Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12571

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 2 februari 2023 (UHT-DCH en UHT-O OGS B)

Hoorzitting: 9 december 2025

Overdracht advies aan UHT: 26 mei 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren en belanghebbende voor heel toeslagjaar 2011 en de maand januari van toeslagjaar 2012 te compenseren wegens vooringenomenheid. Voorts adviseert de Commissie een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift wordt geacht te zijn gericht tegen de volgende op 2 februari 2023 door UHT en met toepassing ven de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag:

  1. Aan belanghebbende is compensatie toegekend van € 5.972 voor de maanden januari en februari van toeslagjaar 2011. De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft over die periode de regels te streng toegepast. Het bedrag is op grond van de Catshuisregeling aangevuld tot € 30.000. Compensatie voor toeslagjaar 2010, de maanden maart tot en met december van 2011 en toeslagjaar 2012 is afgewezen.
  2. Aan belanghebbende is een tegemoetkoming vanwege opzet/grove schuld (hierna: O/GS) toegekend van € 10.868 voor toeslagjaar 2010, de maanden maart tot en met december van 2011 en toeslagjaar 2012. B/T heeft voor deze perioden onterecht niet meegewerkt aan een persoonlijke betalingsregeling. De O/GS-tegemoetkoming valt binnen het surplus van de Catshuisregeling.

Procesverloop

  • Op 24 december 2020 heeft belanghebbende verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2012. In overleg met belanghebbende is de herbeoordeling beperkt tot de toeslagjaren 2010 tot en met 2012. Vervolgens is de herbeoordeling nogmaals gewijzigd in de toeslagjaren 2010 en 2012 tot en met 2017.
  • Op 8 mei 2021 heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat zij op grond van de Catshuisregeling in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
  • Op 19 september 2022 heeft de Commissie van Wijzen geoordeeld dat de compensatieregeling en de hardheidscompensatie niet van toepassing zijn op 2010, de maanden maart tot en met december van 2011 en 2012.
  • Op 1 november 2022 heeft UHT als vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 5.937.
  • Op 2 februari 2023 heeft UHT bovengenoemde besluiten genomen.Op 14 maart 2023 heeft gemachtigde tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Op 20 februari 2025 heeft hij de gronden aangevuld.
  • Op 1 juli 2025 heeft UHT een schriftelijke beschouwing ingediend.
  • Op 5 december 2025 heeft gemachtigde aanvullende gronden van bezwaar ingediend. Op 8 december 2025 heeft UHT een aanvullende beschouwing ingediend. Voorafgaand aan de hoorzitting heeft gemachtigde nog enkele stukken toegestuurd.
  • Op 9 december 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet is geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

In de aanvullende beschouwing en tijdens de hoorzitting heeft UHT aangegeven dat belanghebbende bij nader inzien voor heel toeslagjaar 2011 en de maand januari van toeslagjaar 2012 gecompenseerd dient te worden wegens vooringenomen handelen. UHT acht het bezwaar op deze punten gegrond en zal de motivering en compensatie-berekening aanpassen in de beslissing op bezwaar. De Commissie adviseert UHT om aan deze toezegging gevolg te geven.

Derhalve ziet de Commissie zich nog voor de vraag gesteld of UHT compensatie voor toeslagjaar 2010 en de maanden februari tot en met december van toeslagjaar 2012 terecht heeft afgewezen.

Afgewezen toeslagjaar 2010 en 2012 (februari tot en met december)

Gemachtigde stelt dat het niet onwaarschijnlijk is dat het vooringenomen handelen van B/T in de toeslagjaren 2008 en 2009 heeft geleid tot de onterechte O/GS-kwalificatie bij belanghebbende. Voor de toeslagjaren 2008 en 2009 is de KOT op naam van de toenmalige partner van belanghebbende aangevraagd. Inmiddels is de ex-partner voor deze toeslagjaren gecompenseerd wegens vooringenomen handelen door B/T. Als de onterechte O/GS-kwalificatie een gevolg is van vooringenomen handelen in de voorgaande jaren, dient belanghebbende gecompenseerd te worden wegens vooringenomen handelen. Subsidiair stelt gemachtigde dat belanghebbende voor toeslagjaar 2010 gecompenseerd dient te worden wegens hardheid van het stelsel gelet op alle ernstige gevolgen van de terugvordering.

De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T. Toekenning van compensatie blijft achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT.

Met betrekking tot toeslagjaar 2010 volgt uit het bezwaardossier dat de KOT conform de jaaropgave van de kinderopvanginstelling neerwaarts is bijgesteld van € 12.751 naar € 10.776 omdat in de periode 1 juli 2010 tot en met 30 september 2010 geen opvang was afgenomen. Het betreft een reguliere wijziging.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2010 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering KOT over het toeslagjaar 2010 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door een reguliere wijziging opnieuw berekend. Deze bijstelling is in overeenstemming met de wet uitgevoerd en geeft in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Voor wat betreft de O/GS-kwalificatie voor toeslagjaar 2010 is overeenkomstig artikel 2.6 Wht een O/GS-tegemoetkoming toegekend. Voorts merkt de Commissie op dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade.

Met betrekking tot toeslagjaar 2012 heeft UHT aangegeven dat de maanden februari tot en met december niet in aanmerking komen voor compensatie omdat vanaf februari 2012 geen geregistreerde kinderopvang meer is afgenomen. UHT verwijst naar de gegevens uit de KOI-viewer. Daarnaast is enkel een factuur voor de maand januari overgelegd en ook verder niet aannemelijk gemaakt dat na januari 2012 nog gebruik is gemaakt van opvang.

Gelet op voorstaande is er naar het oordeel van de Commissie geen reden het standpunt van UHT met betrekking tot de afgewezen maanden februari tot en met december van 2012 onjuist te achten. De Commissie is verder van oordeel dat met het indienen van het aanvullende schriftelijke verweer, de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum en de overige producties, UHT voldoende heeft gemotiveerd.

O/GS-tegemoetkoming (UHT-O OGS B)

Nu UHT heeft toegezegd om belanghebbende voor geheel toeslagjaar 2011 en de maand januari van toeslagjaar 2012 te compenseren wegens vooringenomenheid, brengt dit met zich mee dat tevens de beschikking over de O/GS-tegemoetkomingen herzien moet worden. Op grond van artikel 2.6 lid 4 Wht blijft een O/GS-tegemoetkoming immers achterwege indien ten aanzien van de terugvordering recht bestaat op compensatie als bedoeld in artikel 2.1 Wht over hetzelfde berekeningsjaar bestaat.

Met betrekking tot het verzoek om de onderliggende stukken O/GS overweegt de Commissie als volgt. Gelet op de op 10 maart 2026 aangenomen motie van het lid Ergin (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) dient UHT standaard en actief inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. De Commissie verwijst in dit verband naar de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545.

De onderliggende stukken betreffende de O/GS-kwalificatie ontbreken in dit geval. Aan UHT wordt geadviseerd voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

Proceskostenvergoeding

Nu de bezwaren naar de mening van de Commissie gegrond zijn en het advies van de Commissie ertoe strekt om beide besluiten te herroepen, adviseert de Commissie UHT tevens de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De Commissie adviseert om hierbij de hoogste vergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie het bezwaar gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter