BAC 2025-16213
Publicatiedatum 18-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 12 juli 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 19 mei 2026
Overdracht advies aan UHT: 2 juni 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar (gedeeltelijk) gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Gemachtigde heeft namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 juli 2023 (hierna: het bestreden besluit) waarbij belanghebbende is meegedeeld:
- dat er bij de herbeoordeling over de toeslagjaren 2007 tot en met 2011 is gebleken van fouten met betrekking tot het toeslagjaar 2007 en de periode januari tot en met november 2008. Dat belanghebbende daarom recht heeft op een compensatiebedrag van € 9.187.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- Belanghebbende heeft, in het kader van de eerste toets, een betaling ontvangen van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
- Op 7 april 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) haar beoordeling kenbaar gemaakt. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat voor de maand december 2008 en voor de toeslagjaren 2009, 2010 en 2011 geen compensatieregeling van toepassing is. Voor de toeslagjaar 2007 en de maanden januari tot en met november 2008 is de compensatieregeling wel van toepassing.
- Bij brief van 12 juli 2023 is het bestreden besluit genomen.
- Op 17 november 2023 heeft gemachtigde tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
- Op 19 augustus 2025 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
- Op 12 juli 2024 heeft gemachtigde aanvullende gronden van bezwaar ingediend.
- Op 19 mei 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet is geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Herbeoordeelde toeslagjaren
De KOT voor december 2008 en toeslagjaar 2011, is, naar op grond van de stukken aannemelijk is geworden, bijgesteld in verband met de omstandigheid dat belanghebbende blijkens de jaaropgave over 2008, tot en met 26 november 2008 gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang en dat belanghebbende in het antwoordformulier heeft aangegeven in 2011 geen gebruik te hebben gemaakt van kinderopvang. De Commissie heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de producties waaruit dit blijkt.
De slotsom is dat de verplichting tot terugbetaling van de KOT over december 2008 en toeslagjaar 2011 het gevolg is van reguliere correcties. Dat kan niet worden aangemerkt als institutioneel vooringenomen handelen.
De reguliere correcties wijzen ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast.
Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten dat de werkelijke, later vast te stellen aanspraak, op een lager bedrag kan uitkomen. Aan een voorschot kan in beginsel niet het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat een definitieve aanspraak op een daarmee overeenstemmend bedrag bestaat.
In de schriftelijke beschouwing is toegezegd om belanghebbende voor toeslagjaar 2009 alsnog te gaan compenseren met toepassing van de hardheidsregeling. De Commissie adviseert dienovereenkomstig te beslissen in de beslissing op bezwaar. Dit betekent ook dat de compensatieberekening moet worden aangepast.
Met betrekking tot toeslagjaar 2010 overweegt de Commissie het volgende. Naar het oordeel van de Commissie heeft Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) met betrekking tot toeslagjaar 2010 ten onrechte vastgesteld dat sprake is van een ernstige onregelmatigheid. De Commissie stelt voorop dat, gelet op het uitzonderingskarakter van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, de bewijslast van het standpunt dat evident geen recht bestaat op KOT, bij UHT ligt. Het is aan UHT om aannemelijk te maken dat in voormelde jaren geen opvang heeft plaatsgevonden. Daarnaast wijst de Commissie erop dat in het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek van UHT, versie 3.16, pagina 20, het volgende is bepaald: “Als je evident geen recht op KOT stelt moet je zeker weten dat er geen opvang is geweest over die periode of dat de ouder (of toeslagpartner) niet voldeden aan de eisen om KOT te ontvangen.” Geplaatst tegen die achtergrond overweegt de Commissie het volgende.
Naar de opvatting van de Commissie heeft UHT niet aan haar bewijslast voldaan. De omstandigheden dat er geen gegevens in de KOI-viewer geregistreerd stonden en belanghebbende in 2011 heeft aangegeven geen gebruik te hebben gemaakt van geregistreerde kinderopvang acht de Commissie onvoldoende om aan te nemen dat belanghebbende in toeslagjaar 2010 geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Van de juistheid van het ontbreken van gegevens in de KOI-viewer kan, ook in het onderhavige geval, niet zonder meer worden uitgegaan. De gegevens werden namelijk op aanvraag door kinderopvanginstellingen verstrekt. Bovendien is de Commissie bekend dat kinderopvanginstellingen tot 1 januari 2022 niet verplicht waren om gegevens aan te leveren voor de KOI-viewer. Het ontbreken van gegevens in dat systeem kan daarom niet zonder meer tot de conclusie leiden dat geen geregistreerde opvang heeft plaatsgevonden.
Voorts heeft belanghebbende toegelicht dat zij in 2011 genoodzaakt was om haar kinderen van de opvang te halen in verband met moeilijkheden met het nakomen van haar betalingsverplichtingen jegens de kinderopvang. Hieruit kan niet worden afgeleid dat belanghebbende in 2010 eveneens geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. Uit het dossier en hetgeen ter hoorzitting is besproken blijkt dat er aanwijzingen zijn dat belanghebbende wel degelijk kinderopvang heeft afgenomen. Belanghebbende heeft toelicht dat zij deelnam aan een re-integratietraject dat de noodzaak tot kinderopvang met zich bracht. Gemiddeld vier keer per week nam zij hieraan deel en daarnaast volgde zij ook snuffelstages. Ter hoorzitting verklaarde belanghebbende gedetailleerd over waar de kinderopvang plaatshad. Dat er voor het overige geen informatie over de genoten kinderopvang bij B/T bekend is, wekt geen verbazing: het vooringenomen handelen van B/T bestaat er juist in, dat niet kan worden vastgesteld of bij belanghebbende voldoende informatie is opgevraagd, voordat de voorschotten zijn teruggevorderd.
Gelet op het voorgaande meent de Commissie dat UHT niet met zekerheid kan vaststellen dat geen opvang heeft plaatsgevonden, zoals is voorgeschreven in het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek. De Commissie is van opvatting dat UHT niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van evident geen recht op KOT. De Commissie adviseert UHT dan ook om alsnog over te gaan tot compensatie aan belanghebbende voor toeslagjaar 2010, op grond van de reeds vastgestelde vooringenomenheid. Het bezwaar dient in zoverre gegrond te worden verklaard.
Proceskostenvergoeding
Gemachtigde heeft ten slotte een verzoek gedaan tot vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand. Omdat de bezwaren gedeeltelijk gegrond zijn, komt belanghebbende op grond van artikel 7:15, lid 2, Awb in aanmerking voor toekenning van een proceskostenvergoeding.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:
- het bestreden besluit te herroepen zoals hiervoor is aangegeven;
- de overige bezwaren ongegrond te verklaren en
- een proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter