Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2021-00824

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 10 mei 2021 (UHT-DC I)

Hoorzitting: 27 januari 2025 om 10:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 14 februari 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, het bestreden besluit te
herroepen en in de beslissing op bezwaar aan te passen. Daarnaast adviseert de
Commissie het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding toe te
wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT op 10 mei 2021 genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) met kenmerk UHT-DC I
(hierna ook te noemen: de bestreden beschikking).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en
vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) compensatie toegekend voor een bedrag van € 47.605 voor de jaren 2012 en 2013.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 30 januari 2020 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over de jaren 2012 en 2013.
  • UHT heeft bij brief van 21 november 2020 aan belanghebbende een eenmalige
    tegemoetkoming van € 750 toegekend voor vertraging in het proces.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende een compensatie
    toegekend voor een bedrag van € 47.605.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 21 juni 2021 tegen deze beschikking een
    bezwaarschrift ingediend. Gemachtigde heeft bij brief van 25 november 2022 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 14 mei 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
    Deze reactie wordt hierna aangeduid als de schriftelijke beschouwing.
  • Op 27 januari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is
    een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gehecht.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 leden van de Commissie.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend.

Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de
standaardvergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) bestemd. Indien belanghebbende voor aanvullende compensatie voor werkelijke schade in aanmerking wil komen, dient zij daartoe een verzoek tot vergoeding van de werkelijke schade in te dienen, dat door UHT voor advies wordt voorgelegd aan de CWS. Dit CWS-advies is vervolgens leidend bij het nemen van het besluit met betrekking tot de aanvullende compensatie.

Volledigheid dossier
De schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 18 december 2024 aan gemachtigde toegezonden. De Commissie heeft geen
aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Verrekeningen
Belanghebbende voert aan dat bij de compensatieberekening ten onrechte geen rekening is gehouden met de schuld die is ontstaan door de onterechte stopzetting van de KOT en de verrekening daarvan met toekomstige aanspraken op KOT en stelt dat zij recht heeft op compensatie voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van de verrekeningen van de terugvorderingen over de jaren 2012 en 2013 met de nadien toegekende KOT.

De KOT, en mogelijk ook andere toeslagen, zijn niet (volledig) aan belanghebbende
uitbetaald, omdat de KOT-schuld over de jaren 2012 en 2013 hiermee is verrekend. De Commissie overweegt dat deze verrekeningen onderdeel zijn van de uitvoering die over deze jaren aan de KOT is gegeven. Belanghebbende heeft over 2012 en 2013 een compensatie ontvangen. In de berekening van het compensatiebedrag is het bedrag aan verrekeningen begrepen. De verrekeningen op zichzelf houden dus geen schadepost in.
Als belanghebbende van mening is dat haar aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als gevolg van de verrekeningen toekomt, kan zij een verzoek daartoe indienen bij CWS. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Compensatieberekening
Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft UHT ambtshalve de compensatie-berekening tegen het licht gehouden en vastgesteld dat een aantal componenten van de berekening onjuist is. Het gaat daarbij om de componenten i, n, o, p en q.

De Commissie acht de toelichting van UHT in de schriftelijke beschouwing ten aanzien van de berekening van de componenten in de compensatieberekening afdoende en navolgbaar en ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken.
De Commissie adviseert UHT de compensatie opnieuw te berekenen in lijn met haar schriftelijke beschouwing en daarbij belanghebbende niet in een slechtere positie te brengen.

Immateriële schadevergoeding ontoereikend
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de compensatie ontoereikend is voor de door haar geleden immateriële schade.

De Commissie overweegt dat de Wht twee gescheiden compensatietrajecten kent. Zo bevat de Wht een (deels forfaitaire) compensatie voor een aantal limitatief opgesomde schadeposten en de hoogte daarvan. Dit is geregeld in de artikelen 2.2 en 2.3 van de Wht. Als een aanvrager van compensatie meer schade heeft geleden dan op grond hiervan wordt vergoed, kan om een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade worden verzocht. Dit is geregeld in artikel 2.1, derde lid, van de Wht. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat het een bewuste keuze van de wetgever is geweest om de procedure van compensatie en de aanvullende compensatie te scheiden.

De onderhavige bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van genoemde forfaitaire (standaard)vergoedingen en niet op de vergoeding van eventuele hogere werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij de CWS bestemd. Gelet hierop adviseert de Commissie dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar het oordeel van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar tegen de beschikking van 10 mei 2021 met kenmerk UHT-DC I gedeeltelijk gegrond te verklaren, het besluit te herroepen en in de beslissing op bezwaar aan te passen en om een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter