Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16485

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 20 november 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 22 april 2026

Overdracht advies aan UHT: 2 juni 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking kinderopvangtoeslag van 20 november 2024, met kenmerk UHT-DCHOA (hierna: het bestreden besluit).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2008, 2009 en 2010.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 17 september 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008, 2009 en 2010.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 1 november 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2011.
  • UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2008, 2009 en 2010.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 3 december 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 10 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 22 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 7 mei 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar dezelfde dag op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Gelet op de aangevoerde bezwaargronden ziet de Commissie zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie over toeslagjaar 2009 af te wijzen.

Toeslagjaar 2009

Belanghebbende stelt dat zij in aanmerking komt voor compensatie over toeslagjaar 2009. Zij verklaart dat haar KOT uit het niets en om een voor haar onbekende reden op nihil werd gesteld. Omdat de KOT werd uitbetaald aan de kinderopvanginstelling, kwam zij hier pas achter toen de kinderopvanginstelling haar vertelde dat zij geen betalingen meer ontving. Belanghebbende heeft daarop zelf contact opgenomen met de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) om te zorgen dat de KOT weer werd hervat. De vraagbrieven waarvan UHT stelt dat deze aan belanghebbende zijn toegezonden alvorens de KOT op nihil werd gesteld, hebben haar nooit bereikt. In dat kader stelt belanghebbende dat UHT ten onrechte heeft nagelaten de verzendadministratie van de vraagbrieven over te leggen.

UHT heeft zich op het standpunt gesteld dat B/T de KOT voor 2009 bij besluit van 6 februari 2010 op goede gronden op nihil heeft gesteld. B/T had op 17 november 2009 een aanvraag ontvangen die het BSN van belanghebbende bevatte, maar vanwege afwijkende gegevens toch vragen opriep. Dat was voor B/T aanleiding om uitvraag te doen bij belanghebbende middels vraagbrieven van 9 december 2009 en 7 januari 2010. UHT stelt over de vraagbrieven dat niet zonder meer kan worden tegengeworpen dat deze niet ontvangen zouden zijn, nu deze in het systeem zijn teruggevonden en waren gericht aan het adres van belanghebbende zoals dat uit het BRP volgde. Omdat belanghebbende niet binnen de redelijke termijnen had gereageerd op het verzoek om informatie en het rappel daaropvolgend, mocht B/T volgens UHT overgaan tot het stopzetten van de KOT.

Tussen partijen staat vast dat achteraf is gebleken dat de aanvraag van 17 november 2009 een foutieve aanvraag blijkt te zijn geweest welke geen enkele relatie met belanghebbende heeft. Die aanvraag betrof een aanvrager met BSN van belanghebbende maar een andere naam dan belanghebbende en een voor belanghebbende onbekend kind.

De Commissie is in de eerste plaats van oordeel dat UHT voldoende heeft onderbouwd dat de uitvraag bij belanghebbende niet onterecht of buitensporig was. Er werden immers onverklaarbare gegevens gesignaleerd die om opheldering vroegen. Het is daarom begrijpelijk dat B/T bij het in behandeling nemen van de aanvraag destijds heeft aangesloten bij het in die aanvraag vermelde BSN. Dat BSN staat op naam van belanghebbende. De informatie-uitvraag heeft zich daarom gericht tot belanghebbende. De Commissie ziet in de gang van zaken geen buitensporigheid die als vooringenomen valt te duiden.

In de tweede plaats vindt de Commissie het voldoende aannemelijk dat de brieven van 9 december 2009 en 7 januari 2010, zoals deze zich in het dossier bevinden onder producties 1209006 en 1209007, destijds aan het woonadres van belanghebbende zijn verstuurd. Belanghebbende heeft ter hoorzitting bevestigd dat zij destijds op dat adres woonde. Verder volgt uit het dossier dat adres in 2009 en 2010 naar ditzelfde ook andere brieven door B/T zijn verstuurd, waarop door belanghebbende wél is gereageerd, namelijk door het retoursturen van antwoordformulieren op 15 oktober 2009 (productie 1208006) en 29 maart 2010 (productie 1209009). Dat door UHT geen verzendbevestiging van de vraagbrieven is overgelegd, leidt – gelet op het voorgaande – voor de Commissie niet tot een andere conclusie.

In het verlengde hiervan is de Commissie van oordeel dat belanghebbende voldoende in de gelegenheid is gesteld om haar recht op KOT aannemelijk te maken, voordat B/T concludeerde dat zij geen gegevens had ontvangen en daarop besloot de KOT op nihil te stellen. De Commissie heeft evenmin andere aanknopingspunten gevonden om UHT te adviseren een compensatie toe te kennen over toeslagjaar 2009. De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar over toeslagjaar 2009 ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter