BAC 2025-16502
Publicatiedatum 17-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 15 maart 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 28 januari 2026
Overdracht advies aan UHT: 28 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2016 tot en met 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 14 oktober 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). UHT heeft de jaren 2016 tot en met 2019 herbeoordeeld.
- UHT heeft bij besluit van 5 april 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2016 tot met 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 23 april 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 3 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 28 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 4 februari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 10 februari 2026 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen voor de jaren 2016 tot en met 2019.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
Belanghebbende heeft verzocht om het onderliggend dossier. De Commissie overweegt dat de beschouwing en de daaraan ten grondslag gelegde stukken zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT hiermee heeft voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.
Beoordeling afwijzing compensatie over toeslagjaren 2016 tot en met 2019 Belanghebbende betoogt dat zij gedupeerd is en recht heeft op een compensatie, omdat zij KOT terug heeft moeten betalen.
UHT stelt zich op het standpunt dat in de toeslagjaren 2016 tot en met 2018 geen verlagingen hebben plaatsgevonden. In toeslagjaar 2019 was sprake van een reguliere wijziging op basis van een gewijzigd toetsingsinkomen.
De Commissie stelt vast dat er in de toeslagjaren 2016 tot en met 2018 geen verlagingen hebben plaatsgevonden. Met betrekking tot toeslagjaar 2019 overweegt de Commissie dat zij geen aanknopingspunten heeft kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2019 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering KOT over het toeslagjaar 2019 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Het gaat om de verlaging van 21 september 2019 van €12.902,- naar €12.701,- (productie 1219005). Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Daarbij ging het om een verhoogd toetsingsinkomen van €21.900,- naar €26.422,- (productie 2800009).
Deze bijstelling is in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. Bovendien is de verlaging 2019 niet hoger dan €1.500,- waardoor belanghebbende niet in aanmerking komt voor een compensatie op basis van de hardheidsregeling.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen.
Er was in de jaren 2016 tot en met 2019 geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding (productie 1300001). De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Overige toeslagen en HZK-regeling
Gemachtigde stelt dat belanghebbende naast KOT ook huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebondenbudget heeft ontvangen. Hij stelt verder dat dat UHT niet alleen de Wht uitvoert, maar ook de Regeling huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebondenbudget (hierna: HZK-regeling). Deze regeling ziet op het gehele toeslagenstelsel en is volgens gemachtigde dus ook van toepassing op de andere toeslagen die belanghebbende heeft ontvangen. Gemachtigde verzoekt UHT om de situatie van belanghebbende met betrekking tot alle ontvangen toeslagen in de periode 2016 tot en met 2019 nader te onderzoeken.
De Commissie overweegt dat de HZK-regeling losstaat van de Wht. Met betrekking tot de herinneringen van belanghebbende dat zij KOT heeft moeten terugbetalen, overweegt de Commissie dat uit het dossier niet blijkt dat sprake is geweest van een dergelijke terugvordering. Omdat het verhaal van belanghebbende consistent voorkomt, is UHT op verzoek van de Commissie nagegaan of mogelijk sprake is geweest van terugvorderingen met betrekking tot andere toeslagen. Daarbij is gebleken dat inderdaad terugvorderingen hebben plaatsgevonden binnen andere toeslagregelingen. De Commissie hoopt dat deze constatering belanghebbende meer duidelijkheid geeft over de terugbetalingen. In deze bezwaarprocedure kan de Commissie geen oordeel geven over terugvorderingen of besluiten die betrekking hebben op andere toeslagen of andere procedures. De Commissie verzoekt UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Zorgvuldigheidsbeginsel, motiveringsbeginsel en evenredigheidsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat de bestreden besluiten onvoldoende zijn gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Daarnaast beroept belanghebbende zich op het evenredigheidsbeginsel. Voor zover de bestreden besluiten onzorgvuldig zijn voorbereid of gemotiveerd, kan UHT naar het oordeel van de Commissie de gebreken herstellen aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. Met betrekking tot het evenredigheidsbeginsel heeft de Commissie in de Wht geen aanknopingspunten gevonden die zouden moeten leiden tot de opvatting dat deze praktijk zich niet met die wet zou verdragen of anderszins in strijd zou komen met een wet in formele zin of een rechtsregel van hogere orde. Evenmin acht de Commissie plaats voor de opvatting dat deze praktijk een toets aan het evenredigheidsbeginsel niet zou kunnen doorstaan. Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter