BAC 2025-16727
Publicatiedatum 17-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 18 juni 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 4 maart 2026
Overdracht advies aan UHT: 28 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de compensatieberekening aan te passen en het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 18 juni 2024.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een definitieve compensatie toegekend van €5.068,- voor het jaar 2014 en een tegemoetkoming wegens een onterechte opzet/grove schuld-kwalificatie van €1.403,-voor het jaar 2013 (hierna: O/GS-tegemoetkoming). Aan belanghebbende is geen compensatie of tegemoetkoming toegekend voor de jaren 2010 tot en met 2012 en 2015 tot en met 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 6 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 tot en met 2019.
- UHT heeft bij besluit van 23 juni 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-. Dat bedrag is aan belanghebbende betaald.
- UHT heeft bij besluit van 18 juni 2024 met kenmerk UHT-DCHO (hierna: “het bestreden besluit”) aan belanghebbende een definitieve compensatie toegekend van €5.068,- voor het jaar 2014 en een tegemoetkoming wegens een onterechte opzet/grove schuld-kwalificatie van €1.403,- voor het jaar 2013. Aan belanghebbende is geen compensatie of tegemoetkoming toegekend voor de jaren 2010 tot en met 2012 en 2015 tot en met 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 17 oktober 2024, ingekomen op diezelfde datum, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 21 augustus 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 4 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 8 april 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend en daarbij ook de onderliggende O/GS-stukken overgelegd (producties 2800036 tot en met 2800044). UHT heeft deze beschouwing verder aangevuld met een notitie op 15 april 2026. Gemachtigde heeft daar op 30 april 2026 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Op de zaak betrekking hebbende stukken
De Commissie overweegt dat belanghebbende op grond van artikel 7:4, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht inzagerecht in haar dossier heeft en voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht heeft op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. UHT heeft gedurende deze procedure een bezwaardossier overgelegd met bijbehorende producties. De Commissie acht het aannemelijk dat belanghebbende daarmee beschikt over de op de zaak betrekking hebbende stukken.
Compensatieberekening
UHT heeft in reactie op het bezwaar van belanghebbende de compensatieberekening beoordeeld en vastgesteld dat de toeslagrente over gemiste KOT (component o in de compensatieberekening) over 2014 onjuist is. Het juiste bedrag is € 699,-. Nu het bezwaar van belanghebbende om deze reden deels gegrond is, dient de immateriële schade (component n) en de 1%-vergoeding over het totaal (component p) te worden aangepast.
De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en adviseert UHT het bezwaar tegen het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHO gedeeltelijk gegrond te verklaren, het betreffende besluit te herroepen en de compensatieberekening aan te passen zoals hiervoor omschreven. De Commissie is van oordeel dat de compensatie overigens juist is.
Afwijzing compensatie
De Commissie begrijpt dat de bezwaren van belanghebbende zijn gericht tegen de jaren 2010,2012 en 2013. Zij stelt voor die jaren recht te hebben op compensatie wegens vooringenomen handelen.
Ten aanzien van toeslagjaar 2010 heeft belanghebbende nog aangevoerd dat het dossier onvolledig is en dat het bezwaarschrift van belanghebbende is zoekgeraakt.
Ten aanzien van toeslagjaar 2013 heeft belanghebbende gesteld dat zij dient te worden gecompenseerd wegens vooringenomen handelen en niet, zoals is gebeurd, kan worden volstaan met een tegemoetkoming wegens een onterechte O/GS kwalificatie.
De overige jaren zijn niet in geschil.
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T of hardheid van het stelsel.
Toeslagjaar 2010
Belanghebbende heeft op 15 maart 2010 KOT aangevraagd voor 80 uren per maand bij GOB [naam GOB] met ingang van 22 maart 2010 (pagina 193 bezwaardossier). Die aanvraag is toegekend. Uit de stukken blijkt dat de KOT vervolgens éénmaal neerwaarts is bijgesteld (van 80 uren naar 35 uren per maand). Deze bijstelling (beschikking van 20 november 2012) is gedaan naar aanleiding van het door belanghebbende ingestuurde antwoordformulier van 1 augustus 2011 (pagina 197 e.v. bezwaardossier). Uit de meegezonden facturen over maart tot en met december blijkt een totaal van 321 uren opvang bij GOB [naam GOB] voor zoon [naam kind 1]. Dat aantal uren komt overeen met het door belanghebbende op het antwoordformulier ingevuld aantal, namelijk 321 uren (gastouder). Bij het kopje opvanguren kindcentrum en extra uren heeft belanghebbende “0” uren ingevuld zodat B/T ervan mocht uitgaan dat er naast het totaal aantal van 321 uren geen andere opvang is afgenomen.
Het standpunt van belanghebbende dat de KOT niet op grond van deze informatie is bijgesteld maar op basis van een onvolledig antwoordformulier, kan de Commissie niet volgen. Het door belanghebbende ingevulde en ondertekende antwoordformulier met de bijgevoegde facturen is duidelijk en volledig. B/T heeft de in het formulier verstrekte informatie overgenomen, hetgeen heeft geresulteerd in de hiervoor vermelde bijstelling van de KOT. Bij deze stand van zaken moet het ervoor worden gehouden dat dit een reguliere wijziging is. Dat belanghebbende hierdoor werd geconfronteerd met een aanzienlijke terugvordering van de KOT (immers in de aanvraag werd uitgegaan van 80 uren per maand en dat aantal is ook toegekend in de voorschotbeschikking, terwijl de wijziging uitging van 35 uren ) met alle gevolgen van dien en dat dit voor haar stressvol is geweest, is de Commissie duidelijk. Een en ander is echter inherent aan het wettelijke systeem waarin de KOT wordt toegekend als een voorschot, berekend aan de hand van een door de ouder ingediende aanvraag, dat daarna wordt bijgesteld aan de hand van gegevens die B/T ontvangt over de daadwerkelijke afname van opvang.
Belanghebbende heeft nog opgemerkt dat in de tijdlijn (pagina 23 bezwaardossier) een melding is opgenomen dat zij op 22 november 2010 opnieuw KOT heeft aangevraagd per 1 oktober 2010, hetgeen volgens haar duidt op een stopzetting van de KOT.
De Commissie vindt in het dossier echter geen informatie die wijst op een stopzetting van de KOT, ook geen beschikkingen die zijn afgegeven naar aanleiding van zo’n stopzetting. Daarom acht zij niet aannemelijk dat de KOT werd stopgezet en verbindt aan de melding in de tijdlijn geen gevolgen.
De Commissie concludeert dat niet is gebleken dat belanghebbende over 2010 vooringenomen is behandeld, noch dat is gebleken van bijzondere omstandigheden die wijzen op hardheid. Belanghebbende komt voor dat jaar niet in aanmerking voor compensatie. Dit onderdeel van het bezwaar kan daarom niet slagen.
Onvolledig dossier / zoekgeraakt bezwaarschrift
Belanghebbende heeft verder ten aanzien van het jaar 2010 zich op het standpunt gesteld dat het dossier incompleet lijkt en dat er mogelijk nog stukken in de ‘datakluis’ van B/T liggen. Bovendien is het bezwaarschrift dat belanghebbende destijds heeft ingediend zoekgeraakt.
De Commissie overweegt dat UHT in haar aanvullende beschouwing een uiteenzetting heeft gegeven van de verschillende contactmomenten tussen B/T en belanghebbende mede naar aanleiding van een klacht die belanghebbende heeft ingediend.
Hoewel het standpunt van belanghebbende dat het dossier incompleet lijkt invoelbaar is en zij bovendien geen bevredigend antwoord heeft gekregen op haar vraag waar het door haar ingediende bezwaarschrift is, meent de Commissie dat het ontbreken van deze stukken niet tot de conclusie kunnen leiden dat er sprake is van vooringenomenheid of hardheid, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
Toeslagjaren 2012 en 2013
Belanghebbende meent dat zij in deze jaren vooringenomen is behandeld. De KOT is neerwaarts bijgesteld op grond van gegevens uit de KOI-viewer zonder uitvraag te doen bij belanghebbende. Zij wijst in dit verband op de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 december 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:22666).
Uit de voorhanden stukken blijkt dat voor zowel 2012 als 2013 in de voorschotbeschikkingen is uitgegaan van 80 uren per maand voor ieder kind afzonderlijk ([kind 1] en [kind 2]). Vervolgens is de KOT bijgesteld. Voor 2012 volgt uit de gegevens in de KOI-viewer dat voor [kind 1] 34 uur opvang per maand werd afgenomen en voor [kind 2] 42 uur per maand (KOI-viewer pagina 335 en 337 bezwaardossier). Voor 2013 volgt uit de KOI-viewer het volgende: januari tot en met augustus 19 uur voor [kind 1], 32 uur voor [kind 2], september tot en met oktober voor [kind 1] 25 uur en voor [kind 2] 31 uur en ten slotte november en december voor [kind 1] 21 uur en voor [kind 2] 31 uur (KOI-viewer pagina 391 en 393 bezwaardossier). Aan de hand van deze gegevens heeft B/T de KOT bijgesteld. Dat is in relatie tot de toegekende aanvraag van 80 uren per maand een aanzienlijke bijstelling. Evenwel, de gegevens in de KOI-viewer zijn volledig, beide kinderen [kind 1] en [kind 2] zijn daarin opgenomen over het gehele jaar, zowel 2012 als 2013, en B/T beschikte niet over andere gegevens (bewijsstukken of verklaringen) die conflicteren met de gegevens in de KOI-viewer of twijfel wekken aan de juistheid daarvan. Bij deze stand van zaken is de Commissie van oordeel dat de bijstellingen niet vooringenomen zijn geweest. Belanghebbende heeft ten aanzien van toeslagjaar 2012 nog gewezen op een telefoonnotitie. Daaruit volgt dat zij heeft verzocht om een betalingsregeling en dat die werd geweigerd omdat B/T van opvatting was dat sprake was van ‘nalatigheid’ van belanghebbende (notitie 16 juni 2015, pagina 248 bezwaardossier). De term nalatigheid duidt er volgens belanghebbende op dat B/T haar een betalingsregeling weigerde op grond van de onterechte aanname dat zij opzettelijk of grofschuldig ten onrechte KOT had ontvangen.
UHT heeft in haar aanvullende beschouwing gereageerd op dit standpunt en toegelicht wat de achtergrond is van deze telefoonnotitie. De Commissie is van oordeel dat UHT met die toelichting aannemelijk heeft gemaakt dat de term ‘nalatigheid’ uit de telefoonnotitie ziet op de grote verschillen tussen de aanvankelijk in de aanvraag opgegeven opvanguren van 80 uur per maand en de daadwerkelijk afgenomen opvanguren (hiervoor bij de afzonderlijke jaren al aan de orde gesteld). Met het gebruik van de term werd dan niet meer en niet minder bedoeld dan tot uitdrukking te brengen dat als een ouder nalaat de in de aanvraag geclaimde opvanguren tijdig bij te stellen als de werkelijkheid daarvan afwijkt de negatieve gevolgen daarvan in de vorm van een terugvordering voor haar rekening komen.
Onderliggende O/GS-stukken
Ten slotte heeft UHT, daartoe door de Commissie verzocht, de stukken die ten grondslag liggen aan de onterechte O/GS-kwalificatie overgelegd (producties 2800036 tot en met 2800044). De Commissie meent dat UHT hiermee op dit punt voldoende inzicht heeft gegeven in de totstandkoming van de onterechte O/GS-kwalificatie.
Proceskostenvergoeding
Nu de bezwaren deels gegrond zijn en zullen moeten leiden tot herroeping van de bestreden beslissing met kenmerk UHT-DCHO, zal de Commissie UHT adviseren de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en hoorzitting). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bezwaar tegen het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHO gedeeltelijk gegrond te verklaren en het bestreden besluit te herroepen en om:
- de compensatieberekening over 2014 als volgt aan te passen:
- component o vast te stellen op €699,-;
- de einddatum van de vergoeding van immateriële schade vast te stellen op de datum van de beschikking op bezwaar;
- de aanvullende vergoeding van 1% opnieuw te berekenen;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter