BAC 2025-16712
Publicatiedatum 08-09-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 2 april 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 7 mei 2026
Overdracht advies aan UHT: 9 juni 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag van 2 april 2024.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een compensatie toegekend van € 24.220 voor de toeslagjaren 2006 en 2007 en geen compensatie of tegemoetkoming toegekend voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 22 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2006 tot en met 2009. In overleg met belanghebbende zijn ook de toeslagjaren 2010 en 2011 herbeoordeeld.
- UHT heeft bij besluit van 8 april 2022, met kenmerk UHT CHR GU, aan belang-hebbende medegedeeld dat zij (nog) niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling, maar dat de beoordeling nog niet is afgerond.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 20 december 2023, met kenmerk UHT-VCH, aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 24.096 voor de toeslagjaren 2006 en 2007. Op grond van de Catshuisregeling is dit bedrag aangevuld tot € 30.000. Er is geen compensatie of tegemoetkoming toegekend voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2011.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft op 15 februari 2024 aan UHT geadviseerd dat ten aanzien van de jaren 2008 tot en met 2011 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij het bestreden definitieve besluit herbeoordeling kinderopvang-toeslag van 2 april 2024, met kenmerk UHT-DCHO, aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 24.220 voor de toeslagjaren 2006 en 2007 en geen compensatie of tegemoetkoming toegekend voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2011.
- Gemachtigde heeft bij brief van 13 mei 2024, ingekomen op 15 mei 2024, tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
- UHT heeft op 11 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
- Gemachtigde heeft op 28 april 2026 het bezwaar aangevuld.
- Op 7 mei 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 13 mei 2026 een nadere schriftelijke beschouwing ingediend. Gemachtigde heeft daar op 26 mei 2026 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de toeslagjaren 2006 en 2007 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2011 af te wijzen.
Persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke reactie en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn op 23 februari 2026 aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.
De compensatieberekening
In haar schriftelijke reactie heeft UHT ambtshalve de componenten en de hoogte hiervan concreet toegelicht en de compensatieberekening volledig heroverwogen. UHT heeft geconstateerd dat er een fout zit in de toeslagrente over gemiste KOT (onderdeel o) ten aanzien van de jaren 2006 en 2007. De bedragen zijn in het bestreden besluit te hoog vastgesteld. De Commissie neemt kennis van het feit dat UHT deze bedragen niet zal aanpassen in de beslissing op bezwaar, omdat belanghebbende niet in een slechtere positie mag geraken door het indienen van bezwaar. De Commissie adviseert dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Herbeoordeling toeslagjaren 2008 en 2009
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2008 en 2009 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.
De terugvordering KOT over deze toeslagjaren was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend.
In toeslagjaar 2008 heeft er één neerwaartse correctie plaatsgevonden.
De neerwaartse wijziging was gelegen in een stopzetting van de KOT op 9 januari 2009 door belanghebbende zelf, per 1 januari 2008. In het dossier is een XML-melding van de desbetreffende stopzetting opgenomen (productie 1208001). Belanghebbende heeft betwist dat zij de KOT zelf heeft stopgezet. Belanghebbende stelt dat zij werkte in 2008 en daarom gebruik maakte van kinderopvang. Nu belanghebbende deze stelling niet nader heeft onderbouwd, met bijvoorbeeld een jaaropgaaf van de KOI, en ook uit de KOI viewer niet blijkt dat er opvang is geweest, acht de Commissie het op basis van het XMLbestand voldoende aannemelijk dat belanghebbende de KOT met ingang van 1 januari 2008 heeft stopgezet. Belanghebbende heeft ook geen bezwaar gemaakt tegen de nihilstelling.
In 2009 is de KOT eveneens één keer neerwaarts gecorrigeerd, omdat belang-hebbende op 7 november 2010 op het Antwoordformulier ten aanzien van de KOT over 2009 heeft aangekruist dat zij in 2009 geen gebruik van kinderopvang heeft gemaakt. Bovendien had belanghebbende reeds op 9 januari 2009 de KOT per
1 januari 2008 stopgezet.
Voornoemde bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Herbeoordeling toeslagjaren 2010 en 2011
Volgens artikel 2.1, lid 1 van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT.
Volgens UHT deed dit zich voor in de jaren 2010 en 2011 nu belanghebbende in die jaren geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Belanghebbende heeft de juistheid van dat standpunt niet bestreden. Volgens het eigen beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid.
De Commissie stelt vast dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. De Commissie merkt hierbij nog wel op dat het haar bevreemdt dat de KOT, ondanks de stopzetting op 9 januari 2009 (per 1 januari 2008), eind 2009 automatisch gecontinueerd is naar de toeslagjaar 2010. In 2009 is er geen KOT meer uitgekeerd of verrekend na
30 maart 2009 (zie het LIC-overzicht op pagina 265 van het dossier).
Eveneens begrijpt de Commissie niet waarom de betaling van KOT is voortgezet nadat belanghebbende op 12 mei 2010 de KOT nogmaals heeft stopgezet, per
1 januari 2010 (zie pagina 189 van het dossier) en dat de KOT eind 2010 opnieuw automatisch is gecontinueerd voor 2011. Met deze gang van zaken heeft B/T voor verwarring gezorgd bij belanghebbende. De Commissie onderschrijft echter het standpunt van UHT dat dit gegeven op zichzelf onvoldoende grond vormt om vast te stellen dat er sprake is geweest van vooringenomen handelen of hardheid.
Gelet op het voorgaande komt belanghebbende voor de jaren 2010 en 2011 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Opzet/grove schuld
Belanghebbende stelt dat zij een vergoeding moet krijgen vanwege het feit dat haar geen betalingsregeling is aangeboden. UHT heeft volgens belanghebbende de stelling dat er geen sprake is van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) onvoldoende onderbouwd. Volgens UHT blijkt uit productie 1300001 dat er geen sprake is geweest van een (onterechte) O/GS-kwalificatie.
De Commissie stelt vast dat op basis van de stukken niet is gebleken dat belanghebbende om een betalingsregeling heeft verzocht. Blijkens de LIC-overzichten zijn alle teruggevorderde bedragen verrekend. De Commissie acht het daarom op voorhand niet aannemelijk dat belanghebbende een aanvraag om een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling heeft ingediend in verband met de terugvordering van KOT en dus evenmin dat een dergelijke regeling is geweigerd.
Met betrekking tot het verzoek van belanghebbende om de onderliggende stukken O/GS overweegt de Commissie als volgt. Gelet op de memo van de Staatssecretaris van Financiën van 12 augustus 2024 en de daarop gebaseerde uitspraak van rechtbank Amsterdam van 31 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3643, dient UHT standaard en actief inzage geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS- kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen.
Deze onderliggende stukken ontbreken in dit geval.
De Commissie adviseert UHT om, voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie. UHT dient de onderliggende stukken ten aanzien van de O/GSkwalificatie actief te verstrekken, zonder dat belanghebbende hier zelf nog een verzoek voor moet indienen. De Commissie adviseert daarnaast om belanghebbende de gelegenheid te geven op de stukken te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.
Proceskosten
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en om het verzoek om een proceskosten-vergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter