Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12922

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 1 maart 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 22 augustus 2025

Overdracht advies aan UHT: 23 december 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. Deze beschikking wordt hierna aangeduid als de bestreden beschikking. Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 11 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 27 januari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft vastgesteld dat volgens de bevindingen van UHT op naam van belanghebbende nooit kinderopvangtoeslag is aangevraagd, noch dat kinderopvangtoeslag is toegekend en/of is teruggevorderd. De CvW heeft geen aanwijzingen gevonden dat de gegevens van Belastingdienst/Toeslagen (hierna: de B/T) onjuist of onvolledig zijn. Zij heeft geconcludeerd dat er op basis van de aanwezige stukken geen aanleiding is om belanghebbende een compensatie toe te kennen op basis van de Wht.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking (de uitkomst van de integrale beoordeling) aan belanghebbende meegedeeld dat geen recht bestaat op compensatie.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 28 maart 2023, ingekomen op 28 maart 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 28 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Bij brief van 24 juni 2025 heeft de voorzitter van de Commissie aan belanghebbende bericht dat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken lijkt te volgen dat nooit kinderopvangtoeslag is aangevraagd en dat ook nooit kinderopvangtoeslag is toegekend, teruggevorderd of verrekend.
  • Bij diezelfde brief heeft de voorzitter van de Commissie aan belanghebbende bericht dat de Commissie vooralsnog vindt dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en dat zij het plan heeft om gebruik te maken van haar bevoegdheid te adviseren zonder belanghebbende te horen. Voor het geval belanghebbende het daarmee oneens zou zijn, is hij bij diezelfde brief in de gelegenheid gesteld om gemotiveerd te laten weten waarom een hoorzitting wel aan de orde zou zijn.
  • Gemachtigde heeft binnen de gestelde termijn gereageerd.
  • Naar aanleiding van deze reactie heeft de Commissie belanghebbende uitgenodigd om op het bezwaar te worden gehoord.
  • Op 22 augustus 2025 heeft de hoorzitting plaatsgevonden.
  • UHT heeft op 4 september 2025 en op 25 september 2025 een aanvullende beschouwing ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij e-mail van 6 oktober 2025 gereageerd op de aanvullende beschouwingen van UHT. Bij e-mail van 25 november 2025 heeft UHT bericht dat zij geen aanvulling heeft op deze reactie.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet ter discussie staat dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie moet advies uitbrengen over de vraag of UHT terecht en op goede gronden het verzoek van belanghebbende om compensatie of een tegemoetkoming heeft afgewezen.

Op de zaak betrekking hebbende stukken

De Commissie stelt vast dat uiteindelijk aan belanghebbende en gemachtigde de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt. Hierdoor hebben zij kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden beschikking en gelegenheid gehad om daarop te reageren. Van deze gelegenheid hebben gemachtigde en belanghebbende gebruikgemaakt.

De toets aan artikel 2.1 lid 1 van de Wht

Op grond van artikel 2.1 lid 1 van de Wht kan aan een aanvrager van KOT compensatie worden toegekend als hij schade heeft geleden doordat – samengevat – de B/T ten aanzien van hem institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of als de hardheid van de toepassing van het wettelijke systeem heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard.

Is belanghebbende aanvrager?

In deze zaak draait het in de kern – en allereerst – om de vraag of belanghebbende de vereiste hoedanigheid van “aanvrager van KOT” heeft. Tijdens de hoorzitting heeft de Commissie UHT verzocht hiernaar onderzoek te doen en is belanghebbende in de gelegenheid gesteld om aannemelijk te maken dat hij KOT heeft aangevraagd.

Kortheidshalve verwijst de Commissie hiervoor naar het hoorverslag dat aan dit advies is gehecht. Zij overweegt verder als volgt.

De Commissie constateert dat UHT de tijdens de hoorzitting van 22 augustus 2025 verzochte onderzoeken onvoldoende heeft uitgevoerd. UHT is verzocht (1) in te gaan op de drie door belanghebbende overgelegde brieven uit 2020 en 2021 en (2) de door belanghebbende genoemde kinderopvanginstelling te onderzoeken. Daarnaast is belanghebbende gevraagd eventuele aanknopingspunten aan te leveren die wijzen op een begin 2015 ingediende aanvraag voor kinderopvangtoeslag. Deze informatie is door belanghebbende verstrekt.

UHT heeft in de aanvullende beschouwingen volstaan met de mededeling dat de drie brieven per abuis zijn verzonden. Dergelijke verklaringen vergen nadere feitelijke toelichting, maar in het dossier ontbreken de desbetreffende stukken, evenals enige interne aantekening waaruit blijkt dat er inderdaad sprake was van een foutieve verzending of dat deze mededeling aan belanghebbende is gedaan. Evenmin heeft UHT inzichtelijk gemaakt hoe belanghebbende überhaupt als mogelijke gedupeerde in het systeem is geselecteerd, terwijl volgens UHT nooit een aanvraag is gedaan. Uit het dossier volgt bovendien dat belanghebbende ten onrechte staat geregistreerd als iemand die zich op 11 januari 2021 heeft aangemeld; vaststaat dat hij zich heeft gemeld naar aanleiding van de brieven van 4 maart 2020 en 29 september 2020.

Voorts bieden de pagina’s 50 en 56 van het dossier voldoende aanknopingspunten voor de veronderstelling dat wél een aanvraag is ingediend, nu daarop een reeks beschikkingen is weergegeven onder de regeling KOT en de opvanglocatie als “onbekend” staat vermeld. Dit ondersteunt het door belanghebbende consequent verklaarde verloop: de digitale aanvraag is ingediend, de opvanginstelling [naam KOI] was reeds in beeld, maar de aanvraag is direct telefonisch afgewezen, waardoor geen stukken meer konden worden overgelegd. Dat de kinderopvanginstelling [naam KOI] inmiddels door UHT in de systemen is aangetroffen, bevestigt eveneens dat er van de zijde van belanghebbende relevante, aan een aanvraag gerelateerde, handelingen hebben plaatsgevonden.

Daarnaast heeft belanghebbende, na het hierop betrekking hebbende verzoek van de Commissie, verklaringen overgelegd van zijn moeder, zijn partner en zijn oudste kind. UHT acht elk van deze verklaringen op zichzelf onvoldoende, maar zij vormen tezamen wel voldoende ondersteunende aanwijzingen voor de conclusie dat belanghebbende in 2015 een aanvraag heeft ingediend en dat er reële opvangbehoefte bestond. Dit past bij het overige dossierbeeld. Ook de discrepanties in de telefoonverslagen van UHT, waarover gerede twijfel bestaat of die juist of volledig zijn weergegeven, versterken de aannemelijkheid van het door belanghebbende geschetste relaas.

Tegen deze achtergrond kan UHT niet volstaan met de enkele constatering dat belanghebbende geen KOT-aanvraag heeft ingediend. De aanwezigheid van concrete aanwijzingen in het dossier, de ontvangst van meerdere relevante brieven, het aantreffen van de juiste kinderopvanginstelling in de systemen en de consistent gehandhaafde en gedocumenteerde verklaringen van belanghebbende leiden de Commissie tot de conclusie dat UHT de door de Commissie verzochte onderzoeken niet adequaat heeft uitgevoerd en dat de daaropvolgende aanvullende beschouwingen van UHT daarom geen toereikende motivering bevatten. De Commissie oordeelt dus dat belanghebbende heeft voldaan aan de eis (zoals onder meer neergelegd in de uitspraak

van de rechtbank Rotterdam van 25 september 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:9426) dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij KOT heeft aangevraagd.

De Commissie acht het bezwaar dan ook op dit onderdeel gegrond en adviseert UHT om het gevraagde onderzoek alsnog feitelijk volledig en zorgvuldig uit te voeren en vervolgens een nieuwe, deugdelijk gemotiveerde beslissing op bezwaar te nemen waarin op alle door belanghebbende aangedragen aanknopingspunten wordt ingegaan. Uiteraard dient UHT daarbij te onderzoeken of belanghebbende aan de overige vereisten voor compensatie op grond van de Wht voldoet.

Proceskosten

Nu de Commissie concludeert tot gegrondverklaring van het bezwaar, adviseert zij tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de proceskosten in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van drie procespunten (bezwaarschrift, verschijnen op de hoorzitting en de schriftelijke reactie op de aanvullende beschouwingen) met een wegingsfactor 2. Evenals in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

De Commissie adviseert UHT het bezwaar gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter