BAC 2025-16173
Publicatiedatum 17-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 28 november 2023 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 2 april 2026
Overdracht advies aan UHT: 28 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door voormalig gemachtigde, ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag van 28 november 2023.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie of tegemoetkoming toegekend voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2016. Wel is er, naar aanleiding van de eerste toets, €30.000 op grond van de Catshuisregeling aan belanghebbende toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 22 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2010 tot en met 2013. In overleg met belanghebbende zijn ook de toeslagjaren 2014 tot en met 2016 herbeoordeeld.
- UHT heeft bij besluit van 28 mei 2021, met kenmerk UHT-B DMB2, aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft op 17 augustus 2023 aan UHT geadviseerd dat over de toeslagjaren 2010 tot en met 2016 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij voorlopige beslissing van 4 oktober 2023, met kenmerk UHT-VCH A, aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op één van de drie herstelregelingen.
- UHT heeft bij bestreden besluit van 28 november 2023, met kenmerk UHT-DCHOA, aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2016.
- Voormalig gemachtigde heeft bij brief van 15 februari 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 7 augustus 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Huidige gemachtigde heeft de Commissie op 4 februari 2026 geïnformeerd dat zij de nieuwe gemachtigde van belanghebbende is.
- Op 2 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
- Gemachtigde heeft op 7, 9 en 10 april 2026 aanvullende stukken ingediend. UHT heeft hier op 13 april 2026 op gereageerd door middel van een aanvullende beschouwing.
- Gemachtigde heeft op 14 april 2026 opnieuw aanvullende stukken gestuurd.
- UHT heeft op 20 april 2026 een tweede aanvullende beschouwing ingediend. Gemachtigde heeft hier op 5 mei 2026 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid of gemotiveerd, kan UHT naar het oordeel van de Commissie de gebreken herstellen aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.
Herbeoordeling toeslagjaren 2010, 2015 en 2016
In de toeslagjaren 2010, 2015 en 2016 is de KOT niet verlaagd. Om die reden kan er al geen sprake zijn van institutioneel vooringenomen handelen of hardheid.
Herbeoordeling toeslagjaren 2011 tot en met 2014
Volgens artikel 2.1, lid 1 van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT deed dit zich voor in de jaren 2011 tot en met 2014 nu belanghebbende in de jaren 2011, 2012 en 2013 geen gebruik maakte van geregistreerde kinderopvang. In december 2014 gingen de kinderen wel naar de kinderopvang, maar bestond er geen recht op KOT omdat belanghebbende en haar toeslagpartner geen doelgroeper waren.
Belanghebbende stelt dat haar ex-partner in 2013 niet bij haar woonde en dat zij student was. Ter onderbouwing heeft belanghebbende onder meer de volgende stukken overgelegd; een uittreksel van de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens van 24 september 2013, een uitnodiging voor de ex-partner van belanghebbende voor een intakegesprek voor de opleiding [naam opleiding] op 17 januari 2013, een aanmaning voor het lesgeld voor het schooljaar 2013-2014 bij [naam instelling] en het bericht van DUO van de hoogte van de studieschuld van belanghebbende op 1 januari 2014.
Belanghebbende stelt dat zij en haar ex-partner in 2014 beiden een opleiding volgden. Ter onderbouwing van haar studie heeft belanghebbende een bewijs van aanmelding bij [naam instelling] van 30 juli 2014, een verklaring van [naam instelling], een werkboek van schooljaar 2014-2015 en een betalingsverzoek van DUO, van 2 februari 2015, voor schooljaar 2014-2015 bij [naam instelling] overgelegd. Ten aanzien van de studie van haar ex-partner heeft belanghebbende zijn diploma van 29 augustus 2014 opgestuurd.
UHT acht het aannemelijk dat de ex-partner van belanghebbende in 2014 gestudeerd heeft, maar stelt dat niet is gebleken dat belanghebbende zelf een opleiding volgde in 2014. De overgelegde stukken duiden erop dat belanghebbende begin 2015 met de opleiding is gestart. Dit komt overeen met de systemen.
De Commissie overweegt als volgt. Belanghebbende heeft in haar ouderverhaal verklaard dat haar dochters in 2013 niet naar de kinderopvang gingen. Dit is eveneens gebleken uit het onderzoek dat B/T destijds heeft uitgevoerd. UHT heeft derhalve terecht geconcludeerd dat er geen recht op KOT bestond in 2013.
Uit de stukken die belanghebbende ten aanzien van 2014 heeft opgestuurd blijkt, op zichzelf noch in onderlinge samenhang bezien, niet dat belanghebbende in 2014 daadwerkelijk gestudeerd heeft. De stukken tonen slechts aan dat zij zich heeft ingeschreven voor een studie. Op basis van de stukken en hetgeen belanghebbende in het ouderverhaal heeft verklaard komt de Commissie tot de conclusie dat belanghebbende in februari 2015 met haar opleiding is gestart. In 2014 studeerde belanghebbende niet en werkte zij evenmin. De Commissie onderschrijft dan ook het standpunt van UHT dat er over 2014 geen recht op KOT bestond.
Volgens het eigen beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. De Commissie stelt vast dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor de jaren 2011 tot en met 2014 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Opzet/grove schuld
Voor de toeslagjaren 2011, 2012 en 2013 was er een terechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS). Voor de jaren 2010, 2014, 2015 en 2016 was er geen O/GS-kwalificatie. Nu niet gebleken is van een onterechte O/GS-kwalificatie is er ook geen aanspraak op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskosten
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding om een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter