BAC 2025-16292
Publicatiedatum 13-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 22 mei 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 9 februari 2026
Overdracht advies aan UHT: 26 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 tot en met 2016.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 26 januari 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 tot en met 2014. UHT heeft de jaren 2009 tot en met 2016 herbeoordeeld.
- UHT heeft bij besluit van 6 april 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-, in het kader van de Catshuisregeling.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 tot en met 2016.
- Gemachtigde heeft bij brief van 13 juni 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 2 september 2025 (met een ‘beschouwing’) schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 9 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 16 februari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft op 20 februari 2026 daarop gereageerd. Vervolgens heeft UHT op 2 maart 2026 een aanvullende reactie ingediend, waarop gemachtigde op 3 maart 2026 heeft gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2009 tot en met 2016 af te wijzen.
Persoonlijk dossier/motiveringsbeginsel
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of hij inderdaad geen aanspraak maakt op compensatie over de toeslagjaren 2006 tot en met 2016. Hierdoor is de bestreden beschikking volgens hem onvoldoende gemotiveerd. De Commissie volgt dit standpunt niet. De schriftelijke reactie (“beschouwing”) van UHT en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid met de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Ontbrekende stukken/equality of arms
Belanghebbende voert aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In zijn ogen wordt hij in zijn procesbelang geschaad, omdat hij niet de beschikking heeft gekregen over zijn persoonlijk dossier en een volledig bezwaardossier en daardoor niet over de benodigde documenten beschikt. De Commissie overweegt hierover het volgende. De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriften-adviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Awb. Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT die volgen op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter. Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De beschouwing met de bijbehorende producties zijn op 12 november 2025 aan de gemachtigde van belanghebbende gezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie acht het bezwaar daarom op dit onderdeel ongegrond.
Automatische continuatie
Belanghebbende voert aan dat de KOT over de jaren 2013 en 2014 is gecontinueerd en de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) hiermee onzorgvuldig heeft gehandeld.
De Commissie overweegt dat het automatische continueren van de KOT inherent is aan het toeslagensysteem. Op grond van artikel 15 lid 5 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt een aanvraag geacht mede te zijn gedaan voor de op het berekeningsjaar volgende jaren. Een aanvraag van de KOT wordt dus geacht ook te zijn gedaan voor de daaropvolgende toeslagjaren en wordt daarmee automatische gecontinueerd, tenzij de KOT door belanghebbende of de B/T wordt stopgezet of gewijzigd. Naar het oordeel van de Commissie heeft de B/T met het automatisch continueren van de KOT op een juiste wijze uitvoering gegeven aan de wet. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Hardheid van het stelsel/beslagvrije voet
Belanghebbende voert aan dat de B/T over de toeslagjaren 2006 tot en met 2016 geen rekening heeft gehouden met zijn beslagvrije voet en dat daarom hardheid van het stelsel van toepassing is. De Commissie overweegt dat de KOT expliciet is uitgesloten van de beslagvrije voet in artikel 475c lid 1, aanhef en onder j, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De vraag of, en in hoeverre, rekening is gehouden met de beslagvrije voet bij verrekeningen, valt buiten de reikwijdte van de begrippen vooringenomen handelen en hardheid van het stelsel binnen het kader van de Wht en daarmee buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Uitvraagbrieven met boetaankondiging
Belanghebbende stelt dat volgens het systeem in 2013 en 2014 uitvraagbrieven met een boeteaankondiging zijn verzonden. Deze uitvraagbrieven zijn echter niet te achterhalen in het systeem. Belanghebbende betwist dat hij deze uitvraagbrieven heeft ontvangen. In de hoorzitting heeft UHT verklaard dat de brieven met een vooraankondiging van een boete inderdaad niet aanwezig zijn in het systeem. De Commissie heeft op grond van de voorhanden stukken vastgesteld dat in de toeslagjaren 2012 en 2013 geen verlagingen van de KOT hebben plaatsgevonden en in toeslagjaar 2014 één reguliere verlaging van de KOT heeft plaatsgevonden. Van vooringenomen handelen of hardheid is dan ook geen sprake. De niet aanwezige uitvraagbrieven met de vooraankondiging van een boete doen daaraan niet af. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Commissie van Wijzen
De Commissie heeft geconstateerd dat in het dossier geen advies van de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) aanwezig is. De Commissie stelt voorop dat CvW een adviseur is in de zin van artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht. UHT heeft in een schriftelijke reactie na de hoorzitting gesteld dat het dossier van belanghebbende niet aan de CvW voor een advies is aangeboden. De reden daarvan is dat er tussen de B/T en belanghebbende geen verschil van mening over de feiten was. De Commissie overweegt als volgt. Op grond van de artikelen 5.2 en 5.3 Wht kan de minister bij ministeriële regeling adviescommissies instellen die tot taak hebben het dossier van een aanvrager van kinderopvangtoeslag – dat door UHT aan hen wordt voorgelegd – te voorzien van advies over de toepassing van de herstelwetgeving. Ter uitvoering daarvan is de Instellingsregeling Commissie van onafhankelijke deskundigen hersteloperatie toeslagen (hierna: Instellingsregeling) vastgesteld. Op basis van artikel 3 lid 1 van de Instellingsregeling is de Commissie van onafhankelijke deskundigen ingesteld, die in de praktijk wordt aangeduid als de Commissie van Wijzen. Krachtens artikel 7 lid 1 van de Instellingsregeling heeft de CvW haar werkwijze nader geregeld in de Regeling werkwijze Commissie van Wijzen (hierna: Regeling). Artikel 4 lid 1 van de Regeling bepaalt dat een beoordeling van een voorgenomen beschikking door de commissie - behoudens de in de Regeling genoemde uitzonderingen - achterwege kan blijven indien er over de feiten geen verschil van mening is tussen de B/T en belanghebbende. Dit was volgens UHT in deze zaak het geval en belanghebbende heeft dat niet bestreden. De Commissie adviseert daarom het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Uitsluitlijst en damagepopulatie
Gemachtigde heeft in de hoorzitting UHT verzocht om op te helderen waarom belanghebbende voor het toeslagjaar 2014 op de uitsluitlijst is geplaatst. Plaatsing op de uitsluitlijst leidt volgens haar tot groepsgewijs vooringenomen handelen. UHT heeft in haar reactie van 16 februari 2026 uiteengezet dat belanghebbende verschillende keren op de uitsluitlijst stond en er daarna is afgehaald. UHT heeft, onder verwijzing naar de daarbij behorende stukken, verklaard dat uit het systeem van de B/T blijkt dat belanghebbende driemaal op de uitsluitlijst werd geplaatst, namelijk op 2 juni 2015, 26 november 2015 en 11 januari 2016. Belanghebbende is in al deze gevallen van de uitsluitlijst afgehaald, namelijk respectievelijk op 6 november 2015, 11 februari 2016 en 5 februari 2016. UHT heeft verklaard dat ze geen andere stukken tot haar beschikking heeft met betrekking tot de uitsluitlijst. Ook heeft UHT in haar reactie van 16 februari 2026 uitgelegd dat de term ‘damagepopulatie‘ werd gebruikt voor ouders waarvan werd aangenomen dat ze door fouten van de B/T schade konden hebben opgelopen.
De Commissie is van oordeel dat opname op een uitsluitlijst op zichzelf niet leidt tot de conclusie dat jegens belanghebbende institutioneel vooringenomen is gehandeld of dat sprake is van hardheid bij de toepassing van het stelsel. Wel kan een onereus handelen van de B/T jegens belanghebbende zijn verklaring vinden in de plaatsing op de uitsluitlijst en dan leiden tot het aannemen van vooringenomenheid. Voor toeslagjaar 2014 heeft de Commissie bij de behandeling van de KOT van belanghebbende geen aanwijzingen gevonden voor een dergelijke onereuze handelwijze van de B/T. De Commissie adviseert het bezwaar, gelet op het voorgaande, op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2009 tot en met 2011 en 2015 en 2016
Met betrekking tot deze toeslagjaren heeft belanghebbende geen KOT aangevraagd en toegekend gekregen. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2012 en 2013
In deze toeslagjaren heeft geen verlaging van de KOT plaatsgevonden. Belanghebbende komt daarom voor deze toeslagjaren niet in aanmerking voor een herstelregeling. De Commissie heeft geen aanwijzingen gevonden dat de B/T jegens belanghebbende heeft gehandeld op grond van de ongerechtvaardigde aanname dat hij opzettelijk of met grove schuld ten onrechte te veel KOT heeft ontvangen. Belanghebbende komt daarom niet in aanmerking voor een O/GS-tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2014
In toeslagjaar 2014 heeft er één verlaging van de KOT plaatsgevonden die verband houdt met een stopzetting van de KOT door belanghebbende met ingang van 18 augustus 2014. Er zijn geen aanwijzingen dat de B/T bij deze bijstelling onzorgvuldig of vooringenomen heeft gehandeld. Weliswaar heeft in dit toeslagjaar een verlaging of terugvordering van € 1.500 of meer plaatsgevonden, maar de KOT is aan belanghebbende betaald. Daarnaast was er geen sprake van een kleine formele tekortkoming, het slechts betalen van een deel van de opvangkosten, fraude door een derde of andere bijzondere omstandigheden. De voorwaarden voor toepassing van de hardheidsregeling zijn dus niet vervuld. De Commissie heeft geen aanwijzingen gevonden dat de B/T jegens belanghebbende heeft gehandeld op grond van de ongerechtvaardigde aanname dat hij opzettelijk of met grove schuld ten onrechte te veel KOT heeft ontvangen. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Geen proceskostenvergoeding
Omdat de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter