BAC 2025-16214
Publicatiedatum 08-09-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 30 juli 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 21 april 2026
Overdracht advies aan UHT: 9 juni 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag van 30 juli 2024 met kenmerk UHT-DCHO (hierna: het bestreden besluit).
In het bestreden besluit is aan belanghebbende compensatie toegekend van
€ 96.454 voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 6 juli 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2011.
- UHT heeft bij beschikking van 29 juni 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op basis van de zogeheten Catshuisregeling.
- UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 96.021.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 96.454.
- Toenmalige gemachtigde heeft op 24 juli 2024 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
- UHT heeft op 30 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 21 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend.
Ontbrekende stukken/volledige dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken aanwezig zijn. De Commissie volgt dit standpunt niet. De schriftelijke reactie van UHT en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn aan gemachtigde toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit, is dit gebrek naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. Op dit punt treft het bezwaar geen doel.
Toeslagjaar 2006
De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over toeslagjaar 2006 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen dan wel hardheid van het stelsel als bedoeld in de Wht. De terugvorderingen KOT zijn door UHT in de schriftelijke reactie nader onderbouwd en deze komen voort uit reguliere wijzigingen, namelijk een hoger toetsingsinkomen. De bijstellingen zijn daarmee conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven, gelet op artikel 2.1, lid 1, onder b Wht, in beginsel geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft in het bezwaar geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS), zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. Belanghebbende komt voor toeslagjaar 2006 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Overige jaren
De Commissie stelt vast dat belanghebbende voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2011 is gecompenseerd. Het gaat daarbij om een compensatie wegens vooringenomenheid over de periode van januari tot en met april 2007 en voor de resterende maanden van 2007 en de jaren 2008 tot en met 2011 om een compensatie wegens hardheid van het systeem.
De Commissie heeft oog voor de moeilijke periode die belanghebbende heeft meegemaakt als gevolg van het ten onrechte automatisch continueren van de uitbetaling van KOT, hoewel zij tijdig haar verhuizing naar België aan B/T had gemeld.
De Commissie overweegt dat de wetgever de keuze heeft gemaakt om in het kader van de integrale beoordeling te werken met een systeem van vaste (“forfaitaire”) vergoedingen. Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Daarvoor staat een andere procedure. Tijdens de zitting is door gemachtigde aangegeven dat al een verzoek is ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
O/GS
De Commissie overweegt dat in de onderhavige procedure de (wijze van) vaststelling dat er geen sprake is van een onterechte O/GS aan de orde is. Belanghebbende stelt dat zij deze constatering nader toegelicht wil hebben met onderbouwende stukken en informatie.
De Commissie acht het onvoldoende dat door UHT uitsluitend wordt verwezen naar productie 1300001 in het dossier, waarin slechts de vaststelling ‘O/GS’ te lezen is en niet hoe dit is vastgesteld. De Commissie meent dat belanghebbende recht heeft op de onderliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de O/GS-beoordeling. De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid Ergin die op 10 maart 2026 is aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026,
36 708, nr. 68) waarin de Kamer heeft uitgesproken dat UHT standaard en actief inzage geeft in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS kwalificatie.
Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NKL:RBROT:2026:1545.
Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS kwalificatie en om belanghebbende de gelegen-heid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.
Vergoeding proceskosten
Met betrekking tot de kosten van de rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure geldt dat, nu het bezwaar in de visie van de Commissie ongegrond is, de belanghebbende geen recht heeft op een proceskostenvergoeding.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren, behoudens voor zover is aangevoerd dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter