BAC 2025-16734
Publicatiedatum 06-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Bestreden besluit: besluit van 28 november 2024 (UHT-DCHOA)
Overdracht advies aan UHT: 5 juni 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, behoudens voor zover is aangevoerd dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking kinderopvangtoeslag van 28 november 2024 (UHT-DCHOA).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2005 tot en met 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 12 mei 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). UHT heeft de jaren 2005 tot en met 2011 herbeoordeeld.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 19 november 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat UHT zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatie-regeling van artikel 2.1, eerste lid, Wht niet van toepassing is voor de toeslag-jaren 2005 tot en met 2011.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2005 tot en met 2011.
- Gemachtigde heeft bij brief van 19 december 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 4 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Bij e-mailbericht van 9 april 2026 heeft de Commissie gemachtigde verzocht om binnen twee weken na de datum van het mailbericht per antwoordmail aan te geven of, zoals ook in andere zaken waarin deze gemachtigde optreedt, in deze zaak wordt afgezien van het recht te worden gehoord. Als belanghebbende gehoord wil worden, zal een hoorzitting worden gepland. Als dit bericht de Commissie niet binnen de gestelde termijn van twee weken bereikt, zal geen hoorzitting worden gehouden en zal de Commissie op de stukken adviseren.
Bij de advisering op de stukken staat het gemachtigde vrij om gedurende een periode van drie weken te rekenen vanaf de laatste dag van de hierboven bedoelde periode van twee weken nog extra punten/stukken in te dienen.
Deze zal de Commissie dan met UHT delen, maar de Commissie zal bij ontvangst hiervan in beginsel niet verder wachten met het uitbrengen van advies aan UHT. De Commissie zal wel rekening houden met de bedoelde eventuele extra punten/stukken die van gemachtigde ontvangen zijn. De Commissie zal UHT (of UHT en vervolgens gemachtigde weer) slechts dan ruimte bieden voor een reactie als de Commissie van oordeel is dat een dergelijke extra schriftelijke ronde noodzakelijk is om tot een advies te komen. - Bij e-mailbericht van 10 april 2026 heeft gemachtigde hierop geantwoord dat belanghebbende geen behoefte heeft aan een hoorzitting, dat zij ervoor kiest geen hoorzitting te doen inplannen en afziet van het houden van een hoorzitting. Zij verzoekt de Commissie om een nadere schriftelijke ronde in te lassen.
- De Commissie heeft daarom op grond van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgezien van het horen van belanghebbende. Zij zal daarom adviseren op basis van de aan haar bekende stukken.
- Bij e-mailbericht van 17 mei 2026 heeft gemachtigde de bezwaargronden aangevuld.
- UHT heeft daarop op 19 mei 2026 gereageerd.
- De Commissie heeft op 20 mei 2026 aan partijen meegedeeld dat zij overgaat tot advisering.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet is geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich, gelet op de gronden van bezwaar, gesteld voor de vraag of UHT op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2005 tot en met 2008 en 2011 af te wijzen. De jaren 2009 en 2010 zijn niet in geschil.
Herbeoordeelde jaren
UHT heeft de jaren 2005 tot en met 2011 herbeoordeeld. De Commissie stelt vast dat blijkens het aanvraagoverzicht in het SAS-rapport over latere jaren geen aanvraag KOT is ingediend. Evenmin is sprake van KOT-beschikkingen over latere jaren. De herbeoordeling is dan ook terecht beperkt tot de toeslagjaren 2005 tot en met 2011.
Beoordeling per jaar
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders.
De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting van de Wht wordt dit punt expliciet besproken:
“Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19). De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren.
Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door de Belastingdienst/ Toeslagen (hierna: B/T) of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Artikel 19 Awir; onderzoeksplicht vooraf
Belanghebbende stelt dat B/T in strijd met het toen geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in de betreffende toeslagjaren. Verder betoogt belanghebbende, onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting ten aanzien van artikel 16 Awir, dat B/T een onderzoeksplicht vooraf had, op basis van tastbare gegevens, of aanspraak bestond op KOT voordat een voorschot KOT werd toegekend. Het niet voldoen aan deze onderzoeksplicht komt voor rekening van B/T; terugvordering mag dan niet meer. De Commissie meent dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir op zichzelf, zonder andere bijkomende factoren, geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen. Voor zover moet worden uitgegaan van een onderzoeksplicht voor B/T zoals door belanghebbende is betoogd, geldt hiervoor naar de Commissie meent hetzelfde.
Gevolgen van de termijnoverschrijding door UHT
Belanghebbende heeft de Commissie verzocht om advies uit te brengen over de aan UHT op te leggen maatregelen vanwege de termijnoverschrijding bij het nemen van een beslissing op het bezwaar.
Het gevolg van een termijnoverschrijding is dat belanghebbende mogelijk recht heeft op een dwangsom. Hiertoe kan belanghebbende UHT in gebreke stellen en zo nodig in beroep gaan bij de bestuursrechter.
De Commissie heeft geen bevoegdheid hierover een advies uit te brengen, omdat dit valt buiten het kader van haar bevoegdheden als bedoeld in artikel 3 van de Instellingsregeling Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen.
Discriminatie
De Commissie overweegt dat zij in het kader van de hersteloperatie toeslagen niet de bevoegdheid heeft om te beoordelen of in het geval van een belanghebbende sprake is geweest van discriminatie. De Commissie stelt vast dat UHT in de aanvullende beschouwing van 19 mei 2026 haar standpunt op dit punt nader heeft toegelicht, waarmee naar zij hoopt, de gewenste duidelijkheid is verschaft.
FSV-lijst
De Commissie stelt vast dat uit het bezwaardossier (productie 1400001) blijkt dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid.
De Commissie adviseert UHT wel om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar.
O/GS-stukken
Gemachtigde verzoekt in het aanvullend bezwaarschrift om alle O/GS-stukken.
Zij acht deze stukken van groot belang om een volledige beoordeling te kunnen maken. Belanghebbende wordt in haar procesbelang geschaad doordat zij niet over de O/GSstukken beschikt.
De Commissie meent dat belanghebbende recht heeft op de onderliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de O/GS-beoordeling.
De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid Ergin die op 10 maart 2026 is aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) en waarin de Kamer heeft uitgesproken dat UHT standaard en actief inzage geeft in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545. Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.
Persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zij onvoldoende beschikt over de onderliggende dossierstukken zodat zij geen goed beeld heeft van wat is beoordeeld en zij haar inhoudelijke bezwaren niet in volledigheid voor kan leggen. Zij verzoekt daarom om haar persoonlijk dossier.
De Commissie stelt vast dat de beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, aan belanghebbende zijn toegezonden. Belanghebbende heeft geen duidelijke aanknopingspunten gegeven waarom het persoonlijk dossier in dit geval moeten worden afgewacht. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken uit het persoonlijk dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom te beslissen dat deze bezwaargrond geen doel treft.
Datakluis
Belanghebbende verzoekt om alle stukken uit de datakluis, waarover in de brief van de Staatssecretarissen van 15 april 2026 aan de Tweede Kamer informatie is verstrekt (brief van 15 april 2026, kenmerk 2026-0000132235 van staats-secretarissen van Financiën en Herstel Toeslagen Eerenberg en Palmen) in het geding te brengen die haar direct of indirect raken.
De Commissie overweegt als volgt. Er is thans geen informatie beschikbaar over de inhoud van genoemde datakluis. In deze zaak heeft UHT een dossier overgelegd waarin de gegevens over de beoordeelde jaren zijn opgenomen die zijn betrokken bij de besluitvorming. De beschouwing van UHT in bezwaar en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. Gelet op de thans voorhanden gegevens mag ervan worden uitgegaan dat UHT informatie uit de inmiddels bekend geworden datakluis niet tot haar beschikking had bij het voorbereiden en nemen van het bestreden besluit en dus behoort de inhoud van die kluis niet tot de op deze zaak betrekking hebbende stukken. Dit betekent dat de Commissie niet hoeft te wachten op nadere verduidelijking over de kluisgegevens.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2005 tot en met 2008 en 2011
De Commissie overweegt dat ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht voor een compensatie in aanmerking komt de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T of hardheid van het stelsel.
De Commissie heeft daarvoor bij belanghebbende geen aanknopingspunten kunnen vinden en legt dat hieronder uit.
Toeslagjaar 2005
Over toeslagjaar 2005 overweegt de Commissie dat over dit jaar in zijn algemeenheid weinig stukken voorhanden zijn. Bij de beschouwing van
4 september 2025 zijn diverse stukken over dit jaar toegestuurd, waaronder een overzicht met de beschikkingen (productie 2800006) en een WKO bestand (productie 2800007). Hierin wordt melding gemaakt van een bijdrage gemeente/UWV.
Dat de KOT bij besluit van 31 juli 2006 is verlaagd van €8.977,- naar €7.930,- vanwege een bijdrage in de kosten door gemeente of UWV, acht de Commissie daarmee aannemelijk. Voor vooringenomen handelen ziet de Commissie geen aanknopingspunten.
Toeslagjaar 2006
Over toeslagjaar 2006 is de KOT bij besluit van 4 juli 2006 verlaagd van €8.964,- naar €4.482,- omdat er KOT is toegekend tot 1 juli 2006. In de beoordeling stelt UHT dat de KOT door belanghebbende is stopgezet per 1 juli 2006. Hiervan zijn geen stukken meer beschikbaar, maar dit stemt overeen met de verklaring van belanghebbende dat haar kind in juni 4 jaar werd en naar de basisschool ging.
Ook uit de jaaropgave (productie 1206001), overgelegd op 29 juni 2007, blijkt van opvang tot 1 juli 2006.
De Commissie overweegt dat gelet op de datum waarop de jaaropgave is ingestuurd, de jaaropgave niet ten grondslag kan hebben gelegen aan de verlaging bij besluit van 4 juli 2006 zoals UHT stelt in haar aanvullende beschouwing van
19 mei 2026. Wel acht de Commissie aannemelijk dat belanghebbende de KOT heeft stopgezet per 1 juli 2006 gelet op de inhoud van haar verklaring en de jaaropgave. Van vooringenomen handelen doordat de KOT ambtshalve zou zijn verlaagd door B/T omdat verondersteld werd dat het kind naar de basisschool ging, is gelet daarop geen sprake.
Toeslagjaren 2006 en 2007 – KOT naar KOI
Voor de jaren 2006 en 2007 stelt belanghebbende dat sprake is van hardheid op grond van de situatie KOT naar KOI omdat de KOT rechtstreeks aan de kinderopvanginstelling is betaald, terwijl vervolgens bedragen van belanghebbende zijn teruggevorderd.
De Commissie overweegt als volgt.
De eerste voorwaarde om in aanmerking te komen voor compensatie op grond van hardheid is dat sprake is van een terugvordering of verlaging van €1.500,- of meer.
Alleen voor 2006 is aan deze eerste voorwaarde voldaan.
Gevallen waarin de KOT rechtstreeks is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling maar bij de ouder wordt teruggevorderd omdat het recht op KOT lager bleek te zijn, kunnen volgens vaste uitvoeringspraktijk – zoals opgenomen in het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek van UHT – een bijzondere omstandigheid opleveren die aanleiding geeft tot recht op compensatie wegens hardheid. Voor het aannemen van het bestaan van een bijzondere omstandigheid is, volgens die praktijk, niet voldoende dat bij de ouder een bedrag van ten minste €1.500,- is teruggevorderd. Ook moet duidelijk zijn dat een bedrag van ten minste €1.500,- teveel is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en niet ten goede is gekomen aan belanghebbende.
De Commissie heeft in de Wht geen aanknopingspunten gevonden die zouden moeten leiden tot de opvatting dat deze praktijk zich niet met die wet zou verdragen of anderszins in strijd zou komen met een wet in formele zin of een rechtsregel van hogere orde. Evenmin acht de Commissie plaats voor de opvatting dat deze praktijk een toets aan het evenredigheidsbeginsel niet zou kunnen doorstaan.
De Commissie volgt UHT in het standpunt dat in dit geval, gegeven deze praktijk, over 2006 geen aanspraak bestaat op compensatie wegens hardheid van het stelsel. Voor dit jaar is aannemelijk geworden dat het bedrag dat teveel is uitgekeerd aan de kinderopvanginstelling en niet aan belanghebbende ten goede kwam, lager was dan €1.500,-.
Blijkens het LIC-overzicht 2006 (productie 1000001) is een bedrag van €5.229,- overgemaakt aan de kinderopvanginstelling. Uit de jaaropgave (productie 1206001) blijkt dat de daadwerkelijke opvangkosten €4.651,92 waren. Het teveel aan de kinderopvanginstelling betaalde bedrag is dus €577,08 en daarmee minder dan €1.500,-. Dit leidt tot de conclusie dat niet is voldaan aan de hiervoor beschreven eisen van UHT voor toekenning van compensatie wegens hardheid van het stelsel.
De Commissie heeft in de stukken geen aanleiding kunnen vinden voor de opvatting dat UHT hier ten gunste van belanghebbende van deze praktijk had moeten afwijken. De door belanghebbende op dit punt ontwikkelde bezwaargrond treft dan ook geen doel.
Toeslagjaar 2007
Belanghebbende betoogt dat B/T naar aanleiding van de KOI-viewer nader uitvraag bij belanghebbende had moeten doen. Uit de KOI-viewer blijkt dat de daadwerkelijke opvangkosten €1.977,57 waren voor de periode 1 april tot en met 31 december 2007. Er is KOT toegekend voor een veel lager bedrag van €1.899,- en vervolgens €513,- en €523,- voor de periode 1 april 2007 tot en met 13 juni 2007.
Naar de Commissie meent, heeft B/T niet vooringenomen gehandeld door geen nadere uitvraag te doen bij belanghebbende naar aanleiding van de KOI-viewer. B/T heeft de KOT verlaagd naar aanleiding van de stopzetting van de KOT door belanghebbende op 20 augustus 2007 per 14 juni 2007 (productie 1207002) en daarmee gehandeld volgens de kennelijke wens van belanghebbende. Belanghebbende heeft daarna voor dat jaar geen aanvraag KOT meer gedaan of bezwaar ingediend tegen de definitieve beschikking.
Toeslagjaar 2008
Belanghebbende verzoekt UHT om de inkomensgegevens over dit jaar zodat gecontroleerd kan worden of het gezamenlijk toetsingsinkomen van €213.091,- juist is. UHT heeft in de aanvullende beschouwing van 19 mei 2026 meegedeeld dat deze gegevens niet overgelegd kunnen worden en bovendien zijn vastgesteld door de belastinginspecteur zodat hieraan niet getwijfeld hoeft te worden. Belanghebbende en haar ex-toeslagpartner zijn ook niet in bezwaar gegaan tegen dit vastgestelde inkomen.
Toeslagjaar 2011
Belanghebbende verzoekt UHT om aan te geven waarom de KOT in 2011 niet automatisch is verlengd.
UHT heeft in de aanvullende beschouwing van 19 mei 2011 verklaard dat dit samenhangt met de voorgaande jaren 2009 en 2010, waarover belanghebbende zelf heeft aangegeven in antwoordformulieren dat over deze jaren geen opvang is afgenomen. Gelet daarop is de KOT voor 2011 niet automatisch gecontinueerd. Over 2011 is geen KOT aangevraagd.
Verrekeningen
Belanghebbende voert aan dat zij in aanmerking komt voor een compensatie van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de verrekeningen van de terug-vorderingen met de nadien toegekende toeslagen (waaronder de toegekende KOT).
De Commissie stelt vast dat alleen over toeslagjaar 2008 een verrekening heeft plaatsgevonden, met KOT 2010, voor een bedrag van €80,-.
De Commissie overweegt dat deze verrekening onderdeel is van de uitvoering die aan de KOT is gegeven. Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en de systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. De wet vermeldt de situatie van verrekening niet expliciet. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid.
De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. Dat is ook met zoveel woorden te lezen in de memorie van toelichting. Daarin staat: Bij gedupeerden door een onterechte O/GS-kwalificatie waren de terugvorderingen op zichzelf niet onterecht, dus deze worden niet gecompenseerd. Wel krijgen de ouders een financiële tegemoetkoming voor het ondervonden nadeel van 30% van de betreffende terugvorderingen (Kamerstukken II 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 14). Uit de wetsgeschiedenis (de nota naar aanleiding van het eindverslag) blijkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7, p. 14). De Commissie adviseert UHT daarom te beslissen dat deze bezwaargrond geen doel treft.
KOT onjuist vastgesteld
Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie O/GS. De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT te beslissen dat deze bezwaargrond geen doel treft.
Overige bezwaargronden
De Commissie is wat betreft de overige gronden van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.
Proceskosten
Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren, behoudens voor zover is aangevoerd dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd.
De Commissie adviseert UHT om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie met betrekking tot FSV (FSV-printscreen) te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar en belang-hebbende voorafgaand aan de beslissing op bezwaar inzage te geven in alle onderliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de O/GS-beoordeling.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter