BAC 2021-01245
Publicatiedatum 31-03-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluiten: 3 oktober 2022 (UHT-DC I), 3 oktober 2022 (UHT-DC-I A), 3 oktober 2022 (UHT-DH A), 3 oktober 2022 (UHT-DH5 A)
Hoorzitting: 24 oktober 2025 om 13:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 17 november 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar tegen de beschikkingen van 3 oktober 2022 met kenmerken UHT-DC-I A, UHT-DH A en UHT-DH5 A gedeeltelijk gegrond te verklaren en te herroepen, en alsnog compensatie toe te kennen voor de toeslagjaren 2011 en 2017 op grond van vooringenomenheid. Daarnaast adviseert de Commissie om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 3 oktober 2022 met kenmerk UHT-DC I, de definitieve beschikking afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag van 3 oktober 2022 met kenmerk UHT-DC-I A en de beschikkingen herbeoordeling kinderopvangtoeslag van 3 oktober 2022 met kenmerken UHT-DH A en UHT-DH5 A.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) compensatie toegekend voor een bedrag van € 17.722 voor de periode maart tot en met december van het toeslagjaar 2012 op grond van hardheid, maar geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2011, de periode januari tot en met februari 2012 en de toeslagjaren 2017 en 2019. Omdat belanghebbende reeds €30.000 heeft ontvangen op grond van de Catshuisregeling volgde geen nabetaling.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 24 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2010 tot en met 2012 en 2016. Na overleg tussen belanghebbende en UHT zijn de toeslagjaren 2011, 2012, 2017 en 2019 herbeoordeeld.
- UHT heeft bij beschikking van 3 juni 2021 met kenmerk UHT-B DMB2 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 9 juni 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de compensatieregeling van artikel 49b van de Awir en de hardheidscompensatie van artikel 49 van de Awir, zoals deze destijds golden, niet van toepassing zijn op de toeslagjaren 2011, 2017 en 2019 en voor de periode januari tot en met februari 2012.
- UHT heeft bij beschikking van 3 oktober 2022 met kenmerk UHT-DC I aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 17.722 voor de maanden maart tot en met december van het toeslagjaar 2012 op grond van hardheid. Omdat belanghebbende reeds € 30.000 heeft ontvangen op grond van de Catshuisregeling volgde geen nabetaling.
- UHT heeft bij beschikkingen van 3 oktober 2022 met kenmerken UHT-DC-I A, UHT-DH A en UHT-DH5 A aan belanghebbende voor het toeslagjaar 2011, de periode januari tot en met februari 2012 en de toeslagjaren 2017 en 2019 geen compensatie toegekend.
- Belanghebbende heeft bij brief van 2 februari 2023, ingekomen op 8 februari 2023, een bezwaarschrift ingediend.
- De voormalig gemachtigde heeft bij brief van 22 augustus 2024, het bezwaar aangevuld.
- UHT heeft op 11 december 2024 schriftelijk gereageerd.
- Medio 2025 heeft [naam] (hierna: gemachtigde) zich als opvolgend gemachtigde van belanghebbende gesteld.
- Op 24 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd. Na de hoorzitting heeft gemachtigde het aanvullend bezwaarschrift van 21 juli 2025 aan de Commissie toegezonden.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van het bezwaar en de bestreden beschikkingen
De Commissie ziet zich, mede gelet op de nadere precisering van het bezwaar inhoudende dat het toeslagjaar 2012 niet langer in geschil is, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT, terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor de toeslagjaren 2011, 2017 en 2019, af te wijzen.
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, voor zover hier van belang, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van vooringenomenheid of van hardheid in de handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T).
Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaar 2011
Ter zitting heeft UHT het standpunt ingenomen dat belanghebbende over het toeslagjaar 2011 bij nader inzien recht heeft op compensatie op grond van vooringenomenheid. De Commissie zal UHT dienovereenkomstig adviseren. Het bezwaar is in zoverre gegrond.
Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaar 2017
Belanghebbende voert aan ook met betrekking tot het toeslagjaar 2017 aanspraak te maken op compensatie, omdat de behandeling van haar KOT-aanvraag wijst op een vooringenomen handelswijze door B/T. De Commissie overweegt als volgt.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting rijst het volgende beeld op met betrekking tot het toeslagjaar 2017. Belanghebbende heeft op 27 maart 2017 KOT aangevraagd met ingang van 21 maart 2017. Op 18 april 2017 heeft B/T haar verzocht om nadere informatie om het recht op KOT te kunnen beoordelen. Naar aanleiding van dit verzoek heeft belanghebbende op 4 mei 2017 het haar toegezonden antwoordformulier retour gestuurd, vergezeld van salarisstroken, facturen van [naam gastouderbureau] over maart en april 2017, en de opvangovereenkomst met de gastouder. In de toelichting bij het antwoordformulier heeft belanghebbende daarnaast aangegeven dat zij de facturen (van de gastouder, zo begrijpt de Commissie) nog niet kon voldoen, omdat zij voor de betaling van die facturen afhankelijk was van de KOT-gelden, die zij nu juist (nog) niet toegekend had gekregen. Bij brief van 22 mei 2017 heeft B/T meegedeeld dat de overgelegde stukken onvolledig waren en verzocht om bankafschriften waaruit betaling van de opvangkosten bleek. Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat zij uiteindelijk, met financiële steun van familie, de eigen bijdrage alsnog heeft kunnen voldoen. Vervolgens heeft B/T op 21 juni 2017 een voorschotbeschikking afgegeven.
De Commissie acht het aannemelijk dat de vermelding in de FSV in de hand heeft gewerkt dat de behandeling van haar KOT-aanvraag onnodig werd vertraagd. Daardoor kwam belanghebbende in een onmogelijke situatie terecht waarin zij, ondanks haar medewerking, voortdurend achter de feiten aanliep.
Gelet op deze omstandigheden, die naar het oordeel van de Commissie, niet wezenlijk verschillen van die met betrekking tot het toeslagjaar 2011 - ten aanzien waarvan UHT, ter zitting wel vooringenomenheid heeft aangenomen - is de Commissie van opvatting dat de handelwijze van B/T jegens belanghebbende in het toeslagjaar 2017 evenzeer getuigt van vooringenomenheid in de zin van artikel 2.1, lid 1, van de Wht. De Commissie adviseert daarom belanghebbende ook te compenseren voor het toeslagjaar 2017 op grond van vooringenomenheid.
Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaar 2019
Belanghebbende voert voorts aan dat zij tevens voor het toeslagjaar 2019 aanspraak maakt op compensatie. De Commissie overweegt als volgt.
Voor het toeslagjaar 2019 is sprake van één neerwaartse bijstelling naar aanleiding van een doorgegeven stopzetting door of namens belanghebbende op 1 mei 2019, met ingangsdatum 26 mei 2019.
Gelet op het voorgaande, en bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende gegevens, is de Commissie van opvatting dat niet aannemelijk is geworden dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2019 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat toepassing van het stelsel te hard is geweest. Ter zitting heeft de gemachtigde gewezen op een jaaropgave waaruit volgt dat zoon [naam] gedurende het gehele toeslagjaar 2019 opvang heeft genoten. De Commissie merkt in dit verband op dat in deze bezwaarprocedure uitsluitend wordt beoordeeld of belanghebbende recht heeft op compensatie op grond van de Wht. Eventuele fouten bij de vaststelling van de KOT in het verleden kunnen uitsluitend worden hersteld via een herzieningsverzoek. Voor zover over dit toeslagjaar een terugvordering heeft plaatsgevonden, is deze – zoals hierboven uiteengezet – het gevolg van een te hoog voorschot dat op basis van een reguliere bijstelling opnieuw is berekend. Deze bijstelling is in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Aangezien de bestreden beschikkingen met kenmerken UHT-DC-I A, UHT-DH A en UHT-DH5 A niet in stand kunnen blijven, zoals volgt uit het voorgaande, staat vast dat de totstandkoming onvoldoende zorgvuldig is geweest en de motivering bij de beslissing op bezwaar moet worden verbeterd.
Forfaitaire bedragen (im)materiële schade
Belanghebbende is het niet eens met de hoogte van de toegekende vergoeding voor (im)materiële schade. Zij stelt dat de door haar geleden schade aanzienlijk groter is dan het toegekende bedrag.
De Commissie overweegt dat de wetgever de keuze heeft gemaakt om in het kader van de integrale beoordeling te werken met een systeem van forfaitaire vergoedingen. De Commissie heeft in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding gevonden om te komen tot het oordeel dat toepassing van het in de Wht neergelegde compensatiestelsel in een geval als het onderhavige buiten toepassing zou moeten blijven. De Commissie verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en ECLI:NL:RVS:2023:852. Van belang hierbij is dat de Wht ook voorziet in vergoeding van de daadwerkelijke (im)materiële schade via de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) en dat in alle fases van toekenning in rechtsbescherming wordt voorzien. Indien belanghebbende meent dat zij meer schade heeft geleden dan wordt vergoed met de forfaitaire vergoedingen, kan zij daartoe een verzoek indienen bij de CWS, waarna UHT na advies van de CWS daarop zal beslissen.
Belanghebbende betoogt dat de toeslagjaren 2006 tot en met 2010, 2013 tot en met 2016 en 2018 ten onrechte niet zijn herbeoordeeld.
UHT heeft meegedeeld dat herbeoordeling van die jaren alsnog zal plaatsvinden en dat het verzoek daartoe reeds is doorgezet naar de desbetreffende afdeling.
De Commissie adviseert UHT om, zodra de herbeoordeling heeft plaatsgevonden, voorafgaande aan de te nemen beslissing op bezwaar belanghebbende en haar gemachtigde door middel van een schriftelijke vooraankondiging op de hoogte te stellen van de bevindingen bij de heroverweging en belanghebbende en haar gemachtigde in de gelegenheid te stellen daarop te reageren.
Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Met betrekking tot een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand overweegt de Commissie het navolgende. Ingevolge artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) worden die kosten alleen vergoed als de bestreden beschikking(en) wordt of worden herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Op grond van de op dit punt heersende rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRVB 9 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3140, JB 2021/25), is sprake van herroepen in de zin van artikel 7:15, lid 2, van de Awb als het primaire besluit wordt gewijzigd voor wat betreft het met dat besluit beoogde rechtsgevolg. De aanpassing van de compensatieberekening heeft mogelijk niet tot gevolg dat belanghebbende recht heeft op een hoger bedrag aan compensatie dan de al eerder uitgekeerde € 30.000. De aanpassing van de compensatieberekening heeft alsdan wel tot gevolg dat het vertrekpunt voor een eventuele procedure over aanvullende compensatie voor de werkelijke schade verandert. De Commissie is daarom, in lijn met de genoemde rechtspraak en gelet op het systeem van de Wht, van mening dat er sprake is van een wijziging die rechtsgevolg heeft.
Daarom adviseert de Commissie aan UHT om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie aan UHT, de hiervoor geformuleerde vraag gedeeltelijk ontkennend beantwoordend, om:
- Het bezwaar tegen de beschikkingen van 3 oktober 2022 met kenmerken UHT-DC-I A, UHT-DH A en UHT-DH5 A gedeeltelijk gegrond te verklaren; en om;
- alle, ingevolge de Wht, daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies, en daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking komende vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar en de daarop betrekking hebbende beschikkingen in zo verre te herroepen;
- op grond van vooringenomenheid alsnog compensatie toe te kennen voor de toeslagjaren 2011 en 2017 en de daarop betrekking hebbende beschikkingen in zoverre eveneens te herroepen;
- het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren;
- een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter