Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16611

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 12 maart 2024 met kenmerk UHT-DCHOA

Hoorzitting: 24 maart 2026

Overdracht advies aan UHT: 28 mei 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag van 12 maart 2024.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2015 tot en met 2018.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 9 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2016 tot en met 2018. In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is het verzoek aangepast naar de jaren 2015 tot en met 2018.
  • UHT heeft met de beslissing van 19 februari 2024 aan belanghebbende kenbaar gemaakt dat voorlopig geen recht is op compensatie over de jaren 2015 tot en met 2018.
  • UHT heeft met de beschikking van 12 maart 2024 met kenmerk UHT-DCHOA (hierna: het bestreden besluit) aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2015 tot en met 2018.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 18 maart 2024 tegen het bestreden besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 12 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 24 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Op 7 april 2026 heeft UHT een aanvullende beschouwing ingebracht.
  • Gemachtigde heeft op 13 april 2026 op de aanvullende beschouwing gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie zal daarbij ingaan op het volgende:

  • De reguliere bijstelling van de KOT in toeslagjaar 2015;
  • De compensatieberekening met betrekking tot toeslagjaar 2016;
  • De vooringenomenheid als gevolg van tijdelijke nihilstelling van de KOT over de toeslagjaren 2017 en 2018.

De bijstelling van de KOT in toeslagjaar 2015

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2015 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering KOT over dit toeslagjaar was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. B/T heeft op basis van de doorgegeven informatie van de kinderopvanginstelling de hoogte van de KOT neerwaarts aangepast van € 3.115 naar € 2.899 omdat er minder opvanguren waren afgenomen. Deze informatie stemde overeen met de nadien ontvangen jaaropgave zodat de hoogte van de KOT met de beschikking van 26 januari 2018 definitief werd vastgesteld op € 2.899. Het voorschot en uiteindelijk de definitieve vaststelling van de KOT is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

De compensatieberekening met betrekking tot toeslagjaar 2016

De Commissie kan zich verenigen met het door UHT ingenomen standpunt, zoals uiteengezet in de beschouwing van 12 juni 2025, om belanghebbende voor het toeslagjaar 2016 alsnog te compenseren vanwege vooringenomenheid.

In de bijlage van de aanvullende beschouwing van 7 april 2026 heeft UHT een nieuwe compensatieberekening overgelegd. Belanghebbende heeft over deze nieuwe compensatieberekening geen opmerkingen meer gemaakt.

De Commissie adviseert UHT bij het nemen van de beslissing op bezwaar de nieuwe compensatieberekening als uitgangspunt te nemen en zo spoedig mogelijk tot betaling over te gaan.

De vooringenomenheid als gevolg van tijdelijke nihilstelling van de KOT over de toeslagjaren 2017 en 2018.

De Commissie ziet zich daarbij onder meer voor de vraag gesteld of een tijdelijke nihilstelling van de KOT, die het gevolg is van een fout van B/T en vervolgens is hersteld, kan worden aangemerkt als institutionele vooringenomenheid of hardheid in de zin van de Wht.

De Commissie stelt voorop dat op grond van artikel 2.1 Wht slechts aanspraak op compensatie bestaat indien sprake is van institutionele vooringenomenheid dan wel hardheid. Daarvan is sprake indien de belanghebbende daadwerkelijk schade heeft geleden als gevolg van structureel onzorgvuldig of onredelijk handelen van B/T.

Daarnaast biedt artikel 9.1 Wht ruimte voor een tegemoetkoming in geval van onbillijkheden van overwegende aard, waarbij eveneens vereist is dat sprake is van nadelige gevolgen voor de belanghebbende.

De Commissie leidt uit de onderliggende stukken af dat B/T, naar aanleiding van een bezwaar tegen de nihilstelling van 31 december 2018 met betrekking tot het toeslagjaar 2016, een zogenoemde stop/start heeft doorgevoerd. Als gevolg hiervan is de KOT voor de toeslagjaren 2017 en 2018 ten onrechte stopgezet en zijn op 5 april 2019 en 12 april 2019 nihilstellingsbeschikkingen aan belanghebbende verzonden. Deze fout is op 3 mei 2019 en 10 mei 2019 hersteld, waarna aan belanghebbende de eerdere bedragen van respectievelijk € 6.000 en €9.268 zijn toegekend.

De Commissie is van oordeel dat een tijdelijke nihilstelling van de KOT, die binnen korte tijd wordt hersteld en geen blijvende nadelige gevolgen heeft, in beginsel niet kan worden aangemerkt als institutionele vooringenomenheid of hardheid. Daarbij acht de Commissie van belang dat voor het aannemen daarvan sprake moet zijn van structureel dan wel anderszins ernstig verwijtbaar handelen van B/T, en niet van een incidentele fout die nadien is gecorrigeerd.

De Commissie is dan ook van oordeel dat een tijdelijke nihilstelling, die het gevolg is van een fout en binnen korte termijn wordt hersteld, op zichzelf onvoldoende is om aanspraak op compensatie te rechtvaardigen. Dit is slechts anders indien aannemelijk is dat deze nihilstelling heeft geleid tot concrete schade of een onbillijkheid van overwegende aard. Belanghebbende heeft geen aanknopingspunten gegeven waaruit dit volgt. De Commissie concludeert aldus dat weliswaar sprake is van een fout van B/T, maar dat deze fout geen ruimte biedt voor toekenning van compensatie op grond van de Wht.

Tijdens de hoorzitting van 24 maart 2026 is UHT verzocht om een nadere toelichting te geven op de vraag waarom B/T op 29 juli 2019 een aanmaning aan belanghebbende heeft verstuurd, terwijl met de beschikking van 10 mei 2019 de KOT was hersteld naar het eerder toegekende bedrag van € 9.268.

De Commissie is van oordeel dat UHT in de aanvullende beschouwing van 7 april 2026, met nadere informatie, overtuigend heeft toegelicht dat de aanmaning haar oorsprong vindt in de bijstelling van de KOT van € 13.646 naar € 9.173. Met de beschikkingen van 21 september 2018 en 21 november 2018 is de KOT neerwaarts bijgesteld waardoor er een terugvordering is van € 4.473. De aanmaning ziet dan ook op deze terugvordering en niet op het latere herstel van de KOT naar € 9.173.

De Commissie is voorts van oordeel dat belanghebbende door de aanmaning, in combinatie met de opsomming van openstaande vorderingen over de toeslagjaren 2016 tot en met 2018, door B/T niet op het verkeerde been kan zijn gezet ten aanzien van de nog openstaande vordering over het toeslagjaar 2018. In dit verband merkt de Commissie op dat de invordering van de bedragen van € 1.340, € 639 en € 7.629 over de toeslagjaren 2016 tot en met 2018 is gepauzeerd. In de aanvullende beschouwing heeft UHT toegelicht dat B/T met betrekking tot het toeslagjaar 2016 fouten heeft gemaakt en dat de daaruit voortvloeiende schulden daarom zoveel mogelijk worden kwijtgescholden. Het betreft onder meer betalingsachterstanden bij belastingen en schulden in verband met toeslagen, waaronder terugvorderingen van kinderopvangtoeslag en bijkomende kosten. Dit betekent dat de hiervoor genoemde schulden worden kwijtgescholden. De Commissie is van oordeel dat belanghebbende hiermee niet tekort wordt gedaan en dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven tot toepassing van de hardheidsregeling dan wel de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 9.1 Wht.

De bezwaargronden van belanghebbende treffen, gelet op het voorgaande, geen doel.

Proceskostenvergoeding

Nu het bestreden besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • Belanghebbende te compenseren voor toeslagjaar 2016 vanwege vooringenomenheid en de compensatieberekening die bij de beschouwing van 7 april 2026 is gevoegd als uitgangspunt te nemen;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter