2023-12588
Publicatiedatum 28-05-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: van 20 januari 2023, UHT-DCHA
Hoorzitting: woensdag 1 april 2026
Overdracht advies aan UHT: 8 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2015 tot en met 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 5 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2016 tot en met 2018. UHT heeft de jaren 2015 tot en met 2019 herbeoordeeld.
- UHT heeft bij besluit van 17 juni 2022 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2015 tot en met 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 3 maart 2023, ingekomen op 8 maart 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 28 februari 2024, ingekomen op 29 februari 2024, het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 5 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 1 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Op 2 april 2026 heeft gemachtigde een persoonlijke toelichting van belanghebbende op haar situatie ingediend.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen. De Commissie stelt vast dat alleen bezwaargronden zijn ingediend ten aanzien van de toeslagjaren 2016 en 2018.
Belanghebbende betoogt dat zij in ieder geval voor de toeslagjaren 2016 en 2018 recht heeft op compensatie. Over toeslagjaar 2016 stelt zij dat de manager van de kinderopvangorganisatie de opvanguren verkeerd heeft ingevuld in ‘Mijn toeslagen’.
Over toeslagjaar 2018 stelt belanghebbende dat de KOT over januari 2018 ten onrechte is teruggevorderd. Dat zij de KOT heeft stopgezet per 1 januari 2018 is op advies van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) geweest. Zij is daardoor benadeeld nu het heeft geleid tot een terugvordering. Er is sprake van vooringenomen handelen.
Reguliere bijstellingen
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2016 en 2018 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.
De terugvordering KOT over het toeslagjaar 2016 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend; het aantal uren kinderopvang per maand bleek 175 te zijn in plaats van 183. Dat de manager van de kinderopvangorganisatie dit verkeerd heeft ingevuld in ‘Mijn toeslagen’ van belanghebbende is geen reden voor compensatie; dit betreft geen vooringenomen handelen van B/T.
Uit het overzicht van het Landelijk Incasso Centrum (LIC) over 2018 en de overige dossierstukken leidt de Commissie het volgende af. Bij besluit van 28 december 2017 is een voorschot KOT toegekend voor het hele jaar 2018 van €14.529,-, en is voor januari 2018 een voorschot uitbetaald van €1.210,-. Dat is gebeurd een paar dagen vóór de stopzetting van de KOT door belanghebbende op 31 december 2017 per 1 januari 2018. Naar aanleiding van de stopzetting is het voorschot KOT bij besluit van 22 januari 2018 op €0,- vastgesteld. Het voorschotbedrag van €14.529,- is voor een bedrag van €13.319,- afgeboekt op het lopende KOT-jaar; dit bedrag was nog niet uitbetaald. Vervolgens heeft belanghebbende een nieuwe aanvraag KOT ingediend en is bij besluit van 21 februari 2018 een voorschot toegekend van €13.327,- voor de periode 1 februari 2018 tot en met 31 december 2018 conform de aanvraag van belanghebbende.
Het al uitbetaalde voorschot KOT van €1.210,- voor januari 2018 is afgeboekt naar de maand februari 2018.
Daarna heeft belanghebbende de KOT stopgezet op 30 november 2018 per 30 november 2018. Dat heeft geleid tot bijstelling van het voorschot naar €12.075,- bij besluit van 28 december 2018, en een terugvordering van €1.252,-.
De Commissie stelt vast dat KOT is uitbetaald voor elf maanden, dat KOT is toegekend voor tien maanden (februari tot en met november 2018) en dat vervolgens alleen het voorschot voor de maand december 2018 is teruggevorderd. De terugbetaling over 2018 had te maken met de stopzetting per 30 november 2018 en niet met de stopzetting per 1 januari 2018. Dat belanghebbende de KOT per 1 januari 2018 heeft stopgezet naar aanleiding van het advies van B/T heeft er op dat moment niet toe geleid dat zij benadeeld is; de KOT over januari 2018 is niet bij haar teruggevorderd maar afgeboekt naar de maand februari 2018.
Belanghebbende heeft op de hoorzitting verteld dat haar dochter maar 1,5 week geen opvang heeft gehad in plaats van de hele maand januari 2018. Dat dit wellicht niet goed is verwerkt, betekent echter niet dat B/T vooringenomen heeft gehandeld.
De terugvordering KOT over het toeslagjaar 2018 is dus eveneens gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend, gelet op de stopzetting van de KOT door belanghebbende per 30 november 2018.
Deze voorschotten zijn door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Hardheidsclausule
Op de hoorzitting is namens belanghebbende betoogd dat de terugvorderingen over de jaren 2016 en met name 2017 bijna de drempel van €1.500,- voor de hardheidsregeling halen. Namens belanghebbende is gesteld dat op grond van de hardheidsclausule van artikel 9.1 Wht afgeweken dient te worden van de drempel van €1.500,-.
De Commissie stelt vast dat de KOT over 2016 bij besluit van 6 oktober 2017 is verlaagd van €13.990,- naar €13.456,-. Dat heeft geleid tot een terugbetaling van €539,-. Over dit jaar is geen sprake van een verlaging of terugvordering van minimaal €1.500,-.
Over 2017 is de KOT eenmaal verlaagd, bij besluit van 22 oktober 2017, van €14.504,-naar €14.264,-. Over 2017 moest belanghebbende een bedrag van €240,- terugbetalen, dit bedrag is afgeboekt op de lopende KOT 2017. Over dit jaar is geen sprake van een verlaging of terugvordering van minimaal €1.500,-.
De Commissie overweegt dat UHT op grond van artikel 9.1, lid 1, van de Wht bij een besluit over toekenning van compensatie, een tegemoetkoming of vergoeding, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of betaling van bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke schulden kan afwijken van artikel 2.1, voor zover toepassing van dit artikel gelet op het doel of de strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die heeft verzocht om de toekenning.
Daarbij volgt uit de wetsgeschiedenis bij artikel 9.1 van de Wht dat de hardheidsclausule is bedoeld voor een bijzondere situatie waarin niet is voorzien en waarin toepassing van de wet tot een zeer onbillijke uitkomst leidt. Een belangrijke voorwaarde daarbij is dat vasthouden aan de toepassing van de desbetreffende bepaling voor de degene die heeft verzocht om toekenning van een van de genoemde herstelregelingen, zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
De Commissie is van oordeel dat zo’n bijzondere situatie zich hier niet voordoet. Immers, het drempelbedrag van €1.500- per berekeningsjaar is opgenomen in de Wht (artikel 2.1 lid 4 Wht) en in de situatie dat dit drempelbedrag niet wordt gehaald, is dus voorzien. Zij ziet overigens ook geen bijzondere omstandigheden in de situatie van belanghebbende die de toekenning van compensatie op grond van artikel 9.1. lid 1 Wht rechtvaardigen, ook niet met betrekking tot de andere herbeoordeelde toeslagjaren. Belanghebbende heeft ook verder niet onderbouwd en aannemelijk gemaakt waarom een beroep op artikel 9.1. lid 1 Wht gerechtvaardigd is. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter