BAC 2023-14930
Publicatiedatum 18-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 31 juli 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 22 januari 2026 om 11:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 2 juni 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 31 juli 2023 met kenmerk UHT-DCHA.
Aan belanghebbende is geen compensatie toegekend voor de jaren 2005 tot en met 2012.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 18 januari 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 tot en met 2010.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 12 juli 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2005 tot en met 2012 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHA aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2005, 2006, 2007, 2008, 2009, 2010, 2011 en 2012.
- Gemachtigde heeft bij brief van 8 september 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Gemachtigde heeft op 21 januari 2026 de gronden aangevuld.
- UHT heeft op 17 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 22 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Op 3 februari 2026 heeft gemachtigde per brief aanvullende informatie ingediend.
- UHT heeft op 5 februari 2026 een aanvullende beschouwing ingediend.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Motivering en zorgvuldigheid besluit
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken - waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de Landelijke Incasso Centrum (LIC) overzichten - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikkingen behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking(en) leidt immers niet tot het herroepen daarvan.
Equality of arms
Belanghebbende heeft, onder meer onder inroeping van het equality of arms-beginsel, aangevoerd dat UHT heeft verzuimd stukken te overleggen, die voor de beoordeling van het bezwaar relevant zijn. De Commissie overweegt ter zake als volgt. Van een schending van het beginsel van equality of arms is geen sprake, reeds omdat dit beginsel niet van toepassing is in de bezwaarfase. Voor zover belanghebbende daarmee bedoeld dat haar niet alle stukken zijn verschaft waarop zij recht heeft, overweegt de Commissie als volgt. Op grond van artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De schriftelijke reactie met de bijbehorende producties, waaronder ook de “Overzichten (uit)betalingen en/of verrekeningen toeslagen” (LIC-overzichten), zijn tijdig aan gemachtigde toegezonden.
Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de stellingname van belanghebbende geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij het door UHT genomen besluit. De door belanghebbende in dit verband aangevoerde bezwaren kunnen dan ook niet tot het door haar gewenste resultaat leiden. De Commissie adviseert UHT daarom deze bezwaren ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2010
Belanghebbende stelt dat over het toeslagjaar 2010 kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) is aangevraagd. UHT stelt dat er iets mis is gegaan met de digitale aanvraag van de KOT over het toeslagjaar 2010. De aanvraag is niet goed verzonden. Vervolgens heeft belanghebbende de aanvraag te laat ingediend, waardoor de aanvraag is afgewezen. UHT stelt dat het de verantwoordelijkheid is van belanghebbende om tijdig een nieuwe of gewijzigde aanvraag in te dienen. De afwijzing is geen vooringenomen handeling door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT.
Beslagvrije voet
Belanghebbende stelt dat B/T over de toeslagjaren 2005 tot en met 2012 geen rekening heeft gehouden met haar beslagvrije voet en dat daarom sprake is van hardheid van het stelsel. De Commissie overweegt dat de terugvordering van KOT is uitgezonderd bij toepassing van de beslagvrije voet in artikel 475c, sub j, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Stopzetting toeslagjaar 2009
Belanghebbende stelt dat zij de KOT over het toeslagjaar 2009 niet heeft stopgezet. De Commissie stelt vast dat belanghebbende de KOT zelf heeft stopgezet via haar digitale identiteit met haar BSN en dat B/T er daarom van uit mocht gaan dat de wijzigingen door of namens belanghebbende waren opgegeven. Voor zover daarbij door een derde gebruik is gemaakt van de DigiD van belanghebbende is de Commissie van oordeel dat de gevolgen van het delen van DigiD-inloggegevens met een ander voor rekening en risico van belanghebbende dienen te komen. Belanghebbende heeft verder tegen de stopzetting geen bezwaar gemaakt. De Commissie adviseert UHT dan ook dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beoordeling afwijzing jaren 2005 tot en met 2012
De Commissie heeft geen aanwijzingen gevonden dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2012 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering van KOT over deze toeslagjaren was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend nadat er wijzigingen door belanghebbende waren doorgegeven. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
O/GS
De Commissie overweegt dat in de onderhavige procedure de (wijze van) vaststelling dat geen sprake was van O/GS aan de orde is geweest. Belanghebbende heeft gesteld dat hij deze constatering nader toegelicht wil hebben met onderbouwende stukken.
De Commissie acht het onvoldoende dat door UHT uitsluitend wordt verwezen naar productie 1300001 in het dossier, waarin slechts de vaststelling ‘O/GS’ te lezen is en niet hoe dit is vastgesteld. De Commissie meent dat belanghebbende recht heeft op de onderliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de O/GS-beoordeling, omdat dit stukken zijn, die op de zaak betrekking hebben. De Commissie wijst in dit verband onder meer op de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 31 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3643 en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NKL:RBROT:2026:1545. Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.
Toeslagjaar 2010
Belanghebbende stelt dat ten aanzien van het toeslagjaar 2010 zij uitstel voor het aanvragen van KOT had gekregen tot 1 mei 2012 Zij stelt vervolgens dat zij binnen die termijn KOT heeft aangevraagd. UHT betwist niet, dat belanghebbende voor de aanvraag KOT uitstel heeft gevraagd, maar dat er uitstel zou zijn gevraagd en verleend tot 1 mei 2012 blijkt niet uit de systemen van B/T. Naar het oordeel van de Commissie heeft belanghebbende onvoldoende aannemelijk gemaakt, dat B/T er mee heeft ingestemd, dat zij nog tot 1 mei 2012 en dus buiten de wettelijk voorgeschreven termijn een aanvraag voor 2010 kon doen. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor deze bezwaarprocedure. Nu het bezwaar volgens de Commissie ongegrond is, komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter