Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16794

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 4 december 2024 (UHT-HD CWS)

Hoorzitting: 18 mei 2026

Overdracht advies aan UHT: 1 juni 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen besluit aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een aanvullende compensatie toegekend voor een bedrag van
€ 24.090.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 2 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011 tot en met 2017. In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is het verzoek om herbeoordeling uitgebreid tot de jaren 2008 tot en met 2017.
  • UHT heeft bij de besluiten van 2 september 2022 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 23.769 voor de jaren 2013 tot en met 2015 en geen compensatie toegekend voor andere jaren. UHT heeft daarnaast bij het besluit van 25 januari 2023 een O/GS-tegemoetkoming toegekend tot een bedrag van € 796 voor het jaar 2011.
  • Belanghebbende heeft op 28 maart 2023 verzocht om een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.
  • CWS heeft op 6 november 2014 een advies uitgebracht. UHT heeft het advies van CWS gevolgd en bij het bestreden besluit aan belanghebbende aanvullende compensatie toegekend voor een bedrag van € 24.090.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 11 maart 2025 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 1 mei 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 25 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • UHT heeft op 28 januari 2026 een aanvullende schriftelijke reactie opgesteld op basis van het geactualiseerde schadekader per 22 december 2025. Deze aanvullende schriftelijke reactie heeft UHT aan gemachtigde en de Commissie verzonden op 12 april 2026.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 10 april 2026 het bezwaarschrift aangevuld. UHT heeft hier op 13 mei 2026 op gereageerd.
  • Op 18 mei 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie moet antwoord geven op de vraag of UHT op de juiste wijze heeft beslist op het verzoek van belanghebbende om een aanvullende schadevergoeding nadat de CWS haar daarover had geadviseerd. Zij doet dat aan de hand van de bezwaargronden van belanghebbende.

Toetsingskader

In het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag biedt de wet gedupeerde ouders de mogelijkheid – naast de (deels) forfaitaire compensatie – ook een verzoek tot vergoeding van aanvullende compensatie voor werkelijke schade te doen. Artikel 2.1, derde lid, Wht vermeldt de gang van zaken rondom de indiening van dit verzoek, dat met toepassing van het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht wordt beoordeeld (zie ook Afdeling Bestuursrechtspraak 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620). De gedupeerde ouder dient daarbij informatie te verschaffen waaruit aannemelijk wordt i) dat en in welke mate daadwerkelijk sprake is van aanvullende schade en ii) dat die schade het gevolg is van de handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) waarvoor de ouder al gecompenseerd is.

Na haar beoordeling of een gedupeerde ouder recht heeft op aanvullende compensatie, brengt CWS haar advies daarover uit aan UHT. UHT mag zich op het onderzoek van CWS baseren, nadat ze zich ervan vergewist heeft dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarvan begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dit volgt uit artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

UHT kan ter motivering van haar besluit over aanvullende compensatie volstaan met verwijzing naar het advies van CWS, als het advies zelf de toereikende motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. Het is mogelijk dat UHT in uitzonderlijke gevallen tot een beslissing komt die ten nadele van de belanghebbende afwijkt van het advies van CWS, maar dit moet zij dan goed onderbouwen.

In een bezwaarprocedure als deze beoordeelt de Commissie of UHT op een juiste wijze invulling heeft gegeven aan de hier bedoelde ‘vergewisplicht’. Deze toets vindt in beginsel plaats aan de hand van de door belanghebbende ingediende gronden van het bezwaar. Als UHT in negatieve zin is afgeweken van het advies van CWS, beoordeelt de Commissie of dit goed onderbouwd heeft plaatsgevonden. Omdat de beslissing op het verzoek om aanvullende compensatie in overeenstemming moet zijn met het civiele schadevergoedingsrecht, houdt de vergewisplicht in dat de Commissie voor haar advisering zelfstandig onderzoekt of CWS en in haar voetspoor UHT een juiste toepassing hebben gegeven aan de regels van dat schadevergoedingsrecht. De Commissie zal aan de hand van deze uitgangspunten beoordelen of UHT in dit geval op goede gronden het advies van CWS heeft gevolgd.

Geactualiseerde schadekader

Voordat zij hiertoe overgaat, merkt de Commissie op dat CWS gedurende de bezwaarprocedure het schadekader van 1 juli 2024 heeft geactualiseerd. Dit geactualiseerde schadekader is per 22 december 2025 in werking getreden. Een wijziging in het schadekader hoeft slechts tot aanpassing van de vergoeding te leiden voor zover die wijziging voor belanghebbende gunstiger uitpakt. De Commissie stelt vast dat UHT de vraag of dit nieuwe beleid van invloed is op de schadeposten in deze zaak en of dit tot een andere uitkomst moet leiden, heeft beantwoord in de schriftelijke beschouwingen van 28 januari 2026 en 13 mei 2026. Op basis van het schadekader per 22 december 2025 concludeert UHT dat aan belanghebbende een extra aanvullende schadevergoeding toekomt voor een bedrag van € 6.262. Het geactualiseerde schadekader pakt daarmee gunstiger uit voor belanghebbende. De Commissie sluit zich hierbij aan.

Materiële schade

Inkomensschade

Belanghebbende verzoekt om een aanvullende schadevergoeding van € 20.000 voor inkomensschade. Het niet afronden van de studie was volgens haar niet enkel het gevolg van de beschieting in 2012, maar ook van de KOT-problematiek. Het heeft elkaar versterkt. De constante financiële stress maakte het onmogelijk om aan psychisch herstel toe te komen. Als gevolg hiervan moest belanghebbende haar studie in augustus 2015 definitief staken.

De Commissie overweegt als volgt. In augustus 2015 is belanghebbende uitgeschreven van de opleiding ‘Maatschappelijk Werk en Dienstverlening’ aan de [naam hogeschool], omdat zij volgens haar verklaring bij CWS nog niet was hersteld van alle traumatische ervaringen en daarom niet in staat was een studie te volgen. De uitschrijving van deze opleiding vond plaats ten tijde van de KOT-problemen, die in november/december 2013 begonnen. De Commissie acht het aannemelijk dat de traumatische ervaring in 2012 samen met de KOT-problemen voor belanghebbende hebben geleid tot een zodanig stressvolle situatie dat zij geen (psychische) ruimte meer had om haar studie in 2015 af te ronden. Het plaatsvinden van een traumatische gebeurtenis in 2012 sluit naar het oordeel van de Commissie niet uit dat daarnaast ook de KOT-problemen een aandeel hebben gehad in de stopzetting van de studie. De Commissie acht het voorts aannemelijk dat de KOT-problematiek het herstel van de mentale problemen bij belanghebbende naar aanleiding van de gebeurtenis in 2012 in de weg heeft gezeten. Indien meerdere gebeurtenissen hebben geleid tot het stopzetten van een studie kan de inkomensschade volgens het CWS-schadekader naar proportionaliteit worden berekend. De door UHT verzochte bewijsstukken, zoals studieresultaten, acht de Commissie niet van (doorslaggevend) belang nu dergelijke stukken niet inzichtelijk maken door welke oorzaak/oorzaken er met de studie is gestopt. UHT betwijfelt of de studie los van de KOT-problemen wel was afgerond en veronderstelt dat belanghebbende zich heeft ingeschreven louter om haar studiefinanciering te behouden. Het is een feit van algemene bekendheid dat de toeslagenaffaire een negatieve invloed heeft gehad op de levens van vele ouders. Het verhaal van belanghebbende acht de Commissie geloofwaardig en zij is gaan werken, zodra hiervoor weer ruimte was. Daarbij komt dat UHT voor het eerst op de hoorzitting om cijferlijsten van belanghebbende heeft verzocht. Dat is te laat omdat UHT belanghebbende in een onmogelijk “bewijspositie” heeft gebracht, hetgeen niet past binnen het ruimhartige karakter van de hersteloperatie en (als gezegd) de cijferlijsten geen inzicht geven over de causaliteit. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren en een bedrag van
€ 20.000 aan inkomensschade toe te kennen. Daarmee onderschrijft de Commissie de schatting van de schade door belanghebbende.

Immateriële schade

Bouwsteen A

Tijdens de hoorzitting bij de Commissie heeft UHT toegezegd dat er een bedrag van € 1.000 zal worden toegekend voor de schadepost ‘verdriet door verkoop sieraden’. Het totaalbedrag bij bouwsteen A komt daarmee uit op € 20.500. De Commissie neemt met instemming hiervan kennis.

Bouwsteen B

Belanghebbende betoogt om de schadeposten ‘verlies van gelijke kansen’ en ‘emotionele schade door inperking ouderschap’ mee te nemen bij bouwsteen B.

Belanghebbende stelt dat een stabiele leefomgeving ontbrak, wat essentieel is voor een kind om goed te presteren op school. Hierdoor was er volgens haar sprake van een verlies van gelijke kansen. Tijdens de hoorzitting heeft de zoon van belanghebbende verteld dat de thuissituatie moeilijk was, maar dat hij niet is blijven zitten en heeft doorgezet voor een goede toekomst. De Commissie vindt dit bewonderingswaardig en is tegelijkertijd van oordeel van er vanwege dit doorzettingsvermogen van de zoon geen sprake is van ‘verlies van gelijke kansen’. Dat de thuissituatie voor de zoon van belanghebbende moeilijk was, is erkend door CWS en UHT. Dit is dan ook verdisconteerd in het al toegekende forfaitaire bedrag van € 2.500 (ontoereikende waarborgen levensstandaard kinderen). De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

De Commissie overweegt daarnaast dat de schadepost ‘emotionele schade door inperking ouderschap’ ziet op situaties waarin er een ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing heeft plaatsgevonden. Tijdens de hoorzitting bij de Commissie heeft belanghebbende verteld dat dit gelukkig niet is gebeurd. Volgens belanghebbende ziet deze schadepost ook op de omstandigheid dat zij er niet kon zijn voor haar kinderen en dat haar moeder veel zorg op zich nam. De Commissie overweegt dat deze omstandigheid voldoende is meegenomen in het forfaitaire bedrag van € 2.500 en in de schadepost ‘vervangende opvangkosten’. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Vervangende opvangkosten

Belanghebbende betoogt om bij de berekening van de vervangende opvangkosten als einddatum de datum van de definitieve beschikking, te weten 2 september 2022, aan te houden. De Commissie constateert dat UHT het bezwaar op dit punt in de aanvullende beschouwing van 13 mei 2026 gegrond verklaart. De Commissie acht dit oordeel juist.

Proceskosten

Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en een aanvullende schadevergoeding tot te kennen in de lijn van de voorgaande overwegingen en het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter