BAC 2025-16474
Publicatiedatum 17-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 30 juli 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: n.v.t.
Overdracht advies aan UHT: 28 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 49.758,- voor de jaren 2009, 2011 en 2012 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2010, 2013 en 2014.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 14 november 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 tot en met 2013.
- UHT heeft bij besluit van 23 februari 2023 aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 2 juli 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1 lid 1 Wht niet van toepassing is voor de jaren 2010, 2013 en 2014.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €49.758,- voor de jaren 2009, 2011 en 2012 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2010, 2013 en 2014.
- Gemachtigde heeft bij brief van 27 augustus 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 16 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Bij e-mailbericht van 10 februari 2026 heeft de Commissie gemachtigde verzocht om binnen twee weken na datum daarvan per antwoordmail aan te geven of ook in deze zaak wordt afgezien van het recht te worden gehoord.
- Bij e-mailbericht van 17 februari 2026 heeft gemachtigde hierop geantwoord dat belanghebbende afziet van het houden van een hoorzitting. Zij verzoekt de Commissie om een nadere schriftelijke ronde in te lassen.
- Op verzoek van gemachtigde heeft de Commissie twee weken uitstel verleend voor het indienen van de aanvullende gronden. Gemachtigde heeft op 3 april 2026 de bezwaargronden aangevuld.
- UHT heeft daarop op 14 april 2026 gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet is geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2009, 2011 en 2012 op de juiste wijze heeft berekend en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2010, 2013 en 2014 af te wijzen.
Belanghebbende stelt dat zij onvoldoende beschikt over de onderliggende dossierstukken zodat zij geen goed beeld heeft van wat is beoordeeld en zij haar inhoudelijke bezwaren niet in volledigheid voor kan leggen. Zij verzoekt daarom om haar persoonlijk dossier.
De Commissie stelt vast dat de beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, inclusief de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (LIC), aan belanghebbende zijn toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen, en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders.
De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19). De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij meer schade heeft geleden dan aan haar is vergoed. De Commissie overweegt dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld op Home | Schadeherstel Toeslagen.
Artikel 19 Awir; onderzoeksplicht vooraf
Belanghebbende stelt dat B/T in strijd met het toen geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in de betreffende toeslagjaren. Verder betoogt belanghebbende, onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting ten aanzien van artikel 16 Awir, dat B/T een onderzoeksplicht vooraf had, op basis van tastbare gegevens, of aanspraak bestond op KOT voordat een voorschot KOT werd toegekend. Het niet voldoen aan deze onderzoeksplicht komt voor rekening van B/T; terugvordering mag dan niet meer.
De Commissie meent dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir op zichzelf, zonder andere bijkomende factoren, geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen. Voor zover moet worden uitgegaan van een onderzoeksplicht voor B/T zoals door belanghebbende is betoogd, geldt hiervoor naar de Commissie meent hetzelfde.
Belanghebbende stelt verder dat voor de jaren waarover zij bezwaar heeft gemaakt geen beslissing op bezwaar is genomen en dat om deze reden sprake is van vooringenomen handelen.
De Commissie stelt vast dat door belanghebbende bezwaar is ingediend tegen de vaststelling van de KOT over toeslagjaren 2009 en 2011. Over 2009 is wel een beslissing op bezwaar genomen, over 2011 niet. Dat had wel gemoeten. Voor beide jaren is belanghebbende gecompenseerd op basis van vooringenomenheid. Reeds om die reden kan het ontbreken van een beslissing op bezwaar voor 2011 niet het door belanghebbende beoogde gevolg hebben.
Gevolgen van de termijnoverschrijding door UHT
Belanghebbende heeft de Commissie verzocht om advies uit te brengen over de aan UHT op te leggen maatregelen vanwege de termijnoverschrijding bij het nemen van een beslissing op het bezwaar.
Het gevolg van een termijnoverschrijding is dat belanghebbende mogelijk recht heeft op een dwangsom. Hiertoe kan belanghebbende UHT in gebreke stellen en zo nodig in beroep gaan bij de bestuursrechter.
De Commissie heeft geen bevoegdheid hierover een advies uit te brengen, omdat dit valt buiten het kader van haar bevoegdheden als bedoeld in artikel 3 van de Instellingsregeling Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen.
De Commissie stelt vast dat uit het bezwaardossier (productie 1400001) blijkt dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid. De Commissie adviseert UHT wel om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar.
De Commissie overweegt dat zij in het kader van de hersteloperatie toeslagen niet de bevoegdheid heeft om te beoordelen of in het geval van een belanghebbende sprake is geweest van discriminatie. De compensatiebeschikking gaat namelijk uit van forfaitaire bedragen en houdt geen rekening met individuele omstandigheden. Bij de procedure om aanvullende vergoeding van werkelijke schade worden individuele omstandigheden wel meegewogen.
Onderliggende stukken O/GS-beoordeling
Gemachtigde verzoekt in het aanvullend bezwaarschrift om alle O/GS-stukken. Zij acht deze stukken van groot belang om een volledige beoordeling te kunnen maken.
Belanghebbende wordt in haar procesbelang geschaad doordat zij niet over de O/GS-stukken beschikt.
De Commissie meent dat belanghebbende recht heeft op de onderliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de O/GS-beoordeling. De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid Ergin die op 10 maart 2026 is aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) en waarin de Kamer heeft uitgesproken dat UHT standaard en actief inzage geeft in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545. Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.
Beoordeling compensatieberekening
Component a in de compensatieberekening (2009, 2011 en 2012)
Belanghebbende voert aan dat de toegekende KOT over de jaren 2009, 2011 en 2012 onjuist is berekend. Verzocht is aan UHT om dit na te rekenen. Afhankelijk van de uitkomst daarvan is component a wel of niet juist, aldus belanghebbende.
De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet betrekking heeft op de herziening van definitieve KOT-besluiten. Een beoordeling van de hoogte van de KOT over de betreffende jaren zoals indertijd vastgesteld, valt dus buiten de reikwijdte van de Wht.
Gelet op artikel 2.2 onder a Wht in samenhang met artikel 2.3 lid 1 Wht is de beschikking voorafgaand aan de vooringenomen beschikking uitgangspunt voor de berekening van de compensatie. De compensatieberekening gaat uit van forfaitaire bedragen, en niet van de benadering zoals door belanghebbende wordt betoogd.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Component o in de compensatieberekening (2009, 2011 en 2012)
De Commissie merkt op dat UHT in haar schriftelijke beschouwing van 16 september 2025 heeft opgemerkt dat de rentevergoeding voor gemiste KOT voor de jaren 2009, 2011 en 2012 (component o) in het voordeel van belanghebbende onjuist is berekend. De Commissie adviseert UHT om de bestreden beschikking op dit onderdeel in stand te laten.
Component f in de compensatieberekening (2011)
Belanghebbende stelt dat niet duidelijk is of component f voor toeslagjaar 2011 juist is vastgesteld.
UHT heeft in de beschouwing van 16 september 2025 een nadere toelichting gegeven op elk onderdeel van de compensatieberekening en de LIC-overzichten verstrekt.
De Commissie heeft op basis van deze gegevens geen aanknopingspunten kunnen vinden om te concluderen dat component f onjuist is vastgesteld. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Component m in de compensatieberekening (2011)
Met betrekking tot de post kosten van juridische hulp (component m) is aangevoerd dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding voor de juridische kosten.
Op grond van artikel 2.2, onderdeel f, in combinatie met artikel 2.3, zesde lid, van de Wht wordt een forfaitaire vergoeding toegekend voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, voor zover deze kosten niet eerder zijn vergoed.
De Commissie stelt aan de hand van de stukken in het dossier vast dat belanghebbende op 15 februari 2013 bezwaar heeft gemaakt tegen de stopbrief van B/T (zie pagina 39/40 en pagina 1015). Niet is gebleken dat belanghebbende voor het indienen van het bezwaar juridische hulp heeft gehad van een ter zake kundige gemachtigde. Gelet hierop komt belanghebbende niet in aanmerking voor een vergoeding voor juridische bijstand.
Deze bezwaargrond treft dan ook, gelet op het voorgaande, geen doel.
Component n in de compensatieberekening
Met betrekking tot de hoogte van het toegekende bedrag voor immateriële schade merkt de Commissie het volgende op. Op grond van artikel 2.3 lid 4 van de Wht is de vergoeding voor immateriële schade een forfaitaire vergoeding van € 500,- voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van een eerste besluit als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van het eerste besluit tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van een half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar. Het is op basis van de Wht niet mogelijk om af te wijken van deze systematiek en een hogere schadevergoeding toe te kennen.
Toeslagjaren 2010, 2013 en 2014, afwijzing compensatie
De Commissie overweegt dat ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht voor een compensatie in aanmerking komt de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T of hardheid van het stelsel.
Voor toeslagjaar 2010 is de KOT éénmaal neerwaarts bijgesteld. Dit is het gevolg van een telefonische melding op 24 maart 2010 waarbij de KOT is stopgezet per 10 april 2010 (productie 1210005). Belanghebbende betwist dat zij de stopzetting zelf heeft doorgegeven.
De Commissie overweegt dat belanghebbende heeft verklaard dat zij zich niet kan herinneren dat zij de opvang heeft stopgezet of wilde stopzetten. Het lijkt alsof er een gat van opvang is tussen april en augustus maar zij kan zich hier niks van herinneren. De kinderen zijn volgens de verklaring van belanghebbende wel in die periode van opvang gewisseld.
De Commissie stelt vast dat belanghebbende op 15 augustus 2010 weer KOT heeft aangevraagd per 1 augustus 2010 (productie 1210008) en dat dit ook is toegekend.
De Commissie stelt vast dat blijkens de BelTelMutatie (productie 1210005) op 24 maart 2010 de stopzetting van de KOT per 10 april 2010 telefonisch is doorgegeven en dat dit via FROBOS (een belastingdienst servicepunt) is gebeurd.
Gelet op de vermelding van het sofinummer van belanghebbende mocht B/T ervan uitgaan dat de stopzetting namens belanghebbende is gedaan, waarbij de Commissie ook in aanmerking neemt dat uit de overgelegde stukken met betrekking tot de opvang niet blijkt dat in de periode van 10 april tot 1 augustus 2010 wel sprake is geweest van opvang. Voor aanwijzingen van vooringenomen handelen of hardheid ziet de Commissie geen aanknopingspunten. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.
Belanghebbende stelt dat de nihilstelling van de KOT over toeslagjaar 2013 vooringenomen is geweest. In dat kader stelt zij dat zij de informatiebrieven van B/T niet heeft ontvangen.
De Commissie overweegt als volgt.
Uit de stukken volgt dat de uitvraagbrieven van 6 april 2015 (productie 1213003) en 6 mei 2015 (productie 1213004) waarbij informatie is opgevraagd over toeslagjaar 2013 zijn verzonden naar het bij B/T bekende adres van belanghebbende. Uit de voorhanden zijnde stukken blijkt dat de nihilstelling van 8 juni 2015 (productie 1213005) volgde naar aanleiding van de non-respons van belanghebbende op de uitvraag. In de stelling van belanghebbende dat zij deze brieven niet heeft ontvangen ziet de Commissie onvoldoende aanknopingspunten die maken dat er sprake kan zijn geweest van vooringenomen handelen door B/T.
Dat sprake zou zijn van hardheid omdat een bedrag van meer dan € 1.500,- aan de kinderopvanginstelling is uitbetaald en bij belanghebbende is teruggevorderd volgt de Commissie niet omdat blijkens het LIC-overzicht 2013 een bedrag aan KOT van € 1.268,- aan de kinderopvanginstelling is uitbetaald.
De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Ten aanzien van toeslagjaar 2014 is niet in geschil dat belanghebbende vooringenomen is behandeld door B/T; de KOT is bij besluit van 27 december 2013 verlaagd naar € 0,-omdat het type opvang (dagopvang) niet overeen zou komen met de leeftijd van kind 4. Dagopvang was echter nog toegestaan voor het kind, omdat hij nog vier jaar was en niet leerplichtig was tot zijn verjaardag op 23 mei 2014. Het stopzetten van de KOT zonder vooraf uitvraag te doen is daarom door UHT als vooringenomen aangemerkt.
Ondanks de vooringenomenheid stelt UHT dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor compensatie omdat zij dit jaar geen kinderopvang heeft afgenomen. Daarom heeft zij evident geen recht op KOT en evenmin op compensatie.
Belanghebbende heeft in het ouderverhaal aangegeven dat in 2014 geen opvang is afgenomen, maar stelt in bezwaar dat zij niet weet of haar herinnering op dit punt juist is.
De Commissie ziet in de enkele twijfel aan de herinnering van belanghebbende onvoldoende aanknopingspunten om te adviseren belanghebbende alsnog compensatie toe te kennen.
Daartoe neemt de Commissie ook in aanmerking dat belanghebbende niet heeft gesteld (en onderbouwd) dat haar kind niet al met de gebruikelijke leeftijd van vier jaar naar de basisschool is gegaan, en dat zij eerder heeft verklaard dat in 2014 geen opvang is afgenomen en dat de KOI-viewer (productie 1214004) voor dit jaar leeg is.
Gelet op deze omstandigheden adviseert de Commissie UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
De Commissie adviseert UHT om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie met betrekking tot FSV (FSV-printscreen) te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar en belanghebbende voorafgaand aan de beslissing op bezwaar inzage te geven in alle onderliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de O/GS-beoordeling.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter