Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16533

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 16 januari 2024, kenmerk (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 10 april 2026 om 13:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 3 juni 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gericht tegen de beschikking van 16 januari 2024 met kenmerk UHT-DCHOA ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2008 tot en met 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 25 juli 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008 tot en met 2019.
  • Bij schrijven van 8 januari 2024 heeft belanghebbende aangegeven ermee akkoord te gaan dat de Commissie van Wijzen niet wordt geraadpleegd.
  • UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2008 tot en met 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 22 februari 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 15 augustus 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 10 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 12 mei 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend.
  • Gemachtigde heeft daar op 20 mei 2026 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Omvang van het geschil

Naar aanleiding van het verhandelde ter hoorzitting stelt de Commissie vast dat het geschil zich toespitst op de toeslagjaren 2011 en 2015.

Inhoudelijke bezwaren

De Commissie ziet zich, uitgaande van de gehandhaafde gronden van bezwaar, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2019 af te wijzen.

Beoordeling toeslagjaar 2011

Belanghebbende betoogt dat de omstandigheid dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) in 2011 de KOT ambtshalve heeft stopgezet op grond van informatie van de kinderopvanginstelling die zich niet in het dossier bevindt, zonder uitvraag te doen bij belanghebbende, moet leiden tot de conclusie dat B/T vooringenomen heeft gehandeld en dat recht bestaat op compensatie op grond van de Wht. UHT stelt zich op het standpunt dat B/T op de informatie van de kinderopvanginstelling mocht vertrouwen en dat deze achteraf juist is gebleken. Daarom is volgens UHT geen sprake van vooringenomen handelen.

De Commissie overweegt als volgt. Ingevolge het bepaalde in de Wht komt, kortweg, voor compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een vooringenomen handelwijze of van hardheid van B/T, of indien sprake is geweest van een onterechte kwalificatie Opzet/Grove Schuld (hierna: O/GS-kwalificatie).

Uit de stukken blijkt dat de KOT voor 2011 automatisch is gecontinueerd en dat B/T de KOT bij beschikking van 27 januari 2011 op nihil heeft gesteld omdat uit e-mailcontact met de tot dan toe bij B/T bekende kinderopvanginstelling was gebleken dat er vanaf 1 januari 2011 geen kinderopvang meer werd afgenomen. Op 28 januari 2011 heeft belanghebbende per handgeschreven brief aan B/T doorgegeven dat zij van kinderopvanginstelling is gewijzigd. Hieruit kan naar de opvatting van de Commissie worden afgeleid dat de informatie waarop B/T de stopzetting van de KOT heeft gebaseerd juist was. In genoemde brief van 28 januari 2011 heeft belanghebbende echter geen ingangsdatum van de opvang bij de nieuwe kinderopvanginstelling opgegeven en was een onjuist LRK-nummer vermeld. Bij brief van 25 februari 2011 heeft B/T belanghebbende verzocht om het juiste LRK-nummer door te geven. Bij antwoordformulier, ondertekend op 5 april 2011, heeft belanghebbende uiteindelijk het juiste LRK-nummer doorgegeven. Bij beschikking van 4 mei 2011 heeft B/T de KOT alsnog toegekend met terugwerkende kracht tot 1 januari 2011. De Commissie is van mening dat, hoewel de nihilstelling heeft plaatsgevonden zonder voorafgaande uitvraag door B/T aan belanghebbende, B/T de door belanghebbende doorgegeven wijziging van kinderopvanginstelling, die qua tijdsverloop de neerwaartse beschikking heeft gekruist, voortvarend heeft verwerkt. Dit volgt uit de omstandigheid dat B/T bij belanghebbende uitvraag heeft gedaan naar het juiste LRK-nummer en vervolgens binnen een maand nadat het juiste LRK-nummer ontvangen was, de KOT alsnog met terugwerkende kracht heeft toegekend. De Commissie deelt derhalve het standpunt van UHT dat in dit geval geen sprake is van vooringenomen handelen door B/T. De Commissie heeft geen aanwijzingen kunnen vinden dat sprake is van hardheid in de toepassing van het wettelijk stelsel. Nu evenmin sprake is van een O/GS-kwalificatie, bestaat geen recht op compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar in zoverre ongegrond te verklaren.

Beoordeling toeslagjaar 2015

Met betrekking tot het toeslagjaar 2015 betoogt belanghebbende dat zij door de brief van B/T van 6 mei 2015, waarbij aan haar ten onrechte een stopzetting van de KOT is medegedeeld, immateriële schade heeft geleden omdat zij daardoor heel erg is geschrokken en stress heeft ervaren. UHT erkent dat sprake is van vooringenomen handelen omdat aan belanghebbende ten onrechte een stopbrief is verzonden. Zij stelt evenwel dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij hierdoor schade heeft geleden omdat de onterechte stopzetting een dag later, namelijk op 7 mei 2015 is hersteld en er geen terugvordering of verrekening van de KOT heeft plaatsgevonden.

De Commissie vindt het niet onbegrijpelijk dat belanghebbende is geschrokken van de stopbrief, maar zij is met UHT van opvatting dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij hierdoor schade heeft geleden, nu B/T de stopzetting naar aanleiding van het telefooncontact met belanghebbende, waaruit bleek dat zij wél de juiste bewijsstukken had overgelegd, een dag later – zoals belanghebbende ook niet heeft bestreden - weer ongedaan heeft gemaakt en de stopzetting van de KOT nooit ten uitvoer is gelegd. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar in zoverre ongegrond te verklaren.

Beoordeling toeslagjaren 2008 tot en met 2010, 2012 tot en met 2014, 2016 tot en met 2019

Nu er in de jaren 2010, 2013, 2014, 2016, 2017, 2018 en 2019 geen neerwaartse bijstelling heeft plaatsgevonden en de neerwaartse bijstellingen in de overige jaren te verklaren zijn door een hoger toetsingsinkomen dan wel een aanvullende bijdrage van de gemeente (zogenoemde reguliere wijzigingen), is de Commissie van mening dat er in die jaren geen sprake is van vooringenomenheid van de kant van B/T noch dat sprake is van een situatie van hardheid van het stelsel. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar in zoverre ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding

Nu de bezwaren naar de mening van de Commissie ongegrond zijn en de bestreden beschikking in stand kan blijven, bestaat er geen recht op vergoeding voor de kosten van de rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter