BAC 2023-14470
Publicatiedatum 08-09-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 14 augustus 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 9 april 2026
Overdracht advies aan UHT: 9 juni 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, het bestreden besluit te herroepen met inachtneming van dit advies en om het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag van 14 augustus 2023.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een compensatie toegekend van € 29.124 voor toeslagjaar 2014 en de maanden januari tot en met juli van toeslagjaar 2015. Er is geen compensatie of tegemoetkoming toegekend voor de toeslagjaren 2013 en 2016 tot en met 2019 en de maanden augustus tot en met december van toeslagjaar 2015.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 13 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2015, 2016 en 2017. In overleg met belanghebbende en zijn gemachtigde zijn de jaren 2013 tot en met 2019 herbeoordeeld.
- UHT heeft aan belanghebbende medegedeeld dat hij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling, maar dat de beoordeling nog niet is afgerond.
- De Commissie van Wijzen heeft op 12 mei 2023 aan UHT geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2013 en 2016 tot en met 2019 en de maanden augustus tot en met december van toeslagjaar 2015.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 19 juni 2023, met kenmerk UHT-VCH, aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 28.410.
- UHT heeft bij bestreden besluit van 14 augustus 2023, met kenmerk, UHT-DCH, aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 29.124 voor toeslagjaar 2014 en de maanden januari tot en met juli van toeslagjaar 2015. Er is geen compensatie of tegemoetkoming toegekend voor de toeslag-jaren 2013 en 2016 tot en met 2019 en de maanden augustus tot en met december van toeslagjaar 2015.
- Gemachtigde heeft bij brief van 25 september 2023, ingekomen op 4 oktober 2023, tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
- Gemachtigde heeft bij brief van 28 januari 2025 het bezwaar aangevuld.
- UHT heeft op 9 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
- Op 9 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd. Gemachtigde heeft ter zitting pleitaantekeningen uitgedeeld. Deze zijn achter het hoorverslag gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 23 april 2026 een nadere schriftelijke reactie, voorzien van een compensatieberekening over toeslagjaar 2016, ingediend. Gemachtigde heeft daar op 14 mei 2026 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming over de toeslagjaren 2013 en 2016 tot en met 2019 en de maanden augustus tot en met december van toeslagjaar 2015 af te wijzen.
Onvolledig dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken zijn meegewogen bij de besluitvorming.
De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen zijn op 26 januari 2026 aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Herbeoordeling 2016
UHT heeft ter zitting en in de aanvullende beschouwing toegelicht dat zij belanghebbende over 2016 alsnog zal compenseren wegens vooringenomen handelen. De reden daarvoor is dat de KOT niet automatisch gecontinueerd is van 2015 naar 2016 en belanghebbende hierover niet op de juiste manier geïnformeerd is. Volgens UHT is belanghebbende onvoldoende in de gelegenheid gesteld om de kinderopvangtoeslag voor 2016 alsnog op tijd aan te vragen. Belanghebbende heeft ook schade geleden doordat de KOT te laat is toegekend in dit toeslagjaar.
UHT zal gelet op het voorgaande alsnog tot compensatie ten aanzien van 2016 overgaan en heeft in dat kader een compensatieberekening over 2016 bij de aanvullende beschouwing gevoegd.
De Commissie adviseert om dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren.
Herbeoordeling van de maanden augustus tot en met december van toeslagjaar 2015
Belanghebbende stelt dat hij geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd omdat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) in de voorafgaande periode vooringenomen heeft gehandeld. Als belanghebbende niet heeft betaald voor geregistreerde opvang in de periode waarover hij geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, is er geen recht op compensatie. Belanghebbende kan wel een verzoek om aanvullende compensatie voor werkelijke schade indienen.
De bezwaarschriftprocedure over integrale beoordelingsbesluiten heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden via de website Home | Schadeherstel Toeslagen.
Herbeoordeling toeslagjaren 2013 en 2017 tot en met 2019
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaren 2013 en 2017 tot en met 2019 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering KOT over deze periodes was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend.
Ten aanzien van toeslagjaar 2013 is de KOT tweemaal verlaagd. Dit was het gevolg van de door belanghebbende doorgegeven wijziging in het uurtarief en in het toetsingsinkomen. Belanghebbende heeft deze wijzingen niet betwist.
Ten aanzien van 2017 is de KOT drie keer neerwaartse gecorrigeerd, één keer als gevolg van een door de ouder doorgegeven wijzing dat er minder opvanguren werden afgenomen en twee keer ten gevolge van een hoger toetsingsinkomen. Belanghebbende heeft dit niet betwist.
Belanghebbende stelt dat er voor de maanden januari tot en met maart van 2017 voor een kind ten onrechte voor 230, in plaats van 238,30 uur KOT is toegekend. Dat duidt volgens belanghebbende op vooringenomen handelen. UHT ter zitting heeft toegelicht dat 230 het maximaal aantal uren was waarvoor in 2017 KOT aangevraagd kon worden.
De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht.
Over 2018 is de KOT twee keer neerwaarts gecorrigeerd, ten gevolge van een door belanghebbende doorgegeven wijzing in het aantal opvanguren en een hoger toetsingsinkomen. Belanghebbende heeft dit niet betwist.
Over 2019 is de KOT eveneens twee keer neerwaarts gecorrigeerd. De eerste neerwaartse correctie was een gevolg van een door belanghebbende doorgegeven wijziging in opvanguren. De tweede neerwaartse correctie was het gevolg van een stopzetting van de KOT met ingang van 31 december 2019. Belanghebbende heeft de wijziging en stopzetting niet betwist.
Voornoemde bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. Belanghebbende stelt dat hij over 2013 wel gecompenseerd moet worden wegens hardheid omdat de LRK-registratie van de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) hem niet had mogen worden tegengeworpen. Volgens UHT kan er van hardheid geen sprake zijn omdat belanghebbende over dit toeslagjaar minder dan € 1.500 heeft moeten terugbetalen.
De Commissie overweegt als volgt. Er staat inderdaad in de tijdlijn bij 7 november 2013, pagina 21 van het dossier, het volgende: “[naam KOI] is per 01-10-2013 niet meer geregistreerd in het landelijk register. Daarom recht op toeslag tot 01-10-2013. Stopzetten opvanglocatie per 01-10-2013.” Blijkens de rest van de tijdlijn en de beschikkingen in het dossier is hier echter geen gevolg aan gegeven.
Op 21 november 2013 is de KOT vastgesteld op € 7.290. Op 20 november 2013 is dit bedrag al aan belanghebbende uitbetaald. De neerwaartse correcties waren, zoals reeds hiervoor benoemd, reguliere wijzingen. Er heeft geen neerwaartse correctie in het kader van de LRK-registratie plaatsgevonden.
Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
De compensatieberekening
Belanghebbende stelt dat de compensatieberekening onjuistheden bevat en niet deugdelijk gemotiveerd is. In haar schriftelijke reactie heeft UHT de componenten en de hoogte hiervan concreet toegelicht en de compensatieberekening volledig heroverwogen.
Toeslagrente over gemiste KOT (onderdeel o)
Het bedrag aan toeslagrente over gemiste KOT is volgens UHT voor toeslagjaar 2014 en de maanden januari tot en met juli van toeslagjaar 2015 te laag vastgesteld. De Commissie neemt kennis van het feit dat UHT dit bedrag zal aanpassen in de beslissing op bezwaar. De Commissie adviseert dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren.
Vergoeding voor immateriële schade (onderdeel n)
Nu de Commissie het bezwaar gegrond acht, adviseert zij om de vergoeding voor immateriële schade te berekenen tot de dagtekening van de beslissing op bezwaar en daarbij alle, ingevolge de Wht daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies.
Proceskosten
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om toekenning vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, het bestreden besluit te herroepen met inachtneming van dit advies en om een proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter