BAC 2026-17006
Publicatiedatum 08-09-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 5 december 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: n.v.t.
Overdracht advies aan UHT: 9 juni 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaarschrift ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 18.566,- voor de jaren 2015 en 2017 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2014, 2016, 2018 en 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 8 juni 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2014 tot en met 2019.
- UHT heeft bij beschikking van 26 januari 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen heeft op 22 november 2024 aan UHT geadviseerd dat gedurende de jaren 2014, 2016, 2018 en 2019 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 18.566 voor de jaren 2015 en 2017 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2014, 2016, 2018 en 2019. Omdat belanghebbende al een bedrag van € 30.000 had ontvangen, heeft geen nabetaling plaatsgevonden.
- Gemachtigde heeft bij brief van 10 januari 2025 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
- UHT heeft op 21 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 14 april 2026 heeft de Commissie gemachtigde per e-mail gevraagd of belanghebbende gebruik wilde maken van het recht om te worden gehoord. Tevens heeft de Commissie meegedeeld dat, indien van dit recht werd afgezien, met ingang van die datum een termijn van vijf weken gold voor het indienen van aanvullende gronden. Bij e-mail van 16 april 2026 heeft belanghebbende te kennen gegeven niet ter hoorzitting te zullen verschijnen.
- Gemachtigde heeft bij brief van 18 mei 2026 haar bezwaarschrift aangevuld.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Het afzien van de hoorzitting
De Commissie constateert dat belanghebbende - blijkens het gestelde op de eerste bladzijden van de aanvullende reactie van gemachtigde - over het nut en het belang van een hoorzitting een opvatting heeft die afwijkt van de breed gedragen zienswijze van de BAC. Dit advies is niet de juiste plaats voor een inhoudelijke standpuntwisseling over dit verschil van opvatting. De BAC volstaat met een verwijzing naar hetgeen over het beginsel van hoor en wederhoor, zoals toegepast via de weg van een hoorzitting bij de BAC, als hoeksteen van rechtsbescherming is opgetekend in ‘De waarde van hoor en wederhoor’, Jaarverslag 2025 van de Bezwaarschriftenadviescommissie Hersteloperatie Toeslagen.
In de kern samengevat heeft belanghebbende de volgende bezwaren tegen het bestreden besluit aangevoerd.
Geen persoonlijk dossier en/of onvolledig bezwaardossier
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat zij niet de beschikking heeft over de volledige informatie, omdat zij niet de beschikking heeft over haar persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier. De Commissie overweegt hierover het volgende. De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, volgend op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.
Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De schriftelijke beschouwing van UHT met de bijbehorende producties is op 1 april 2026 naar gemachtigde gestuurd. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit. Uit het verzoek van belanghebbende om toezending van het persoonlijk dossier volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij de totstandkoming van het door UHT genomen besluit. Naar het oordeel van de Commissie is in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. Het bezwaar is op dit punt dan ook ongegrond.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende stelt dat UHT onvoldoende helder en begrijpelijk aan belanghebbende kenbaar heeft gemaakt hoe de onderdelen van de compensatieberekening zijn opgebouwd. Voor zover er sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kan dat in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie ziet nu niet in waarom UHT het persoonlijk verhaal van belanghebbende – onder meer blijkend uit het beoordelingsformulier – onvoldoende in kaart heeft gebracht.
Beoordeling per jaar
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen en voor andere jaren niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders.
De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).
De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om de vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) of bijzondere omstandigheden in een toeslagjaar acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist.
De Commissie adviseert UHT daarom dit deel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Forfaitaire bedrag materiële en immateriële schade
Met betrekking tot de hoogte van de toegekende bedragen voor materiële en immateriële schade merkt de Commissie het volgende op. Op grond van artikel 2.3 lid 3 van de Wht is de vergoeding voor materiële schade gelijk aan 25 procent van het bedrag dat als gevolg van het besluit niet is toegekend of teruggevorderd.
Op grond van artikel 2.3lid 4 van de Wht is de vergoeding voor immateriële schade een forfaitaire vergoeding van € 500 voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van een eerste besluit als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van het eerste besluit tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van een half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar. Het is op basis van de Wht niet mogelijk om af te wijken van deze systematiek en een hogere schadevergoeding toe te kennen. De onderhavige bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van genoemde forfaitaire (standaard) vergoedingen en niet op de vergoeding van eventuele hogere werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld op https://schadeherstel. toeslagen.nl/.
Datakluis 64 miljoen achtergehouden documenten
Belanghebbende verzoekt om alle stukken uit de datakluis. De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar, waaronder hetgeen met betrekking tot de ‘datakluis’ naar voren is gebracht, van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden. Voor de datakluis geldt daarbij in het bijzonder dat, gelet op de nu voorhanden gegevens over de datakluis de inhoud daarvan niet is betrokken bij het bestreden besluit, zodat deze niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoort, als bedoeld in artikel 7:4 lid 2 van de Awb.
Dit betekent ook dat de Commissie niet hoeft te wachten op nadere verduidelijking over de kluisgegevens.
Gevolgen van de termijnoverschrijding door UHT
Belanghebbende verzoekt de Commissie advies uit te brengen over de aan UHT op te leggen gevolgen van het overschrijden van de voor UHT geldende (beslis)-termijnen. De Commissie gaat aan dit verzoek voorbij, nu de door UHT gehanteerde termijnen van beslissen buiten het kader van haar bevoegdheden vallen als bedoeld in artikel 2 van het Instellingsbesluit Bezwaarschriftenadvies-commissie Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken en hardheid van het toeslagenstelsel.
FSV-lijst
Belanghebbende stelt dat de conclusie van UHT dat zij niet op de Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV) lijst heeft gestaan niet wordt onderbouwd met stukken. Het FSV-systeem is een afgesloten systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid. In het bezwaardossier is, samen met een kopie Dagboek FSV, vermeld dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst.
De Commissie overweegt dat UHTmag uitgaan van de juistheid van deze raadpleging.
O/GS
De Commissie overweegt dat in de onderhavige procedure de (wijze van) vaststelling dat sprake was van O/GS aan de orde is geweest. Belanghebbende heeft gesteld dat zij deze constatering nader toegelicht wil hebben met onderbouwende stukken. De Commissie acht het onvoldoende dat door UHT uitsluitend wordt verwezen naar productie 1300001 in het dossier, waarin slechts de vaststelling ‘O/GS’ te lezen is en niet hoe dit is vastgesteld. De Commissie meent dat belanghebbende recht heeft op de onderliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de O/GS-beoordeling. De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid Ergin die op 10 maart 2026 is aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) waarin de Kamer heeft uitgesproken dat UHT standaard en actief inzage geeft in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NKL:RBROT:2026:1545 en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3643. Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.
Discriminatie
In de stukken van het bezwaardossier heeft de Commissie geen aanwijzingen gevonden dat in het geval van belanghebbende discriminatie heeft plaats-gevonden. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Artikel 19 Awir
Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van 13 weken definitief had moeten beslissen over de KOT, maar dat niet heeft gedaan. De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.
Niet toegekende KOT
Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen.
Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie is van oordeel dat ook dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.
Informatie uit de KOI-viewer
Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om gegevens in de viewer in te vullen.
De Commissie is van oordeel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie van de KOI-viewer, tenzij er indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken.
Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit zou kunnen blijken dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is. Deze bezwaargrond treft geen doel. De Commissie adviseert UHT dit bezwaar ongegrond te verklaren.
Bezwaarprocedures
Registratie KOI
Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een kinderopvanginstelling (hierna: KOI) belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen.
Met UHT stelt de Commissie vast dat in het geval van belanghebbende niet is gebleken van gebreken in de registratie van de KOI waarvan UHT gebruik heeft gemaakt. De Commissie adviseert UHT derhalve dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Belanghebbende heeft verzocht om een proceskostenveroordeling toe te kennen conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en het bestreden besluit in stand kan blijven, adviseert de Commissie om belanghebbende geen proceskosten-vergoeding toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter