BAC 2022-10776
Publicatiedatum 17-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 21 september 2022 en 3 augustus 2023 met kenmerken UHT-DC 1 A en UHT-DCHA
Overdracht advies aan UHT: 28 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve besluiten kinderopvangtoeslag (hierna: de bestreden besluiten).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) geen compensatie toegekend voor de jaren 2012, 2013 en 2018.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wht op 21 september 2022 voor het jaar 2014 een tegemoetkoming toegekend op basis van een onterechte opzet/grove schuld (hierna: O/GS) kwalificatie voor een bedrag van € 2.788. Dit bedrag is op grond van de Catshuisregeling aangevuld tot € 30.000.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 19 januari 2021 en 10 maart 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 tot en met 2014 en 2017 tot en met 2020. In overleg met belanghebbende zijn de te herbeoordelen jaren bepaald op de jaren 2005 tot en met 2019.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van de verzoeken van belanghebbende op 15 augustus 2022 en 13 juli 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat gedurende de jaren 2012 tot en met 2014 de compensatieregeling van artikel 49b van de Awir en de hardheidscompensatie van artikel 49 van de Awir niet van toepassing zijn. Voor het toeslagjaar 2014 komt belanghebbende wel in aanmerking voor een O/GS tegemoetkoming, omdat zij voor dat jaar ten onrechte is beticht van opzet/grove schuld. Voor het jaar 2018 heeft de CvW geoordeeld dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is.
- UHT heeft bij het besluit UHT-O OGS B aan belanghebbende voor het jaar 2014 een Opzet/Grove Schuld (hierna O/GS) tegemoetkoming toegekend van € 2.788 en deze aangevuld tot € 30.000 op grond van de Catshuisregeling. UHT heeft bij de bestreden besluiten UHT-DC 1 A en UHT-DCHA geen compensatie toegekend voor enig ander jaar.
- Gemachtigden hebben bij brieven van 17 augustus 2023 en 4 februari 2025 tegen deze besluiten (UHT-DCHA, UHT-DC I A en UHT-O OGS B) een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde [naam] heeft op 23 maart 2023 bij mailbericht het eerder ingediende bezwaar namens haar cliënt ingetrokken. Dit bericht hield o.m. in dat de jaren 2017 – 2020 alsnog zouden worden beoordeeld.
- UHT heeft op 3 december 2025 in haar beslissing op bezwaar (BOB) het bezwaarschrift tegen het besluit UHT-O OGS B niet-ontvankelijk verklaard.
- UHT heeft op 24 december 2025 schriftelijk gereageerd op de overige bezwaarschriften.
- Gemachtigde heeft bevestigd dat belanghebbende ervan af ziet om te worden gehoord.
- Gemachtigde is op 31 maart 2026 in de gelegenheid gesteld om een schriftelijke reactie te geven. Gemachtigde heeft op 5 mei een schriftelijke reactie ingediend.
- UHT heeft hier op 13 mei 2026 schriftelijk op gereageerd.
- De Commissie heeft het advies besproken in haar vergadering van 18 mei 2026.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is. Nu UHT het bezwaarschrift tegen het besluit UHT-O OGS B op 3 december niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar beslissing op bezwaar, zal de Commissie deze buiten beschouwing laten.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich voor de vraag gesteld of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor (met name) de jaren 2012, 2013 en 2018 af te wijzen.
Afwijzing compensatie 2012, 2013 en 2018
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2012, 2013 en 2018 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De Commissie constateert dat de neerwaartse correcties in deze jaren zijn gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen (gewijzigd toetsingsinkomen, doorgegeven wijzigingen en stopzetting KOT door ouder) opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel geen aanspraak op compensatie.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier in het geval van belanghebbende anders over te oordelen. Door UHT is de gang van zaken rond de (betwiste) stopzetting door belanghebbende op 8 januari 2018 nader onderzocht. Hiertoe heeft UHT een TVS-melding aangeleverd. Deze TVS-melding heeft evenmin aanknopingspunten opgeleverd voor de stelling dat deze stopzetting niet door of vanwege belanghebbende heeft plaatsgevonden. Er was in deze jaren ook geen sprake van onterechte kwalificaties O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Procedurele bezwaren: onvolledig dossier, ontbreken stukken en schending motiverings-en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende heeft in bezwaar gesteld dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel.
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder het informatie- en beoordelingsformulieren, RKT-bestanden, overzichten van het Landelijk Incassocentrum (hierna LIC) - en andere producties, meent de Commissie dat belanghebbende hiermee beschikt over de op de zaak betrekking hebbende stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit.
De Commissie heeft geen aanleiding gevonden om te concluderen dat belanghebbende in haar (proces)belangen is geschaad. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel ongegrond te verklaren.
FSV, O/GS en discriminatie
Gemachtigde heeft aangevoerd dat over de O/GS-kwalificatie en discriminatie geen algemene informatie te vinden is in het dossier. Ten aanzien van de FSV-check stelt gemachtigde dat dit een vast onderdeel betreft van het herstelproces en dat de onderliggende stukken overgelegd dienen te worden. De Commissie stelt vast dat uit de nadere beschouwing van UHT blijkt dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. Hiervan heeft UHT een afschrift overgelegd. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt.
De Commissie overweegt ten aanzien van de O/GS dat UHT in haar beschouwing heeft toegelicht dat geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie en heeft gesteld dat er in het dossier ook geen stuk is aangetroffen waarin een verzoek van belanghebbende tot het treffen van een betalingsregeling is neergelegd. Ook uit andere omstandigheden is deze stelling niet aannemelijk geworden. De Commissie geeft UHT in overweging bij de beslissing op bezwaar de betreffende schermafdrukken uit de B/T systemen beschikbaar te stellen met als doel het completeren van het dossier met alle op de zaak betrekking hebbende stukken.
Ten aanzien van discriminatie overweegt de Commissie dat van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie, uit de ter beschikking staande stukken niet is gebleken. De Commissie adviseert UHT de bezwaren ongegrond te verklaren.
Artikel 19 Awir
Belanghebbende heeft aangevoerd dat B/T in strijd met het destijds geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in het betreffende toeslagjaar. Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T overweegt de Commissie als volgt. De Commissie meent dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir op zichzelf, zonder andere bijkomende factoren, geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen. Het bezwaar is op dit punt ongegrond.
Informatie uit de KOI-viewer
Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de viewer in te vullen.
De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is. De Commissie adviseert UHT dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.
Registratie KOI
Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een kinderopvanginstelling (hierna: KOI) belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen. Met UHT stelt de Commissie vast dat in het geval van belanghebbende niet is gebleken van gebreken in de registratie van de KOI waarvan belanghebbende gebruik heeft gemaakt. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Omissies en niet toegekende KOT
Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS). De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beoordeling per toeslagjaar
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen, en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19). De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is.
Overige bezwaren
De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden. Voor wat betreft de andere jaren verwijst de Commissie naar de Integrale beoordeling voor de jaren 2005 t/m 2011, 2015 t/m 2017 en 2019 (blz 22-53 van het ouderdossier).
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter