Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16635

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 5 augustus 2024 (UHT-DCHO)

Overdracht advies aan UHT: 28 mei 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking kinderopvangtoeslag van 5 augustus 2024 (UHT-DCHO) (hierna: het bestreden besluit).
 
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend van € 14.478,- voor de jaren 2009 en 2010 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2005, 2006, 2007, 2008 en 2011.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 8 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 tot en met 2014. In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is deze periode uitgebreid naar de toeslagjaren 2005 tot en met 2011.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 21 juni 2024 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW is van oordeel dat de B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1 lid 1 Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2008 en 2011.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 14.478,- voor de jaren 2009 en 2010 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2005, 2006, 2007, 2008 en 2011.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 2 september 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 29 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft op 26 maart 2026 per brief bevestigd dat belanghebbende ervan afziet te worden gehoord op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft, na daartoe door de Commissie in de gelegenheid te zijn gesteld, op 21 april 2026 het bezwaarschrift aangevuld. UHT heeft daar, ondanks daartoe door de Commissie in de gelegenheid te zijn gesteld, niet op gereageerd.
  • De Commissie heeft op grond van artikel 7:3 onder c en d, van de Algemene wetbestuursrecht (hierna: Awb) afgezien van het horen van belanghebbende en adviseert op basis van de aan haar bekende stukken.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2009 en 2010 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2005 tot en met 2008 en 2011 af te wijzen.

Hoor en wederhoor

De Commissie constateert dat de belanghebbende, blijkens het gestelde op de eerste bladzijden van de aanvulling op het bezwaar van de gemachtigde, over het nut en het belang van een hoorzitting een opvatting heeft die afwijkt van de breed gedragen zienswijze van de Commissie. Dit advies is niet de juiste plaats voor een inhoudelijke discussie over het verschil van opvatting. De Commissie volstaat met een verwijzing naar hetgeen over het beginsel van hoor en wederhoor, zoals toegepast via de weg van een hoorzitting bij de Commissie, als hoeksteen van rechtsbescherming is opgetekend in ‘De waarde van hoor en wederhoor’, Jaarverslag 2025 van de Bezwaarschriften-adviescommissie Hersteloperatie Toeslagen.

De Commissie heeft ook kennisgenomen van de passages uit de aanvulling op het bezwaar van de gemachtigde over de planning van de (zeer vele) bezwaarprocedures bij de Commissie waarin zij als gemachtigde optreedt. De Commissie merkt op dat er overleg met de gemachtigde heeft plaatsgevonden. Op 15 februari 2026 heeft de gemachtigde laten weten dat het bij een welwillende houding van de Commissie ten aanzien van eventuele uitstelverzoeken goed zou moeten komen. Op 19 februari 2026 heeft de Commissie gesteld dat binnen redelijke grenzen incidentele uitstelverzoeken inderdaad niet zonder welwillendheid worden bezien.

Persoonlijk dossier

Belanghebbende voert in bezwaar aan dat zij niet beschikt over de volledige informatie, omdat zij niet de beschikking heeft over haar persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke reactie/beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Datakluis

Belanghebbende verzoekt om alle stukken uit de datakluis die haar direct of indirect raken, waarover de media berichtte op 15 april 2026, in het geding te brengen. De Commissie overweegt als volgt. De schriftelijke reactie/beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. Wanneer UHT tevens de onderliggende O/GS- en FSV-stukken aan belanghebbende zal doen toekomen, vindt de Commissie dat UHT heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom de stukken uit de genoemde datakluis moeten worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken uit de datakluis - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling per jaar

Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen, en voor andere jaren niet. Een selectie in jaren op basis van verlagingen of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders.

De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de memorie van toelichting op het desbetreffende wetsvoorstel is dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Kamerstukken II, 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19). De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) eenmaal vooringenomen heeft gehandeld of er eenmaal relevante bijzondere omstandigheden zijn geweest, acht de Commissie daarom in haar algemeenheid onjuist.

De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Verrekeningen en werkelijk geleden schade

Belanghebbende voert aan dat zij in aanmerking komt voor een compensatie van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de verrekeningen van de terugvorderingen met de nadien toegekende toeslagen (waaronder de toegekende KOT) en dat zij meer schade heeft geleden dan aan haar is vergoed. De Commissie overweegt dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden die zijn vermeld op www.schadeherstel.toeslagen.nl.

Gelet hierop adviseert de Commissie dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Definitieve berekening KOT.

Belanghebbende betwist de definitieve berekeningen van de KOT. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet betrekking heeft op de herziening van definitieve KOT-besluiten. Een herbeoordeling van de KOT, zoals deze indertijd definitief is vastgesteld, valt buiten de reikwijdte van de Wht.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Fraude Signaleringsvoorziening (hierna: FSV) en discriminatie

Gemachtigde heeft aangevoerd dat over de O/GS-kwalificatie en discriminatie geen algemene informatie te vinden is in het dossier. Ten aanzien van de FSV-check stelt gemachtigde dat dit een vast onderdeel betreft van het herstelproces en dat de onderliggende stukken overgelegd dienen te worden. De Commissie stelt vast dat uit het dossier blijkt dat belanghebbende inderdaad voorkwam op de FSV-lijst. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt. De Commissie geeft aan UHT in overweging om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar.

Ten aanzien van discriminatie overweegt de Commissie dat van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie, uit de ter beschikking staande stukken niet is gebleken.

De Commissie adviseert UHT de bezwaren op deze punten ongegrond te verklaren.

Stukken Opzet/Grove Schuld (hierna: O/GS)

Belanghebbende verzoekt om verstrekking van alle O/GS-stukken. De Commissie stelt vast dat zich in het dossier een stuk bevindt met de mededeling dat in het geval van belanghebbende geen sprake is van O/GS. De onderliggende stukken hoe deze vaststelling tot stand is gekomen ontbreken. De informatie op grond waarvan B/T heeft vastgesteld of belanghebbende in aanmerking komt voor compensatie, maakt onderdeel uit van de op de zaak betrekking hebbende stukken. B/T moet daarbij toelichten welke gegevensbronnen zijn geraadpleegd. Als de beoordeling van B/T (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over de belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet B/T die vaststelling onderbouwen door bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Naar het oordeel van de Commissie kan op grond van het dossier niet worden vastgesteld hoe de conclusie is getrokken dat geen sprake is van een O/GS. B/T heeft onvoldoende toegelicht in welke systemen is gezocht en welke resultaten daarin zijn aangetroffen. Nu deze stukken in het dossier ontbreken, kan niet worden vastgesteld dat B/T de benodigde kennis omtrent de relevante feiten heeft vergaard en berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering. De Commissie verwijst hierbij mede naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545 en de op 10 maart 2026 aangenomen motie van het lid Ergin (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 708, nr. 68). In zoverre slaagt de bezwaargrond.

Aan UHT wordt geadviseerd voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

Artikel 19 Awir

Belanghebbende heeft aangevoerd dat B/T in strijd met het destijds geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in het betreffende toeslagjaar. Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T overweegt de Commissie als volgt. De Commissie meent dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir op zichzelf, zonder andere bijkomende factoren, geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen.

Informatie uit de KOI-viewer

Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de viewer in te vullen. De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit volgt dat aan de juistheid van de informatie uit de KOI-viewer behoorde te worden getwijfeld.

De Commissie adviseert UHT dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.

Omissies/niet toegekende KOT

Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie O/GS. De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Geen vooringenomen handelen of hardheid

Uit de stukken in het dossier maakt de Commissie op dat de toekenning en/of aanpassing van de KOT voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2008 en 2011 zijn gebaseerd op door belanghebbende  zelf  doorgegeven  wijzigingen,  inkomenswijzigingen  en/of  op  de kinderopvanggegevens. Er zijn geen aanwijzingen dat die gegevens onjuist of onvolledig zijn.

Voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2008 geldt dat het definitief berekende KOT-bedrag gelijk is aan het voorschot. Er is voor deze toeslagjaren geen KOT teruggevorderd bij belanghebbende.

Voor het toeslagjaar 2011 geldt dat de opvang per 31 mei 2011 is gestopt. De hoogte van de KOT is daar op aangepast. Dit is een reguliere wijziging.

B/T heeft de wettelijke taak om te controleren of de KOT voorschotten in een gegeven toeslagjaar terecht zijn uitgekeerd en, zo niet, om eventueel te veel uitgekeerde bedragen terug te vorderen. B/T mag daarbij vertrouwen op bijvoorbeeld de inkomensgegevens van ouders zoals die in het systeem van de belastingdienst zijn verwerkt en de gegevens die ouders en kinderopvanginstellingen verstrekken.

De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning en/of aanpassing van de KOT voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2008 en 2011 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. Temeer nu er voor deze toeslagjaren geen KOT is teruggevorderd bij belanghebbende.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Compensatieberekening

De juistheid van de compensatieberekening is door gemachtigde betwist. Inmiddels beschikt belanghebbende over het bezwaardossier en heeft de zaaksbehandelaar van UHT bij de schriftelijke beschouwing de compensatieberekening toegelicht.

Uit de schriftelijke reactie van UHT volgt dat in de compensatieberekening door UHT fouten zijn gemaakt. UHT erkent dat bij de berekening van de rentevergoeding voor gemiste KOT (component o) fouten zijn gemaakt. UHT is bij de oorspronkelijke berekening uitgegaan van verkeerde data waardoor belanghebbende voor wat betreft beide toegewezen toeslagjaren meer compensatie heeft ontvangen dan waar zij recht op heeft. In verband met het verbod op verandering naar een slechtere positie op grond van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de berekening niet aangepast aangezien dit in het nadeel zou zijn van belanghebbende.

Nu de door UHT gemaakte fouten in het voordeel van belanghebbende zijn, adviseert de Commissie om de gemaakte berekening niet aan te passen en om ook dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Overige bezwaren

De Commissie komt bij de overige onderdelen van het bezwaar tot het oordeel dat deze, zowel op zichzelf als in onderling verband bezien, niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.

Proceskostenvergoeding

Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, heeft belanghebbende geen recht op een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. De Commissie adviseert UHT om dit verzoek af te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter