Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15793

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 11 april 2024 (UHT-DCHO)

Overdracht advies aan UHT: 28 mei 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag, met kenmerk UHT-DCHO, hierna aangeduid als de bestreden beschikking.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 37.452,- voor de maanden januari tot en met april 2008, oktober tot en met december 2008 en januari tot en met september 2009.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 22 december 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 tot en met 2012. Na overleg met belanghebbende zijn alleen de jaren 2007, 2008 en 2009 herbeoordeeld.
  • UHT heeft aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 29 maart 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende het jaar 2007 en de maanden oktober tot en met december 2009 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 37.326,-.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 37.425,-.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 10 mei 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 19 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift
  • Gemachtigde heeft bij brief van 29 januari 2026 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 24 februari 2026 schriftelijk gereageerd op het aanvullend bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij e-mail van 11 maart 2026 schriftelijk gereageerd op de aanvullende beschouwing.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet is geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend en of UHT op goede gronden geen compensatie heeft toegekend voor toeslagjaar 2007 en voor de maanden oktober tot en met december 2009.

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

Voor zover er sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kan dat in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie ziet niet in op welke wijze UHT het persoonlijk verhaal van belanghebbende – onder meer blijkenduit het beoordelingsformulier – onvoldoende in kaart heeft gebracht.

Onvolledig dossier/persoonlijk dossier

Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan slechts anders zijn als belanghebbende een aanknopingspunt geeft voor de aanname dat dit niet het geval is. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid met de stukken in het persoonlijk dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Artikel 19 Awir

Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de KOT, maar dat niet heeft gedaan. De Commissie is van oordeel dat deze grief – wat daar verder van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.

Omissies/niet toegekende KOT

Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT, zoals indertijd definitief vastgesteld, te beoordelen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS). De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling per toeslagjaar

Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen, en voor andere jaren niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19). De Commissie leidt hieruit af dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren.

Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als in enig voorafgaand jaar vooringenomen werd gehandeld door B/T of bijzondere omstandigheden zich voordeden, acht de Commissie daarom onjuist. De Commissie adviseert dit deel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Informatie uit de KOI-viewer

Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om gegevens in de viewer in te vullen. De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die gerede twijfel wekken aan de juistheid van die informatie. Belanghebbende heeft geen feiten en/of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat de juistheid van de informatie uit de KOI-viewer in twijfel moet worden getrokken. Deze bezwaargrond treft geen doel.

FSV-lijst

De Commissie stelt vast dat uit het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid. De Commissie acht het onwenselijk dat UHT kennelijk niet bevoegd is om het FSV-systeem zelfstandig te raadplegen als daar aanleiding voor is. In het kader van de gewenste voortgang in het herstelproces volstaat de Commissie met deze constatering. Wel adviseert zij UHT om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar.

O/GS

UHT heeft in de schriftelijke beschouwing, onder verwijzing naar productie 2700004 (pagina 367 van het dossier), toegelicht dat geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie en gesteld dat er in het dossier geen stuk is aangetroffen waarin een verzoek van belanghebbende tot het treffen van een betalingsregeling is neergelegd. Ook uit andere omstandigheden is niet aannemelijk geworden dat belanghebbende zodanig verzoek heeft gedaan. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Discriminatie

De Commissie overweegt dat zij in het kader van de hersteloperatie toeslagen niet de bevoegdheid heeft om te beoordelen of in het geval van een belanghebbende sprake is geweest van discriminatie. De compensatiebeschikking gaat uit van forfaitaire bedragen en houdt geen rekening met individuele omstandigheden. Bij de Commissie Werkelijke Schade worden deze individuele omstandigheden wel meegewogen en kan een vergoeding worden toegekend voor ervaren discriminatie.

Bezwaarprocedures

Belanghebbende stelt verder dat voor de jaren waarover zij bezwaar heeft gemaakt geen beslissing op bezwaar is genomen en dat om deze reden sprake is van vooringenomen handelen. De Commissie overweegt dat uit de voor haar voorhanden stukken niet is gebleken dat belanghebbende destijds een bezwaar heeft ingediend. Deze bezwaargrond treft daarom geen doel.

Registratie KOI

Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een kinderopvanginstelling (hierna: KOI) belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen. De Commissie constateert dat in het geval van belanghebbende niet is gebleken van gebreken in de registratie van de KOI waarvan belanghebbende gebruik heeft gemaakt. De Commissie adviseert UHT derhalve dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2007

Ten aanzien van het toeslagjaar 2007 overweegt de Commissie als volgt. Uit het dossier blijkt niet dat belanghebbende voor dat toeslagjaar KOT heeft aangevraagd. Evenmin blijkt dat voor 2007 beschikkingen KOT zijn vastgesteld. Reeds daarom bestaat geen grond voor compensatie over dat jaar. Voor compensatie is immers vereist dat sprake is van een aanvraag voor KOT. Nu een dergelijke aanvraag ontbreekt, kan over 2007 geen aanspraak op compensatie bestaan. Daar komt bij dat uit het dossier geen aanknopingspunten geeft dat in 2007 gebruik is gemaakt van kinderopvang op basis waarvan aanspraak op KOT had kunnen worden gemaakt. Voor zover belanghebbende aanvoert dat uit het ontbreken van gegevens in de systemen moet worden afgeleid dat sprake is geweest van vooringenomen handelen, volgt de Commissie dat standpunt niet. Nu geen aanvraag voor KOT over 2007 is gedaan en ook geen beschikkingen over dat jaar zijn genomen, ontbreken aanknopingspunten om aan te nemen dat de B/T ten aanzien van dit toeslagjaar vooringenomen heeft gehandeld. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2008 (voor zover een herstelmaatregel is toegekend)

De Commissie overweegt dat belanghebbende vanaf 1 mei 2008 KOT heeft aangevraagd. Dit betekent dat een eventuele aanspraak op compensatie pas kan starten vanaf 1 mei 2008. De Commissie constateert dat voor de periode mei tot en met september 2008 de KOT weliswaar verlaagd is, maar dat dit verband hield met het ontbreken van een geldige VOG van de gastouder tot 12 september 2008. Dit mocht belanghebbende niet worden tegengeworpen, maar dat maakt niet dat de correctie om die reden als vooringenomen handelen moet worden aangemerkt. Wel kan in dit soort gevallen compensatie worden toegekend op basis van de hardheidsregeling, vermits ook is voldaan aan de overige voorwaarden. De Commissie overweegt dat daarvan in dit geval sprake is. Nu niet gebleken is dat belanghebbende over de periode mei tot en met september 2008 geen recht had op KOT, is zij over deze periode terecht gecompenseerd omdat het stelsel te hard heeft uitgepakt. Omdat belanghebbende de bezwaargronden die betrekking hebben op dit onderwerp niet kan bereiken dat zij een hoger compensatiebedrag ontvangt, adviseert de Commissie UHT om dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2008 (voor zover geen herstelmaatregel is toegekend)

De Commissie constateert dat de KOT over 2008 ambtshalve is verlaagd naar nihil, omdat volgens B/T niet volledig met bewijsstukken is gereageerd op informatieverzoeken. Omdat uit de systemen echter niet blijkt dat belanghebbende voldoende gelegenheid heeft gekregen het recht op KOT over de periode oktober tot en met december 2008 aan te tonen, is voor die periode compensatie toegekend wegens vooringenomen handelen.

Toeslagjaar 2009 (voor zover een herstelmaatregel is toegekend)

Voor de maanden januari tot en met september 2009 is belanghebbende gecompenseerd wegens vooringenomen handelen door B/T. In bezwaar voert belanghebbende aan dat bij de berekening van de immateriële schadevergoeding (component n) een onjuiste startdatum is vastgesteld. De gehanteerde startdatum is 25 juni 2009. Dit betreft een interne melding die niet extern wordt gecommuniceerd en vooraf gaat aan een stopbrief of neerwaartse beschikking. De datum van de eerste onterechte neerwaartse beschikking is 30 september 2009. De startdatum is dus inderdaad onjuist vastgesteld, maar in het voordeel van belanghebbende. Belanghebbende voert verder aan dat zij recht heeft op een vergoeding voor juridische hulp bij het opstellen van een bezwaar. Hiervoor geldt de voorwaarde dat die juridische hulp verleend moet zijn door iemand die beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Nu daarvan niet is gebleken, kan belanghebbende geen aanspraak maken op vergoeding van deze kosten. De Commissie adviseert het bezwaar op deze punten ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2009 (voor zover geen herstelmaatregel is toegekend)

Ten aanzien van de periode oktober tot en met december 2009 overweegt de Commissie dat de KOT over deze periode op nihil is gesteld, omdat volgens B/T niet is gereageerd op een vraagbrief. Uit het dossier blijkt echter niet voldoende duidelijk of B/T voorafgaand aan de nihilstelling op correcte wijze informatie heeft uitgevraagd en belanghebbende voldoende gelegenheid heeft geboden om het recht op KOT over deze periode aan te tonen. Dat wijst op vooringenomen handelen van B/T. De Commissie overweegt echter dat daarmee nog niet zonder meer recht op compensatie bestaat. Als sprake is van vooringenomen handelen, moet vervolgens worden beoordeeld of sprake is van een ernstige onregelmatigheid die aan toekenning van compensatie in de weg staat. Daarvan kan sprake zijn als evident geen recht op KOT bestond. De Commissie constateert dat voor aanspraak op KOT gekwalificeerde kinderopvang moet zijn afgenomen. Uit de systemen van B/T blijkt echter niet van een jaaropgave of andere bewijsstukken waaruit volgt dat in de periode oktober tot en met december 2009 gekwalificeerde kinderopvang heeft plaatsgevonden. Ook zijn geen KOI-gegevens beschikbaar die dit aannemelijk maken. Daarbij komt dat belanghebbende heeft verklaard zich niet te kunnen herinneren tot wanneer gebruik is gemaakt van kinderopvang. De Commissie overweegt daarom dat niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende in de periode oktober tot en met december 2009 recht had op KOT. Ook uit de aanvullende schriftelijke reactie blijkt niet van concrete aanknopingspunten waaruit volgt dat B/T destijds in redelijkheid aan de nihilstelling had moeten twijfelen of dat nu aannemelijk is geworden dat over deze periode recht op KOT bestond. De Commissie overweegt daarom dat belanghebbende geen aanspraak heeft op compensatie wegens vooringenomen handelen over de periode oktober tot en met december 2009. De Commissie adviseert UHT om dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.

Vergoeding aanvullende schade

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de compensatie ontoereikend is voor de door haar geleden immateriële schade. De Commissie overweegt dat de Wht twee gescheiden compensatietrajecten kent. Zo bevat de Wht een (deels forfaitaire) compensatie voor een aantal limitatief opgesomde schadeposten en de hoogte daarvan. Dit is geregeld in de artikelen 2.2 en 2.3 van de Wht. Als een aanvrager van compensatie meer schade heeft geleden dan op grond hiervan wordt vergoed, kan om een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade worden verzocht. Dit is geregeld in artikel 2.1, derde lid, van de Wht. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat het een bewuste keuze van de wetgever is geweest om de procedure van compensatie en de aanvullende compensatie te scheiden. Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van genoemde forfaitaire (standaard)vergoedingen en niet op de vergoeding van eventuele hogere werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bestemd voor de vergoeding van de werkelijke schade. Gelet hierop adviseert de Commissie dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Overige bezwaren

De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter