Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13871

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 14 juni 2023 met kenmerk UHT-DCH

Hoorzitting: 19 september 2025

Overdracht advies aan UHT: 16 december 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: bestreden beschikking).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 69.364 voor de jaren 2013, 2014, 2018 en 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 5 juni 2020 telefonisch verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2018 tot en met heden. In overleg met belanghebbende is besloten om de jaren 2012 tot en met 2019 te beoordelen. De jaren 2017, 2020 en 2021 zijn niet beoordeeld.
  • UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie in het vooruitzicht gesteld van € 68.821.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 69.364. Belanghebbende heeft € 543 extra ontvangen.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 24 juli 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 6 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 19 september 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet is geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Op de zaak betrekking hebbende stukken

Belanghebbende heeft aangevoerd dat UHT heeft verzuimd stukken te overleggen, die voor de beoordeling van het bezwaar relevant zijn. De Commissie overweegt ter zake als volgt.

Op grond van artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De beschouwing met de bijbehorende producties, waaronder ook de “Overzichten (uit)betalingen en/of verrekeningen toeslagen” (LIC-overzichten), zijn tijdig aan gemachtigde toegezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de stellingname van belanghebbende geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij het door UHT genomen besluit. De door belanghebbende in dit verband ontwikkelde bezwaren kunnen dan ook niet tot het door haar gewenste resultaat leiden. De Commissie adviseert UHT daarom deze bezwaren ongegrond te verklaren.

De inhoudelijke bezwaren

De Commissie ziet zich, gelet op de inhoud van de bestreden beschikking en de daartegen aangevoerde bezwaren, geplaatst voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht heeft besloten de jaren 2012, 2015 en 2016 niet als, kortweg, compensatiejaren aan te merken.

Zorgvuldigheid en motivering besluit

Belanghebbende betoogt dat de bestreden beschikking onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van de bestreden beschikking, kunnen die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.

Toeslagjaar 2012

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2012 vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De aanpassing van de KOT was gelegen in het feit dat de belanghebbende voor meer uren KOT had aangevraagd dan was toegestaan op basis van het Besluit tegemoetkoming kosten kinderopvang. B/T heeft deze aanpassing gedaan op basis van

de gegevens uit de UWV-viewer. Er waren voor B/T geen indicaties dat B/T had moeten twijfelen aan de juistheid van de gegevens van UWV. Ook in de onderhavige bezwaarprocedure heeft belanghebbende geen informatie gedeeld waaruit volgt dat B/T niet op de gegevens in de UWV-viewer had mogen afgaan. Dit betekent dat er geen aanleiding is om te concluderen dat bij het vaststellen van de definitieve beschikking in 2012 sprake was van vooringenomen handelen door B/T. Het feit dat de KOT naar aanleiding van het herzieningsverzoek van belanghebbende omhoog is bijgesteld doet niets aan deze conclusie af. Deze bijstelling had namelijk te maken met het feit dat de voorschotbeschikking was gebaseerd op een lager uurtarief dan dat daadwerkelijk aan belanghebbende in rekening was gebracht. Op basis van het voorgaande komt de Commissie tot de conclusie dat er in ieder geval geen recht bestaat op compensatie op grond van artikel 2.1, tweede lid, van de Wht. De Commissie adviseert dan ook om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaren 2015 en 2016

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaren 2015 en 2016 vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering KOT over deze jaren was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS nu belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling is geweigerd. Er bestaat dan ook geen aanspraak op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter