Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15772

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 17 augustus 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: niet gehouden op verzoek van belanghebbende.

Overdracht advies aan UHT: 27 mei 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag van 17 augustus 2023 (UHT-DCH). Dit besluit wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 71.558,- voor de jaren 2006, 2007, 2008 en 2009 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2010, 2011 en 2012.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 10 september 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 tot en met 2012. In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is toeslagjaar 2005 niet meegenomen in de herbeoordeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 12 mei 2023 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW is van oordeel dat de B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1 lid 1 Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2012.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit beslist zoals hierboven is vermeld.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 25 maart 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 13 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft op 20 november 2025 per brief bevestigd dat belanghebbende ervan afziet te worden gehoord op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft, na daartoe door de Commissie in de gelegenheid te zijn gesteld, op 3 januari 2026 het bezwaarschrift aangevuld. UHT heeft daar op 3 maart 2026 op gereageerd. Op verzoek van de Commissie heeft gemachtigde hier per e-mail van 8 april 2026 op gereageerd.
  • De Commissie heeft op grond van artikel 7:3 onder c en d, van de Algemene wetbestuursrecht (hierna: Awb) afgezien van het horen van belanghebbende en adviseert op basis van de aan haar bekende stukken.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2006 tot en met 2009 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2010 tot en met 2012 af te wijzen.

Hoor en wederhoor

De Commissie constateert dat de belanghebbende, blijkens het gestelde op de eerste bladzijden van de aanvulling op het bezwaar van de gemachtigde, over het nut en het belang van een hoorzitting een opvatting heeft die afwijkt van de breed gedragen zienswijze van de Commissie. Dit advies is niet de juiste plaats voor een inhoudelijke discussie over het verschil van opvatting. De Commissie volstaat met een verwijzing naar hetgeen over het beginsel van hoor en wederhoor, zoals toegepast via de weg van een hoorzitting bij de Commissie, als hoeksteen van rechtsbescherming is opgetekend in ‘De waarde van hoor en wederhoor’, Jaarverslag 2025 van de Bezwaarschriften-adviescommissie Hersteloperatie Toeslagen.

De Commissie heeft ook kennisgenomen van de passages uit de aanvulling op het bezwaar van de gemachtigde over de planning van de (zeer vele) bezwaarprocedures bij de Commissie waarin zij als gemachtigde optreedt. De Commissie merkt op dat er overleg met de gemachtigde heeft plaatsgevonden. Op 15 februari 2026 heeft de gemachtigde laten weten dat het bij een welwillende houding van de Commissie ten aanzien van eventuele uitstelverzoeken goed zou moeten komen. Op 19 februari 2026 heeft de Commissie gesteld dat binnen redelijke grenzen incidentele uitstelverzoeken inderdaad niet zonder welwillendheid worden bezien.

Dossier

De Commissie is van opvatting dat aan belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt. Daarmee is voldaan is aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. UHT heeft schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de concrete stellingen van belanghebbende en UHT geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest voor het door UHT genomen besluit. Daarom adviseert de Commissie UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

Met de in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken, is (thans) geen sprake van strijd met het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit kan onbeantwoord blijven, nu één en ander niet leidt tot het herroepen ervan.

De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

FSV, O/GS en discriminatie

Gemachtigde heeft aangevoerd dat over de opzet/grove schuld (hierna: O/GS)-kwalificatie en discriminatie geen algemene informatie te vinden is in het dossier. Ten aanzien van de FSV-check stelt gemachtigde dat dit een vast onderdeel betreft van het herstelproces en dat de onderliggende stukken overgelegd dienen te worden. De Commissie stelt vast dat uit de nadere beschouwing van UHT blijkt dat belanghebbende inderdaad voorkomt op de FSV-lijst. Hiervan heeft UHT een afschrift overgelegd. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt. De Commissie adviseert UHT om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar.

De Commissie overweegt ten aanzien van de O/GS dat UHT in de beschouwing heeft toegelicht dat in geen van de herbeoordeelde toeslagjaren sprake is geweest van een onterechte O/GS-kwalificatie. In het dossier is bovendien geen verzoek van belanghebbende om een betalingsregeling aangetroffen.

Ten aanzien van discriminatie overweegt de Commissie dat zij in het dossier geen aanwijzingen heeft gevonden dat sprake is geweest van discriminatie.

De Commissie adviseert UHT de bezwaren op deze punten ongegrond te verklaren.

Artikel 19 Awir

Belanghebbende heeft aangevoerd dat B/T in strijd met het destijds geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in het betreffende toeslagjaar. Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T overweegt de Commissie als volgt. De Commissie meent dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir op zichzelf, zonder andere bijkomende factoren, geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen.

Werkelijk geleden schade

Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij meer schade heeft geleden dan aan haar is vergoed. De Commissie overweegt dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld in www.schadeherstel.toeslagen.nl.

Informatie uit de KOI-viewer

Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de viewer in te vullen. De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er indicaties zijn die reden vormen voor twijfel aan de juistheid van die informatie. Belanghebbende heeft zodanige indicaties niet gesteld.

De Commissie adviseert UHT dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.

Omissies/niet toegekende KOT

Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling per jaar

Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen, en voor andere jaren niet. Een selectie in jaren op basis van verlagingen of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders.

De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de memorie van toelichting op het desbetreffende wetsvoorstel is dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Kamerstukken II, 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19). De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder in een bepaald jaar automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar moeten worden beoordeeld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid . De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in opvolgende toeslagjaren als de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) eenmaal vooringenomen heeft gehandeld of er eenmaal relevante bijzondere omstandigheden zijn geweest, acht de Commissie daarom in haar algemeenheid onjuist.

De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2006

In de aanvulling op het bezwaarschrift bestrijdt belanghebbende de juistheid van het bedrag van € 3.901,- dat als component a (de KOT voor de onterechte verlaging) in de compensatieberekening voor toeslagjaar 2006 is opgenomen.

Uit de stukken in het dossier maakt de Commissie op dat dit bedrag is gebaseerd op de informatie die B/T heeft ontvangen van de kinderopvanginstelling destijds. In toeslagjaar 2006 is na 14 juni 2006 geen geregistreerde kinderopvang meer afgenomen. De verlaging van het voorschotbedrag in de beschikking van 27 december 2006 is een zogenaamde reguliere bijstelling. De Commissie merkt op dat belanghebbende ook thans in bezwaar niet betwist dat na 14 juni 2006 geen geregistreerde kinderopvang meer is afgenomen.

De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

De toeslagjaren 2007, 2008 en 2009

Belanghebbende betwist niet dat zij in de toeslagjaren 2007 tot en met 2009 geen geregistreerde kinderopvang heeft afgenomen. Hiermee voldeed belanghebbende niet aan het vereiste van artikel 1.5 van de Wet kinderopvang (hierna: Wko) en had zij voor deze toeslagjaren geen recht op KOT.

Op grond van artikel 2.1 lid 1 Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende geen recht had op KOT, zoals in deze zaak voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2009.

Omdat in deze toeslagjaren de KOT rechtstreeks aan de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) is uitbetaald en deze bedragen bij belanghebbende zijn teruggevorderd, is volgens vaste uitvoeringspraktijk – zoals opgenomen in het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek van UHT – sprake van een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft tot recht op compensatie wegens hardheid. De bedragen die B/T ten onrechte aan de KOI heeft betaald en bij belanghebbende heeft teruggevorderd, vormen de basis voor de berekening van de compensatie die is toegekend voor deze toeslagjaren. De Commissie is van oordeel dat UHT de hardheidsregeling op juiste wijze heeft toegepast.

De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

De toeslagjaren 2010, 2011 en 2012

Voor toeslagjaar 2010 heeft belanghebbende op 22 mei 2010 een aanvraag ingediend voor gastouderopvang bij [naam KOI 1] per 1 januari 2010. Volgens het feitenoverzicht op p. 25 van het dossier is vervolgens door B/T om informatie gevraagd en is, bij het uitblijven van een reactie, de KOT-aanvraag afgewezen. De uitvraagbrieven zijn niet bewaard gebleven en deze afwijzing geldt daarom als vooringenomen handeling. Toekenning van compensatie blijft echter, op grond van artikel 2.1 lid 2 Wht, achterwege omdat door belanghebbende geen geregistreerde opvang werd afgenomen per 1 januari 2010.

In september 2010 heeft belanghebbende opnieuw KOT aangevraagd per 1 januari 2010. Ditmaal voor opvang bij KOI [naam KOI 2]. Opnieuw is door B/T om informatie gevraagd om het recht op KOT vast te kunnen stellen en is antwoord uitgebleven. De uitvraagbrief, en het daarop volgende rappel, zijn bewaard gebleven. De afwijzing van de KOT op basis van deze aanvraag geldt daarmee niet als vooringenomen handelen.

In maart 2011 vroeg belanghebbende voor de derde maal KOT aan. Deze keer voor opvang bij KOI [naam KOI 3] en KOI [naam KOI 4] per 1 augustus 2010. Ook ditmaal is niet aannemelijk dat belanghebbende geregistreerde opvang heeft afgenomen en blijft toekenning van compensatie, op grond van artikel 2.1 lid 2 Wht, achterwege.

Voor toeslagjaar 2011 geldt dat belanghebbende een bijstandsuitkering ontving. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij daarbij gebruik maakte van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in art. 1.6 lid 1 sub c Wet Kinderopvang en was daarmee geen zogeheten doelgroeper.

Ook voor toeslagjaar 2012 geldt dat niet is aangetoond dat de kinderen van belanghebbende geregistreerde opvang hebben genoten. De Commissie oordeelt derhalve dat belanghebbende als gevolg daarvan geen recht had op KOT.

De B/T heeft de wettelijke taak om te controleren of de KOT-voorschotten in een gegeven toeslagjaar terecht zijn uitgekeerd en, zo niet, om eventueel te veel uitgekeerde bedragen terug te vorderen. B/T mag daarbij vertrouwen op bijvoorbeeld de gegevens die ouders en kinderopvanginstellingen verstrekken.

De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2011 en 2012 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvorderingen KOT waren gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.

Heroverweging door UHT

Naar aanleiding van het bezwaar heeft UHT de bestreden beschikking heroverwogen. Uit de beschouwing van UHT volgt dat deze heroverweging niet leidt tot een aanpassing van de compensatieberekening. De Commissie overweegt dat de conclusies van UHT, die door belanghebbende niet meer inhoudelijk bestreden zijn, navolgbaar zijn en steun vinden in het dossier. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Overige bezwaren

De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.

Proceskosten

Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter