BAC 2025-16640
Publicatiedatum 13-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 27 augustus 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 23 maart 2026 om 14:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 26 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 27 augustus 2024 (UHT-DCHO). Deze beschikking wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 68.855,- voor de maanden februari tot en met mei en november en december 2012, de maanden januari en februari 2013 en de jaren 2014 en 2015 en geen compensatie toegekend voor de maanden juni tot en met oktober 2012, maart tot en met december 2013 en het jaar 2016. Voor de jaren 2012 en 2013 is een tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GS) toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 2 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011 en 2012. In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is dit uitgebreid naar de jaren 2010 tot en met 2016.
- UHT heeft bij besluit van 18 mei 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 19 augustus 2024 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW is van oordeel dat de B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1 lid 1 Wht niet van toepassing is voor de maanden juni tot en met oktober 2012, maart tot en met december 2013 en het jaar 2016.
- UHT heeft bij het bestreden besluit met kenmerk aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 68.855,- voor de maanden februari tot en met mei en november en december 2012, januari en februari 2013, de jaren 2014 en 2015 en geen compensatie toegekend voor de maanden juni tot en met oktober 2012, maart tot en met december 2013 en het jaar 2016.
- Gemachtigde heeft bij brief van 10 oktober 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 19 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 23 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Gemachtigde heeft, ondanks daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, geen nadere schriftelijke reactie ingediend.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de maanden februari tot en met mei en november en december 2012, de maanden januari en februari 2013 en de jaren 2014 en 2015 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de maanden juni tot en met oktober 2012, maart tot en met december 2013 en het jaar 2016 af te wijzen. De Commissie zal hieronder, mede op grond van hetgeen besproken tijdens de hoorzitting, het advies toelichten.
Motivering- en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt dat het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel zijn geschonden. Zonder volledig dossier is het voor haar niet inzichtelijk hoe UHT tot de weigering van compensatie heeft besloten.
UHT heeft het dossier en een schriftelijke reactie aan belanghebbende verstrekt. Belanghebbende heeft gelegenheid gehad om de ontvangen gegevens te beoordelen en de gronden van haar bezwaar zo nodig verder aan te vullen. Op de hoorzitting heeft belanghebbende de bovendien de mogelijkheid gehad om nader te reageren op de ontvangen gegevens en hierop een toelichting te vragen.
De Commissie is van oordeel dat UHT het bestreden besluit voldoende heeft toegelicht. Door het schriftelijke verweer, de uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het “Landelijk Incasso Centrum” (hierna: LIC) en de overige producties is het bestreden besluit voldoende onderbouwd. Bij de hoorzitting zijn verder geen concrete aanknopingspunten naar voren gekomen op grond waarvan geoordeeld moet worden dat het door UHT overgelegde dossier incompleet is of aangevuld zou moeten worden.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad, omdat ze niet de beschikking krijgt over haar persoonlijk dossier en/of een volledig bezwaardossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt. De Commissie overweegt hierover het volgende.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals volgt op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter. Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De schriftelijke reactie/beschouwing met de bijbehorende producties, waaronder ook de “Overzichten (uit)betalingen en/of verrekeningen toeslagen”, is op 21 januari 2026 aan de gemachtigde van belanghebbende toegezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op het bezwaar betrekking hebbende stukken.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Juni t/m oktober 2012, maart t/m december 2013 en toeslagjaar 2016
Ingevolge artikel 2.1 lid 1 Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1 lid 2 Wht, achterwege in geval van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende geen recht had op KOT, bijvoorbeeld omdat de kinderen geen geregistreerde opvang hebben genoten.
Na bestudering van de stukken in het dossier, waaronder het ouderverhaal van belanghebbende, komt de Commissie tot de conclusie dat belanghebbende in de maanden juni tot en met oktober 2012, maart tot en met december 2013 en het jaar 2016 geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Belanghebbende had derhalve in die toeslagjaren geen recht op KOT.
In uitzonderlijke situaties kan sprake zijn van hardheid. Niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende in zodanige uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor deze periode dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
De juistheid van de compensatieberekening is door gemachtigde bij gebrek aan wetenschap betwist. Inmiddels beschikt belanghebbende over het bezwaardossier en heeft de zaaksbehandelaar van UHT bij de schriftelijke beschouwing de compensatieberekening toegelicht.
Uit de schriftelijke reactie van UHT volgt dat in de compensatieberekening door UHT fouten zijn gemaakt.
UHT stelt zich op het standpunt dat het bezwaar op dit punt ongegrond is, ondanks dat bij de berekening voor toeslagjaar 2012 van een verkeerd startbedrag is uitgegaan. Component a, de KOT voor de verlaging, is voor 2012 berekend in verhouding tot de maanden waarop belanghebbende recht heeft op compensatie. UHT is bij de oorspronkelijke berekening uitgegaan van een te hoog bedrag, welk bedrag doorwerkt in de rest van de berekening voor dit toeslagjaar, waardoor belanghebbende meer compensatie heeft ontvangen dan waar zij recht op heeft. UHT erkent dat ook bij de berekening van de rentevergoeding voor gemiste KOT (component o) fouten zijn gemaakt. UHT is bij de oorspronkelijke berekening uitgegaan van verkeerde data waardoor belanghebbende voor wat betreft alle toegewezen toeslagjaren meer compensatie heeft ontvangen dan waar zij recht op heeft. In verband met het verbod op verandering naar een slechtere positie op grond van artikel 7:11 Algemene wet bestuursrecht wordt de berekening niet aangepast aangezien dit in het nadeel zou zijn van belanghebbende.
Nu de door UHT gemaakte fouten in het voordeel van belanghebbende zijn, adviseert de Commissie om de gemaakte berekening niet aan te passen en om ook dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, heeft belanghebbende geen recht op een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. De Commissie adviseert UHT om het hierop betrekking hebbende verzoek af te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter