BAC 2025-16254
Publicatiedatum 13-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 9 april 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 9 april 2026
Overdracht advies aan UHT: 27 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren in de onderhavige zaak gedeeltelijk gegrond te verklaren, het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHOA deels te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag (hierna: het bestreden besluit).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 tot en met 2013.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 30 maart 2021 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008 tot en met 2012. In overleg met belanghebbende is deze periode gewijzigd in 2010 tot en met 2013.
- De Commissie van Wijzen heeft UHT op 25 maart 2024 geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2010 tot en met 2013.
- Gemachtigde heeft bij brief van 20 mei 2024, ingekomen op 20 mei 2024, tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
- UHT heeft op 6 augustus 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bij brief van 30 maart 2026, ingekomen op 30 maart 2026, het bezwaarschrift aangevuld.
- Op 9 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 22 april 2026 een nadere schriftelijke beschouwing ingediend. Gemachtigde heeft daar op 7 mei 2026 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2013 toe te kennen, af te wijzen.
Onvolledig dossier/OGS
Belanghebbende stelt dat UHT geen stukken aan belanghebbende heeft overgelegd waaruit blijkt hoe UHT tot de slotsom is gekomen dat er bij belanghebbende geen onterechte kwalificatie wegens O/GS is vastgesteld.
De Commissie overweegt dat in de onderhavige procedure de (wijze van) vaststelling dat geen sprake was van O/GS aan de orde is geweest. Belanghebbende heeft gesteld dat zij deze constatering nader toegelicht wil hebben met onderbouwende stukken.
De Commissie acht het onvoldoende dat door UHT in dit verband uitsluitend wordt verwezen naar productie 1300001 in het dossier, waarin slechts de vaststelling ‘geen O/GS’ te lezen is maar niet hoe tot deze vaststelling is gekomen. De Commissie is van oordeel dat belanghebbende recht heeft op de onderliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan deze beoordeling. De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid van de Tweede Kamer Ergin die op 10 maart 2026 is aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68), waarin de Kamer heeft uitgesproken dat UHT standaard en actief inzage geeft in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen.
Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NKL:RBROT:2026:1545. Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om belanghebbende voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de vaststelling dat geen O/GS-kwalificatie bestaat en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.
Betalingsregeling en verrekening
Belanghebbende stelt dat belanghebbende dwangbevelen kreeg van B/T en dat er op zeker moment loonbeslag werd gelegd op haar inkomen. Omdat belanghebbende geen betalingsregeling met B/T kon treffen werden er door B/T bedragen verrekend met andere toeslagen.
Uit het ouderdossier is niet gebleken dat op enig moment door betrokkene om een betalingsregeling is verzocht. In artikel 30 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (AWIR) staat dat B/T bevoegd is tot het verrekenen van toeslagen. Wat betreft het verrekenen van toeslagen gold voor de toeslagjaren van voor 2021 dat er door B/T geen rekening hoefde te worden gehouden met de beslagvrije voet.
Zelfs indien belanghebbende schade zou hebben geleden ten gevolge van deze verrekeningen kan dat niet leiden tot toekenning van (een hogere) compensatie. De elementen die UHT bij de berekening van de compensatie in aanmerking neemt zijn vastgesteld in de Wet hersteloperatie toeslagen. Het feit dat B/T verrekeningen heeft toegepast, is niet een van die elementen. De Commissie adviseert UHT daarom om het bestreden besluit op dit punt in stand te laten.
Vooringenomenheid, hardheid en O/GS
Belanghebbende stelt dat zij vooringenomen is bejegend met betrekking tot de toeslagjaren 2010, 2011, 2012 en 2013 en stelt dat zij ten onrechte niet is gecompenseerd over deze jaren.
Toeslagjaren 2010 en 2011
In de aanvullende beschouwing van 22 april 2026 heeft UHT alsnog het standpunt ingenomen dat belanghebbende over de jaren 2010 en 2011 in aanmerking komt voor een compensatie op grond van vooringenomen handelen. Er bestond recht op KOT omdat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat er in die jaren sprake was van gekwalificeerde opvang. De Commissie onderschrijft dit standpunt en adviseert UHT het bezwaar ten aanzien van deze jaren gegrond te verklaren en belanghebbende alsnog compensatie toe te kennen.
Toeslagjaren 2012 en 2013
Bij beschikking van 6 maart 2015 werd het recht op KOT voor 2012 verlaagd en definitief vastgesteld op € 0.
In de aanvullende beschouwing heeft UHT zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende over de jaren 2012 en 2013 geen recht heeft op KOT omdat haar kind (geboren op 27 oktober 2007) toen ouder dan vier jaar was en belanghebbende daarom geen recht meer had op KOT voor dagopvang. Belanghebbende heeft nooit KOT voor buitenschoolse opvang aangevraagd en ook niet aannemelijk gemaakt dat haar kind in 2012 of 2013 buitenschoolse opvang heeft genoten.
De Commissie overweegt als volgt. In 2012 en 2013 was het kind van belanghebbende vier jaar oud. Uit de in het ouderdossier aanwezige informatie blijkt niet dat het kind van belanghebbende in dit toeslagjaar naschoolse kinderopvang heeft genoten. Dit is weliswaar wel door belanghebbende gesteld, maar niet door haar aannemelijk gemaakt.
De door belanghebbende overgelegde verklaring van de gastouder dat er over de toeslagjaren 2010 tot en met 2013 kinderopvang is afgenomen door belanghebbende acht de Commissie niet toereikend. De door de gastouder genoemde bijzondere omstandigheden laten onverlet dat het gastouderbureau gehouden is een goede administratie bij te houden. Nu niet kan worden vastgesteld dat het kind van belanghebbende na 2011 nog (buitenschoolse) opvang heeft genoten, heeft belanghebbende geen recht op KOT over 2012 en 2013. De Commissie adviseert het bezwaar met betrekking tot deze jaren ongegrond te verklaren.
Proceskosten
Omdat het bestreden besluit naar het oordeel van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor twee. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
De Commissie adviseert UHT om de bezwaren in de onderhavige zaak gedeeltelijk gegrond te verklaren, het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHOA deels te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter