Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16895

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 7 oktober 2024 (UHT-DCHO) en 11 december 2024
(UHT-DCHO)

Hoorzitting: 8 april 2026

Overdracht advies aan UHT: 5 juni 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren, compensatie toe te kennen voor de maanden juni tot en met december 2010, niet uit te gaan van de situatie ‘Partieel evident geen recht op KOT’, de compensatieberekening aan te passen en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 7 oktober 2024 en tevens tegen de herziene beschikking van 11 december 2024.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van €46.595,-, bij herzien besluit verhoogd naar €47.412,- voor de periode juni tot en met september 2010, toeslagjaar 2011, de periode januari tot en met augustus 2012 en geen compensatie toegekend voor de periode oktober tot en met december 2010, september tot en met december 2012, en toeslagjaren 2013 en 2014. Ook is een O/GS-tegemoetkoming toegekend voor de jaren 2010, 2012 en 2013 van €14.262,-. Het totaalbedrag na het herziene besluit is €61.674,-.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 2 januari 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009, 2010, 2011 en 2012. UHT heeft de jaren 2010 tot en met 2014 herbeoordeeld.
  • UHT heeft bij besluit van 23 februari 2023 aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 20 november 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat UHT zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatie-regeling van artikel 2.1, eerste lid, Wht niet van toepassing is voor de maanden juni en juli 2010, september tot en met december 2012 en de toeslagjaren 2013 en 2014. Voorts wordt voor de berekening van de compensatie voor de jaren 2010 en 2012 terecht uitgegaan van de daadwerkelijke opvangkosten.
  • UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €46.338,-.
  • Gemachtigde heeft daarop op 13 september 2024 de zienswijze van belanghebbende gegeven.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit van 7 oktober 2024 met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €46.595,- voor de periode juni tot en met september 2010, toeslagjaar 2011, de periode januari tot en met augustus 2012 en geen compensatie toegekend voor de periode oktober tot en met december 2010, september tot en met december 2012, en toeslagjaren 2013 en 2014. Voor de jaren 2010, 2012 en 2013 is wel een O/GS-tegemoetkoming toegekend van €14.262,-. Het totaalbedrag is €60.857,-.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 13 november 2024, ingekomen op 15 november 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft het besluit van 7 oktober 2024 herzien bij besluit van 11 december 2024 met kenmerk UHT-DCHO en aan belanghebbende een compensatie toegekend van €47.412,- en een O/GS-tegemoetkoming van €14.262,-, in totaal een bedrag van €61.674,-.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 6 december 2024 meegedeeld dat het bezwaarschrift van 13 november 2024 geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 11 december 2024.
  • UHT heeft op 5 december 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 3 maart 2026, het bezwaar aangevuld.
  • UHT heeft op 1 april 2026 schriftelijk gereageerd op de aanvullende bezwaar-gronden.
  • Op 8 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 22 april 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 7 mei 2026 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

UHT heeft de herbeoordeling van de KOT ambtshalve uitgebreid met de toeslagjaren 2007 tot en met 2009 en 2015 tot en met 2019 en de uitkomsten daarvan kenbaar gemaakt in de aanvullende schriftelijke beschouwing van 1 april 2026. De Commissie is van oordeel dat in deze beschouwing beslissingen ten aanzien van voormelde toeslagjaren liggen besloten die het karakter hebben van beschikkingen in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Gelet op artikel 6:19 van de Awb, waarin is bepaald dat een bezwaar van rechtswege mede betrekking heeft op een beschikking die de bestreden beschikking wijzigt, intrekt of vervangt, wordt het bezwaar geacht zich ook uit te strekken tot de desbetreffende beschikkingen die besloten liggen in voormelde aanvullende schriftelijke beschouwing. Gelet op het voorgaande merkt de Commissie deze beschikkingen aan als onderdeel van het geschil.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gezien de bezwaargronden gesteld voor de vraag of UHT op goede gronden slechts voor een deel van toeslagjaar 2010 compensatie heeft toegekend en of sprake is van de situatie ‘Partieel evident geen recht op KOT’ voor 2010 en 2012. Daarnaast stelt belanghebbende dat toeslagjaar 2009 ten onrechte niet herbeoordeeld is.

Herbeoordeling toeslagjaar 2009
Belanghebbende stelt dat toeslagjaar 2009 ten onrechte niet herbeoordeeld is.
Zij wijst op de jaaropgave over 2009.

De Commissie stelt vast UHT toeslagjaar 2009 alsnog heeft herbeoordeeld. Uit het aanvraagoverzicht in het SAS Rapport (productie 0900001) leidt de Commissie af dat belanghebbende voor 2009 geen aanvraag voor KOT heeft ingediend. Uit het overzicht met beschikkingen blijkt dat voor dit jaar ook geen KOT-beschikkingen zijn afgegeven aan belanghebbende. Op grond van artikel 2.1 lid 1 Wht wordt compensatie toegekend aan de aanvrager van KOT. Belanghebbende voldoet voor toeslagjaar 2009 niet aan dit vereiste en komt daarom niet voor compensatie op grond van deze herstelmaatregel in aanmerking.

Toeslagjaar 2010
Belanghebbende betoogt onder verwijzing naar de jaaropgaven 2010 dat haar kinderen het hele jaar 2010 opvang hebben genoten. De daadwerkelijke opvangkosten bedroegen €18.096,90 dus meer dan het voorschot KOT van €16.227,-. De stelling in de beschouwing van 5 december 2025 dat het voorschot meer dan tweemaal hoger is dan de daadwerkelijke opvangkosten is derhalve onbegrijpelijk en onjuist.

Ook is de beschouwing onbegrijpelijk in relatie tot de bestreden beschikkingen met betrekking tot de maanden waarover wel en geen compensatie is toegekend.

UHT heeft zich op de hoorzitting op het standpunt gesteld dat aan belang-hebbende compensatie op grond van vooringenomenheid toekomt voor de periode augustus tot en met december 2010 en dat voor de maanden juni en juli 2010 sprake is van evident geen recht op KOT en daarom voor die twee maanden geen recht is op compensatie.

De Commissie stelt vast dat het standpunt van UHT ter zitting, dat de maanden juni en juli 2010 niet voor compensatie in aanmerking komen, afwijkt van de in de bestreden besluiten toegekende compensatie. Deze compensatie is toegekend voor de maanden juni tot en met september 2010.

Desgevraagd heeft UHT in de nadere beschouwing van 22 april 2026 gesteld dat gelet op de woonsituatie van belanghebbende, het feit dat haar kinderen het hele jaar naar dezelfde opvang gingen en de ruimhartigheid die gepast is bij het herstel van de toeslagenaffaire, compensatie wordt toegekend voor de hele periode juni tot en met december 2010. Als grondslag hiervoor gebruikt UHT de overgelegde jaaropgaven.

De Commissie neemt met instemming kennis van de toezegging van UHT om alsnog compensatie te verlenen over de periode juni tot en met december 2010. De Commissie merkt hierbij op dat de grondslag voor die compensatie echter niet enkel gelegen is in de ruimhartigheid is die moet worden toegepast in het herstelproces, maar met name in het feit dat belanghebbende aanvrager van de KOT was over die periode en voldoet aan alle andere voorwaarden om voor compensatie in aanmerking te komen. Nog los van het feit dat in het primaire besluit al compensatie is toegekend over de maanden juni en juli 2010 en UHT deze eerder toegekende compensatie in bezwaar niet kan herzien. Omdat belanghebbende KOT heeft aangevraagd per 21 juni 2010 kan pas vanaf deze maand compensatie worden toegekend.

Partieel evident geen recht toeslagjaren 2010 en 2012
Voor de toeslagjaren 2010 en 2012 heeft UHT zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van partieel evident geen recht. Hiervan is volgens UHT sprake wanneer het voorschot in meerdere jaren dermate hoog is ten opzichte van de daad-werkelijke opvangkosten dat in uitzonderlijke gevallen kan worden gesteld dat belanghebbende had moeten beseffen dat de KOT te hoog was vastgesteld, waardoor voor het meerdere boven de opvangkosten in het jaar evident geen recht op KOT kan worden gesteld. Hiervan is volgens UHT alleen sprake als:
a) de situatie zich in meerdere jaren voordoet

b) de toegekende KOT minimaal twee keer zo hoog is als de werkelijke opvangkosten

c) de toegekende KOT maandelijks is uitbetaald op de rekening van belanghebbende.

Op de hoorzitting heeft UHT gesteld dat het oordeel van partieel evident geen recht over 2010 onterecht is. In de aanvullende beschouwing van 22 april 2026 komt UHT daarop weer terug; gelet op het zeer hoge bedrag aan KOT van €16.227,- over het jaar 2010 dat meer dan twee keer zo hoog is als de daadwerkelijke opvangkosten op de jaaropgave van belanghebbende van €6.634,80 vindt UHT het oordeel dat sprake is van partieel evident geen recht op KOT toch terecht. Daarnaast is ook in 2012 sprake van partieel evident geen recht, waardoor het in meerdere jaren aan de orde is.

Namens belanghebbende is betoogd dat UHT gehouden kan worden aan het ter zitting ingenomen standpunt dat de conclusie ten aanzien van ‘partieel evident geen recht’ niet terecht zou zijn. Voor toeslagjaar 2010 geldt inmiddels bovendien dat door de alsnog toegekende maanden juni en juli er geen sprake kan zijn van wanverhouding tussen de verstrekte KOT en de kosten van opvang. Bovendien werd de KOT tot aan juni terecht toegekend aan de ex-partner van betrokkene, nu hij over die periode de aanvrager was, en is niet gebleken dat ook dat KOT-recht tot enige wanverhouding zou leiden.

Bovendien geldt voor het jaar 2012 inmiddels eveneens dat de aanvankelijke compensatie te laag was door van een te laag bedrag in kolom A uit te gaan.

De Commissie adviseert UHT met klem om juist in deze hersteloperatie niet terug te komen op een eenmaal gedane toezegging, in dit geval ook gedaan in het bijzijn van belanghebbende. UHT heeft zich in de zaak van belanghebbende ten aanzien van het jaar 2010 steeds op wisselende standpunten gesteld. Allereerst zijn per beschikking de maanden juni en juli 2010 gecompenseerd, in bezwaar werd op dit standpunt teruggekomen en werd gesteld dat er sprake is van partieel evident geen recht en de maanden juni en juli 2010 toch niet voor compensatie in aanmerking komen. Het standpunt van partieel evident geen recht over 2010 werd tijdens de hoorzitting weer teruggenomen waarna in een aanvullende beschouwing na de zitting weer het standpunt werd ingenomen dat er wel sprake is van partieel evident geen recht over 2010. Daarnaast wankelt dit standpunt van UHT op twee benen. Zo wordt aan de laatste vaststelling dat er toch sprake is van partieel evident geen recht over het jaar 2010 geen gevolg gegeven, het jaar wordt immers wel gecompenseerd, maar wordt dit standpunt gebruikt om te onderbouwen dat er in 2012 dan wel sprake is van partieel evident geen recht.
Dit standpunt over het jaar 2012 kan namelijk alleen worden ingenomen als er in meerdere jaren sprake is van partieel evident geen recht.

Deze handelswijze waarbij dusdanig veel wisselende standpunten worden ingenomen en op een eerdere toezegging wordt teruggekomen is niet alleen onnavolgbaar in een herstelproces als onderhavige, maar bovenal onacceptabel jegens belanghebbende die zich thans weer geconfronteerd ziet met een overheid die van het ene op andere moment “als een blad aan een boom omslaat”.

Daarnaast stelt de Commissie vast dat de gegeven onderbouwing voor partieel evident geen recht ook nog eens onjuist is. Volgens de eigen berekening van UHT in de aanvullende beschouwing van 22 april 2026 (onder bezwaargrond 3, component A voor 2010) bedroegen de daadwerkelijke opvangkosten op basis van de jaaropgaven voor de periode juni tot en met december 2010 €10.957,-, dus niet meer dan twee keer zo hoog als het voorschot KOT van €16.227,-. Aan de door UHT geformuleerde voorwaarde dat de toegekende en uitbetaalde KOT minimaal twee keer zo hoog is als de werkelijke opvangkosten is daarom niet voldaan. Ook om die reden is geen sprake van de situatie ‘Partieel evident geen recht op KOT’ voor 2010 en dus ook niet voor het jaar 2012 nu UHT zich zelf op het standpunt stelt dat deze situatie zich in meerdere jaren moet voordoen.

Compensatieberekening
In de beschouwing van 5 december 2025 stelt UHT dat de compensatieberekening op een aantal punten onjuist is. Dit is echter in het voordeel van belanghebbende en zal niet worden aangepast.

De Commissie neemt van dit standpunt met instemming kennis.

Gelet op de toekenning van compensatie voor juni tot en met december 2010 in de beschouwing van 22 april 2026 wordt de compensatieberekening voorts aangepast in het voordeel van belanghebbende. Ook daarvan neemt de Commissie met instemming kennis.

Nu de Commissie voor zowel 2010 als 2012 niet de situatie van ‘Partieel evident geen recht op KOT’ aanneemt, adviseert de Commissie UHT om de compensatieberekening ook daarop aan te passen.

Proceskostenvergoeding
Nu de primaire besluiten naar de mening van de Commissie dienen te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gegrond te verklaren, en om:

  • belanghebbende compensatie toe te kennen voor de maanden juni tot en met december 2010;
  • de compensatieberekening aan te passen ervan uitgaande dat geen sprake is van de situatie van ‘Partieel evident geen recht op KOT’ voor 2010 en 2012;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter