BAC 2025-16861
Publicatiedatum 18-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 23 augustus 2024 met kenmerk UHT-DCHOA
Hoorzitting: 13 april 2026
Overdracht advies aan UHT: 2 juni 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: het bestreden besluit)
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2011 tot en met 2015.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 29 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011 tot en met 2015.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 22 november 2023 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wht.
- Belanghebbende heeft op 29 november 2023 een zienswijze tegen de vooraankondiging ingediend.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordelingen van het verzoek van belanghebbende op 16 augustus 2023 en 13 augustus 2024 aan de Belastingdienst Toeslagen (hierna: de B/T) toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1. lid 1, van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2011 tot en met 2015.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2011 tot en met 2015.
- Gemachtigde heeft bij brief van 7 november 2024 een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 25 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bij brief van 4 april 2026 het bezwaarschrift aangevuld.
- Op 13 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Gemachtigde heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 28 april 2026, aanvullende informatie aangeleverd. UHT heeft daar, op 7 mei 2026, op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2011 tot en met 2015 af te wijzen.
Afgewezen toeslagjaren: 2011, 2012, 2013 en 2015
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2011, 2012, 2013 en 2015 vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvorderingen van de KOT over deze toeslagjaren waren gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen (wijziging in uren, wijziging van KOI en een gewijzigd toetsingsinkomen) opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel geen aanspraak op compensatie wegens vooringenomenheid of hardheid. Verder heeft de Commissie over deze jaren geen aanknopingspunten in het dossier gevonden die duiden op een onterechte kwalificatie wegens opzet of grove schuld (O/GS), zodat ook geen aanspraak bestaat op een daarop gebaseerde vergoeding.
2014
Met betrekking tot het toeslagjaar 2014 constateert de Commissie dat de B/T de KOT over dit jaar op nihil heeft gesteld op basis van het ontbreken van bewijsstukken (jaaropgave en facturen) en op basis van het ingevulde antwoordformulier van 27 september 2015 door belanghebbende, waarin zij aangeeft in 2014 geen kinderopvang te hebben afgenomen.
Belanghebbende stelt echter dat zij gedurende dit jaar wél kinderopvang heeft genoten. De bewijsstukken (waaronder facturen en de jaaropgave) heeft zij niet kunnen aanleveren omdat de [naam KOI 1] halverwege het jaar 2014 failliet is gegaan en op 1 augustus 2014 verder ging onder de naam [naam KOI 2]. De administratie was tijdens de overname niet op orde en er werden voor dat jaar door de [naam KOI 1] geen jaaropgaven verstuurd. Belanghebbende heeft meermaals aantoonbaar geprobeerd om alsnog bewijsstukken te vergaren. Dit is niet gelukt. Wel heeft belanghebbende een verklaring overgelegd waarin een oud-medewerkster van de [naam KOI 1] heeft verklaard dat zij in het jaar 2014 werkzaam was voor de KOI. Ook verklaarde de oud-medewerkster dat de zoon van belanghebbende, in 2014 werd opgevangen door de KOI.
De Commissie constateert op basis van de stukken in het dossier dat de [naam KOI 1] halverwege het jaar 2014 inderdaad failliet is gegaan en verder is gegaan onder de naam [naam KOI 2]. Het is volgens de Commissie niet ondenkbaar dat door deze overname het administratieve proces niet goed is verlopen en dat daardoor informatie niet is bijgehouden of zoekgeraakt. Daarmee heeft belanghebbende een onderbouwde reden gegeven waarom zij geen bewijsstukken kon aanleveren voor de periode januari tot en met in ieder geval juli 2014. Samen met het gegeven dat belanghebbende de KOT volgens een eerdere melding op 26 juli 2014 heeft stopgezet per 20 september 2014 én de overgelegde verklaring van de oud-medewerkster van de [naam KOI 1], acht de Commissie het voldoende aannemelijk dat belanghebbende gedurende de periode januari tot en met 31 juli 2014 wel opvang heeft genoten. Voor de periode van 1 augustus 2014 tot en met 20 september 2014 is de Commissie van mening dat belanghebbende bij [naam KOI 2] eventuele stukken had moeten opvragen, in aanmerking genomen dat zij deze ook voor de jaren 2015 en verder van [naam KOI 2] heeft gekregen. Dat heeft zij niet gedaan.
De Commissie acht de bezwaren daarom gedeeltelijk gegrond en adviseert UHT om op grond van artikel 9.1 van de Wht belanghebbende gedurende de periode januari tot en met juli 2014 een hardheidscompensatie toe te kennen en belanghebbende daartoe een compensatieberekening ter hand te stellen.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie gedeeltelijk gegrond is, adviseert de Commissie UHT de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (indienen van een bezwaarschrift en bijwonen van de hoorzitting). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen (wegingsfactor twee).
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie:
- om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren;
- het bestreden besluit als volgt te herroepen:
- aan belanghebbende over het toeslagjaar 2014 een hardheidscompensatie toe te kennen over de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 juli 2014;
- een procesvergoeding toe te kennen op basis van twee procespunten met wegingsfactor twee.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter