Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2021-01260

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 27 mei 2021 (UHT-DC I) 27 mei 2021 (UHT-DC-I A)

Hoorzitting: 28 augustus 2024

Overdracht advies aan UHT: 2 juli 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, alsnog compensatie toe te kennen over toeslagjaar 2012 en de compensatieberekening hierop aan te passen.

Verder adviseert de Commissie om een compensatieberekening voor de jaren 2012-2016 op te stellen en als deze hoger uitvalt dan de toegekende vergoeding voor vervangende opvangkosten in de CWS-procedure het meerdere aan belanghebbende toe te kennen.

Ten slotte adviseert de Commissie een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) compensatie toegekend voor een bedrag van € 27.160,- voor de jaren 2010 en 2011 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 tot en met 2016.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 21 november 2019 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2010 tot en met 2016.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 11 maart 2021 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2012 tot en met 2016 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DC I aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 tot en met 2016.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DC I aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 27.160,- voor de jaren 2010 en 2011. Het compensatiebedrag is uit hoofde van de Catshuisregeling aangevuld tot € 30.000,-.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 4 juni 2021, ingekomen op 8 juni 2021, tegen beide beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 23 september 2022 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 18 juli 2023 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 28 augustus 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 16 oktober 2024 een nadere schriftelijke reactie ingediend.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2010 en 2011 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2012 tot en met 2016 af te wijzen.

Beoordeling compensatieberekening toeslagjaren 2010 en 2011 (UHT-DC I)

Tussen partijen is niet in geschil dat de Belastingdienst/Toeslagen (B/T) tegenover belanghebbende over de toeslagjaren 2010 en 2011 individueel vooringenomen heeft gehandeld. UHT heeft bij beschikking met kenmerk UHT-DC I een forfaitair compensatiebedrag van € 27.160,- toegekend aan de hand van een compensatieberekening.

Belanghebbende betwist de start- en einddatum van de vergoeding voor immateriële schade.

Ingevolge artikel 2.2 onderdeel d Wht bestaat de compensatie mede uit een bedrag voor immateriële schade. Het bedrag is, ongeacht het aantal berekeningsjaren waarop de compensatie betrekking heeft, gelijk aan € 500,- voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van de eerste neerwaartse beschikking en de dagtekening van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van ieder half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar (artikel 2.3 lid 4 Wht).

Volgens belanghebbende dient de startdatum van de immateriële schadevergoeding te worden bepaald op 22 februari 2012, in plaats van 20 september 2012 waar UHT bij de compensatieberekening vanuit is gegaan. De Commissie kan belanghebbende hier niet in volgen, nu de eerdere correctie van 22 februari 2012 een reguliere correctie betrof waarbij is uitgegaan van het door belanghebbende ingediende antwoordformulier (productie 7).

Ten aanzien van de einddatum van de vergoeding voor immateriële schade overweegt de Commissie als volgt.

UHT heeft de Commissie meegedeeld dat UHT, indien een bezwaar (gedeeltelijk) gegrond is, bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade - in afwijking van de Wht - als einddatum zal hanteren de datum van de beslissing op het bezwaar. Reeds gelet op de toezegging van UHT dat over 2012 alsnog compensatie wordt toegekend is het bezwaar (gedeeltelijk) gegrond en adviseert de Commissie UHT dit beleid ook in dit geval toe te passen (met inachtneming van de maximering in artikel 2.3 lid 4).

Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaren 2012 tot en met 2016 (UHT-DC-I A)

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende haar kinderopvangtoeslag per 1 maart 2012 heeft stopgezet. Belanghebbende zegt dat zij dit destijds heeft gedaan omdat zij in de veronderstelling verkeerde dat ‘toch alles zou worden teruggevorderd’. Belanghebbende maakt nu aanspraak op forfaitaire compensatie over de toeslagjaren 2012 tot en met 2016.

Als hoofdregel geldt dat belanghebbende geen forfaitaire compensatie kan ontvangen voor toeslagjaren en periodes waarin zij geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Deze regel lijdt volgens het beleid van UHT echter uitzondering in die gevallen waarin een causaal verband kan worden aangenomen tussen vooringenomenheid jegens belanghebbende en het ontbreken van een aanvraag kinderopvangtoeslag. Voorwaarde daarbij is wel dat vaststaat dat de ouder in deze toeslagjaren voldeed aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag: gebruik van gekwalificeerde opvang, het voldoen aan gewerkte uren/doelgroeperschap en het betalen van de kosten. Dit beleid is neergelegd in paragraaf 3.1.5 van het Handboek IB – Vaktechniek van UHT, versie 3.14.

UHT heeft bij haar schriftelijke reactie van 18 juli 2023 toepasselijkheid van deze uitzonderingsregel afgewezen. Volgens UHT kan geen sprake zijn van een causaal verband tussen vooringenomenheid en het niet-aanvragen van kinderopvangtoeslag, nu de stopzetting van de kinderopvangtoeslag door belanghebbende plaatsvond op 1 maart 2012 en dit was vóórdat de terugvorderingen over de jaren 2010 en 2011 plaatsvonden.

Op de hoorzitting stelt UHT dat alsnog compensatie aan belanghebbende wordt toegekend voor toeslagjaar 2012 op grond van vooringenomenheid. Aangenomen wordt dat sprake is van causaliteit tussen de stopzetting en de vervangende opvangkosten.

De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en zal dienovereenkomstig adviseren. De Commissie zal adviseren de compensatieberekening hierop aan te passen. Het bezwaar is op dit punt gegrond.

De Commissie gaat ervan uit dat voor het hele jaar 2012 wordt gecompenseerd, al dan niet op grond van voornoemd beleid voor de maanden maart – december 2012.

De Commissie wijst hierbij op het in het dossier aanwezige beoordelingskader hersteldossier Kader 2 (productie 37, pagina 339 van het dossier) waarin bij de besproken jaren 2012-2016 op pagina 346 is vermeld dat de ouders op het belastingkantoor hebben vermeld dat zij de opvang tot en met 1 juli 2016 hebben laten doorlopen en zelf hebben bekostigd en de KOT uit zelfbescherming hebben stopgezet.

Naar aanleiding van de mededeling van UHT tijdens de hoorzitting over 2012 is aan UHT de vraag voorgelegd of zij thans van opvatting is dat over de toeslagjaren 2013 tot en met 2016 sprake is van causaliteit en in samenhang daarmee de bijzondere regeling (3.1.5) uit het Handboek Vaktechniek IB van toepassing is. De Commissie heeft er in dat kader nog op gewezen dat de Commissie Werkelijke Schade (CWS) in haar advies reeds causaliteit voor de vervangende opvangkosten in de periode 2012-2016 heeft aangenomen.

Bij haar aanvullende beschouwing van 16 oktober 2024 stelt UHT dat CWS van oordeel is dat aannemelijk is dat belanghebbende vervangende opvangkosten heeft moeten maken door de stopzetting van de kinderopvangtoeslag voor de periode 2012 tot en met juli 2016. Nu door CWS causaliteit is aangenomen gedurende de periode 2012 tot en met juli 2016, is volgens UHT geen aanleiding om tijdens de integrale beoordeling nogmaals voor de periode 2013 tot en met 2016 te compenseren.

De Commissie stelt gelet hierop vast dat het causaal verband inmiddels wèl wordt aangenomen, ook voor de jaren 2013-2016. Op het eerste gezicht, zie de hiervoor genoemde passage op pagina 346 van het dossier, lijkt belanghebbende in de jaren 2013-2016 ook te hebben voldaan aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag. Hiervan uitgaande heeft belanghebbende naar de Commissie meent op grond van voornoemd beleid recht op compensatie vanwege vooringenomen handelen over de jaren 2013 tot en met 2016. De Commissie stelt vast dat in de procedure bij CWS is geadviseerd een bedrag van € 10.985,- exclusief wettelijke rente toe te kennen voor vervangende opvangkosten in de periode 2012-2016. Dit advies is overgenomen in de beschikking van 18 augustus 2022 met kenmerk UHT-HD CWS. Dubbele compensatie is niet de bedoeling. Maar voor zover de compensatieberekening in de integrale beoordeling hoger uit zou vallen, heeft belanghebbende daar naar de Commissie meent wel recht op. De Commissie adviseert UHT dan ook om conform paragraaf 3.6.1 van het Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek versie 3.14 een compensatieberekening op te stellen, voor de periode 2012-2016. Indien deze hoger uitvalt dan de toegekende vergoeding voor vervangende opvangkosten in de CWS-procedure adviseert de Commissie het meerdere aan belanghebbende toe te kennen.

Schikking

De Commissie heeft kennis genomen van het feit dat UHT/CWS met belanghebbende en haar echtgenoot in gesprek zijn om tot een finale afronding te komen van hun bezwaren in zowel de integrale beoordeling als in de CWS-procedure. De inhoud van dit advies lijkt dienstig om hierbij te betrekken.

Proceskostenvergoeding

Nu de primaire besluiten naar de mening van de Commissie dienen te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de primaire besluiten te herroepen, en om:

  • alsnog compensatie toe te kennen voor toeslagjaar 2012 en de compensatieberekening hierop aan te passen;
  • een compensatieberekening voor de jaren 2012-2016 op te stellen en als deze hoger uitvalt dan de toegekende vergoeding voor vervangende opvangkosten in de CWS-procedure het meerdere aan belanghebbende toe te kennen;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter