade en hoogte aanvullende vergoeding 1 procent
Het advies van de Commissie om het bedrag van component a van de compensatieberekening voor het toeslagjaar 2014 aan te passen, heeft tot gevolg dat de rente over de gemiste KOT voor dit toeslagjaar door dient te lopen tot de beslissing op bezwaar. Daarnaast leidt deze aanpassing ertoe dat de vergoeding voor immateriële schade dient te worden berekend over de periode tot aan de datum van de beslissing op bezwaar. Ook dient de aanvullende vergoeding van 1procent over het hoger vastgestelde subtotaal te worden berekend.

Aanvullende (werkelijke) schade
Belanghebbende stelt in bezwaar dat drie soorten schade niet, althans onvoldoende zijn berekend in de compensatieberekening. Op de eerste plaats is geen rekening gehouden met het inkomensnadeel dat belanghebbende zou hebben geleden als gevolg van een breuk in haar loopbaan. Daarnaast heeft belanghebbende een lening van € 19.500 af moeten sluiten bij familie om te voorzien in de kosten van haar huishouding. Ten derde kan belanghebbende zich niet verenigen met de hoogte van de vergoeding voor immateriële schade.

De Commissie begrijpt dat belanghebbende voor het door haar ervaren leed een tegemoetkoming wenst, ook al valt dat moeilijk in geld uit te drukken. In het geval van compensatie op grond van artikel 2.1 Wht wordt echter een forfaitaire compensatie toegekend, waarmee gedupeerde ouders niet steeds het werkelijke nadeel dat zij ondervonden hebben, vergoed krijgen. Wanneer aannemelijk is dat de werkelijke schade als gevolg van het handelen door B/T hoger is dan de (deels) forfaitaire compensatie uit hoofde van artikel 2.3 Wht, dan kan belanghebbende op grond van artikel 2.1 lid 3 Wht in aanmerking komen voor een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade. De belanghebbende kan daarvoor een verzoek tot vergoeding van de werkelijke schade indienen, dat door UHT voor advies wordt voorgelegd aan de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS).
Dit CWS-advies is vervolgens leidend bij het nemen van het uiteindelijke besluit met betrekking tot de aanvullende compensatie. De Commissie kan in deze procedure dus geen advies geven over (een vergoeding van) de aanvullende schade die belanghebbende aanvoert.

Omtrent de lening die belanghebbende van familieleden zou hebben gekregen, wijst de Commissie volledigheidshalve op de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen bij het Loket al betaalde schulden van de Sociale Banken Nederland (hierna: SBN). SBN kan beoordelen of private schulden die afbetaald zijn met het compensatiebedrag in aanmerking komen voor terugbetaling. Dit traject valt echter ook buiten de reikwijdte van onderhavige procedure.

Proceskostenvergoeding
Gemachtigde heeft ten slotte een verzoek gedaan tot vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand. Omdat de bezwaren tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC I gedeeltelijk gegrond zijn en op onderdelen leiden tot herroeping van deze beschikking, komt belanghebbende op grond van artikel 7:15 lid 2 Awb in aanmerking voor toekenning van een proceskostenvergoeding.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie aan UHT om

de bewaren tegen de beschikking van 28 juli 2021 met kenmerk UHT-DC-I A
ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking in stand te laten;

  • de bezwaren tegen de beschikking van 6 oktober 2021 met kenmerk UHT-DC I,
    (gedeeltelijk) gegrond te verklaren ten aanzien van:
    * de vaststelling van component g in de compensatieberekening over het
    toeslagjaar 2007;
    * de vaststelling van component a in de compensatieberekening over het
    toeslagjaar 2014;
  • het bestreden besluit op deze punten te herroepen, de compensatie opnieuw te
    berekenen en ook alle, ingevolge de Wht daarmee samenhangende vergoedingen
    opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies;
  • het verzoek om vergoeding van de proceskosten van deze procedure toe te
    wijzen ten aanzien van de tegen het bestreden besluit met kenmerk UHT-DC I
    ingediende bezwaarschrift.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter