Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12488

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 7 december 2022 (UHT-DCHA) en 26 januari 2023 (UHT-O OGS B)

Hoorzitting: 15 april 2026

Overdracht advies aan UHT: 27 mei 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om vergoeding van de proceskosten af te wijzen.

Onderwerp van advies

De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag van 7 december 2022 (UHT-DCHA) en 26 januari 2023 (UHT-O OGS B) (hierna: de bestreden besluiten).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2013 tot en met 2015 (UHT-DCHA). Aan belanghebbende is wel een tegemoetkoming toegekend wegens een onterecht opzet/grove schuld kwalificatie (hierna: O/GS-tegemoetkoming) over de jaren 2013 tot en met 2015 voor een bedrag van € 8.725,- (UHT-O OGS B).

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 21 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2013 tot en met 2015.
  • UHT heeft bij besluit van 23 februari 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-. Dat bedrag is aan belanghebbende betaald.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 20 oktober 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat gedurende de jaren 2013 tot en met 2015 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij besluit van 7 december 2022 met kenmerk UHT-DCHA aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2013 tot en met 2015.
  • UHT heeft bij besluit van 26 januari 2023 met kenmerk UHT-O OGS B aan belanghebbende wel een O/GS-tegemoetkoming toegekend van € 8.725,- voor de jaren 2013 tot en met 2015.
  • Gemachtigde heeft bij brieven van 18 januari 2023 en 6 maart 2023 bezwaarschriften ingediend tegen de bestreden besluiten.
  • UHT heeft op 12 mei 2025 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
  • Op 15 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd. Voorafgaand aan de hoorzitting heeft gemachtigde een schriftelijke pleitnota ingestuurd die aan het dossier is toegevoegd.
  • Gemachtigde heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 28 april een nadere schriftelijke reactie ingediend. UHT heeft daar op 19 mei 2026 op gereageerd en daarbij enkele producties overgelegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel / onvolledig dossier

Belanghebbende voert aan, samengevat, dat de bestreden besluiten onvoldoende zijn gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. Belanghebbende meent ook dat het dossier dat zij heeft ontvangen onvolledig is.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de stelling van belanghebbende dat de motivering van de bestreden besluiten onvolledig moet worden geacht of dat de bestreden besluiten onzorgvuldig zijn voorbereid.

De Commissie constateert dat UHT in bezwaar een schriftelijke beschouwing heeft ingediend, waarin UHT een aanvullende uitgebreide uitleg heeft gegeven met behulp van het informatie- en beoordelingsformulier, overzichten van het Landelijk Incassocentrum (hierna: “LIC”) en overige producties. Naar het oordeel van de Commissie zijn de bestreden besluiten hierdoor thans in ieder geval voorzien van een kenbare motivering.

Voorts overweegt de Commissie dat de schriftelijke beschouwing en het ouderdossier op 23 juli 2025 aan gemachtigde zijn gezonden. Gemachtigde en belanghebbende hebben hierdoor kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden besluiten en zij hebben de gelegenheid gehad om daarop te reageren. Uit de stellingname van belanghebbende volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde ouderdossier nog stukken zouden ontbreken die van belang zijn voor de door UHT genomen besluiten. Van enige schending van het bepaalde bij artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dan ook niet gebleken. De door belanghebbende in dit verband ontwikkelde bezwaren kunnen dus niet tot het door haar gewenste doel leiden.

Afwijzing compensatie

Belanghebbende voert verder aan, samengevat, dat zij ten onrechte niet is gecompenseerd over de jaren 2013 tot en met 2015.

De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T of hardheid van het stelsel. Toekenning van compensatie blijft op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Daarvan is onder meer sprake als evident geen recht op KOT bestond.

Toeslagjaar 2014

Uit de voorhanden stukken is de Commissie gebleken dat de vraag of B/T het recht op KOT over het jaar 2014 ten onrechte heeft stopgezet, reeds is beantwoord in een tussen belanghebbende en B/T gevoerde procedure. In die procedure oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) in een onherroepelijke uitspraak van 13 februari 2019 (kenmerk 201803143/1/A2) dat B/T de KOT over het jaar 2014 terecht heeft stopgezet omdat belanghebbende niet heeft aangetoond dat zij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt en wat de hoogte daarvan is.

Toeslagjaren 2013 en 2015

Ten aanzien van het jaar 2013 heeft de Afdeling eveneens een onherroepelijke uitspraak gedaan in het hoger beroep van belanghebbende. In die uitspraak van 29 november 2017 (kenmerk 201701452/1/A2) bevestigde de Afdeling het eerdere oordeel van de rechtbank (uitspraak van 30 december 2016, pagina 121 e.v. van het bezwaardossier) dat belanghebbende over het jaar 2013 niet heeft aangetoond hoeveel uren haar partner heeft gewerkt en dat B/T om die reden de KOT over het jaar 2013 terecht op nihil heeft gesteld.

Ten aanzien van het jaar 2015 heeft B/T de KOT op nihil gesteld omdat belanghebbende ook over dat jaar niet met stukken heeft aangetoond dat zij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt en wat de hoogte daarvan is. Voor het jaar 2015 heeft de rechtbank Den Haag in een uitspraak van 22 februari 2018 (zaaknummer 17/2478) het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift buiten de beroepstermijn is ingediend.

Ter zitting is besproken dat – hoewel sprake is van onherroepelijke uitspraken – UHT desondanks bereid is om nogmaals naar de zaak te kijken, aan de hand van mogelijk nog door belanghebbende te achterhalen stukken omtrent door haar gemaakte kosten voor opvang over de jaren 2013, 2014 en 2015. Na de hoorzitting heeft gemachtigde een verklaring van belanghebbende ingebracht. In die verklaring schetst belanghebbende de interne problematiek binnen de [naam bedrijf], handelend onder de naam [naam KOI] in Wateringen. Deze kinderopvang is echter een andere dan die welke is vermeld in de KOT-aanvraag over de betreffende toeslagjaren. Daarnaast blijkt uit de onderhanden stukken niet dat over de toeslagjaren 2013 tot en met 2015 kosten zijn gemaakt voor opvang. UHT heeft in de aanvullende verklaring van belanghebbende hierom geen aanleiding gezien om tot een ander standpunt te komen. De Commissie ziet geen aanleiding om hier anders over te adviseren.

Bij deze stand van zaken en uitgaande van de hiervoor genoemde onherroepelijke uitspraken van de Afdeling en de rechtbank Den Haag ziet de Commissie geen aanknopingspunten voor compensatie van belanghebbende over de jaren 2013 tot en met 2015. Dit onderdeel van het bezwaar slaagt daarom niet.

Overige bezwaren

Betaling O/GS-tegemoetkoming

Belanghebbende stelt dat de O/GS-tegemoetkoming van € 8.725,- ten onrechte is verrekend met het aan haar uitbetaalde bedrag van € 30.000,- (“Catshuisregeling”).

De Commissie overweegt dat belanghebbende ambtshalve een vast (“forfaitair”) bedrag van € 30.000,- heeft ontvangen. Toekenning van dit bedrag betekent niet dat belanghebbende per definitie recht heeft op toepassing van de compensatieregeling of de O/GS-tegemoetkomingsregeling. Op grond van de artikelen 2.1 lid 5 en 2.6 lid 4 van de Wht blijven compensatie, aanvullende compensatie voor de werkelijke schade, een O/GS-tegemoetkoming en een aanvullende O/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade onder meer achterwege voor zover een vergoeding of tegemoetkoming op een andere wijze is uitbetaald. Het forfaitaire bedrag van € 30.000,- dat op grond van artikel 2.7 lid 1 van de Wht is toegekend, is een voorbeeld van een dergelijke vergoeding of tegemoetkoming (Kamerstukken II 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 79). De aan belanghebbende toegekende O/GS-tegemoetkoming is terecht verrekend met het eerder toegekende en betaalde forfaitaire bedrag van € 30.000,-. Dit bezwaar kan daarom niet slagen.

Werkelijke schade

Belanghebbende betoogt dat zij meer schade heeft geleden dan aan haar is vergoed. De KOT-problematiek heeft grote impact gehad op het leven van belanghebbende en haar gezin. Zij is inmiddels gescheiden van haar partner.

De Commissie betreurt dit, maar overweegt dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld in www.schadeherstel.toeslagen.nl.

Overig

De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze geen doel treffen of niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert de bestreden besluiten te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter