BAC 2025-16478
Publicatiedatum 06-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 29 oktober 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 11 maart 2026
Overdracht advies aan UHT: 4 juni 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, aan belanghebbende alsnog een compensatie toe te kennen op grond van vooringenomenheid voor het toeslagjaar 2011, alsmede een proceskostenvergoeding.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van €9.712,- voor de jaren 2008 en 2009. Dit bedrag is ingevolge de Catshuisregeling aangevuld tot een bedrag van €30.000,-. Voor de jaren 2005 tot en met 2007 en 2010 tot en met 2013 is aan belanghebbende geen compensatie toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 18 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). UHT heeft de jaren 2005 tot en met 2013 herbeoordeeld.
- UHT heeft bij het bestreden besluit van 29 oktober 2024 met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €9.712,- voor de jaren 2008 en 2009. Dit bedrag is aangevuld tot €30.000,- ingevolge de Catshuisregeling. Voor de jaren 2005 tot en met 2007 en 2010 tot en met 2013 is geen compensatie toegekend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 5 november 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 9 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 11 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 9 april 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 20 april 2026 op gereageerd.
- De Commissie heeft op 21 april 2026 aan partijen medegedeeld dat zij overgaat tot advisering.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2008 en 2009 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot afwijzing van het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2005 tot en met 2007 en 2010 tot en met 2013.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
Belanghebbende heeft verzocht om het onderliggend dossier. De Commissie overweegt dat de beschouwing en de daaraan ten grondslag gelegde stukken aan belanghebbende zijn toegezonden. De Commissie vindt dat UHT hiermee heeft voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.
Compensatieberekening over toeslagjaar 2008 en 2009
In de beschouwing heeft UHT de compensatieberekening over toeslagjaren 2008 en 2009 ambtshalve getoetst en een Bijlage compensatieberekening toegevoegd waarin per component is uitgelegd of het bedrag juist is. Voor het toeslagjaar 2008 heeft UHT geen onjuistheden geconstateerd. Met betrekking tot toeslagjaar 2009 erkent UHT dat de rente over gemiste KOT (component o) onjuist is vastgesteld. Aangezien belanghebbende door toepassing van de correcte data nadeel zal ondervinden, blijft het bedrag ongewijzigd. De Commissie stemt hiermee in.
Afwijzing compensatie over 2005 tot en met 2007 en 2010 tot en met 2013
Aan belanghebbende is voor bovengenoemde toeslagjaren geen compensatie toegekend. Belanghebbende stelt dat zij over deze jaren ook gecompenseerd dient te worden. UHT heeft in de beschouwing per jaar toegelicht waarom zij van oordeel is dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie.
Toeslagjaren 2005 tot en met 2007, 2010 en 2012-2013
De Commissie stelt vast dat over 2005 aan belanghebbende bij beschikking van
17 januari 2005 een voorschot is verstrekt, conform haar aanvraag, van € 3.436,-. Nadien is de KOT bij beschikking van 22 maart 2007 verlaagd naar € 3.368,- op basis van de door belanghebbende ingestuurde jaaropgave van de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) (zie p. 317 van het ouderdossier).
Met betrekking tot toeslagjaar 2006 is bij beschikking van 19 december 2005 aan belanghebbende een voorschot toegekend van € 3.480,-. Bij beschikking van
10 juni 2008 is de KOT verlaagd naar € 2.532,- op grond van het door belanghebbende ingevulde antwoordformulier en de toegezonden jaaropgaaf
(zie p. 327 tot en met p. 335 van het ouderdossier) Het hiertegen door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gedeeltelijk gegrond verklaard, omdat B/T een fout had gemaakt bij het bijstellen van de werkgeversbijdrage, waardoor belanghebbende ten onrechte werd gekort op een andere toeslag.
Ook over het toeslagjaar 2007 heeft belanghebbende bij beschikking van
11 december 2006 een voorschot ontvangen van € 4.284,- aan KOT. Dit voorschot is bij beschikking van 7 april 2009 neerwaarts bijgesteld naar € 3.804,- naar aanleiding van de door belanghebbende ingestuurde jaaropgaaf van de kinderopvanginstelling en een hoger toetsingsinkomen (zie p. 382 tot en met
p. 384 van het ouderdossier).
Met betrekking tot toeslagjaar 2010 heeft belanghebbende bij beschikking van
4 december 2009 een voorschot aan KOT ontvangen van € 4.173,-. Dit voorschot is nadien verlaagd tot € 4.118,- wegens een verhoogd toetsingsinkomen.
Ten aanzien van toeslagjaar 2012 heeft belanghebbende bij beschikking van
29 december 2011 een voorschot ontvangen van € 3.893,-. Dit voorschot is bij beschikking van 14 november 2014 stopgezet door B/T wegens contra-informatie van DUO, waaruit bleek dat het kind van belanghebbende middelbaar onderwijs volgde (zie p. 670 van het ouderdossier). Daarnaast is het toetsingsinkomen verhoogd en blijkt uit gegevens van de KOI dat 5 uur per maand minder opvang is afgenomen.
In toeslagjaar 2013 is de KOT eveneens op basis van contra-informatie van DUO op nihil gesteld. UHT stelt zich op het standpunt dat DUO-gegevens als betrouwbaar worden aangemerkt en dat er daarom geen aanleiding bestond voor een nadere uitvraag bij belanghebbende. Daarbij heeft UHT opgemerkt dat een DUO-melding doorgaans pas wordt gedaan indien sprake is van een overgang naar een ander type onderwijs.
Gelet op het voorgaande overweegt de Commissie dat zij geen aanknopingspunten heeft kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van KOT voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2007, 2010 en 2012 tot en met 2013 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvorderingen KOT over deze toeslagjaren waren gebaseerd op de vaststelling dat er te hoge voorschotten waren toegekend.
De voorschotten zijn door reguliere wijzigingen opnieuw berekend.
Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd en geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen.
Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Herbeoordeling toeslagjaar 2011
Tijdens de hoorzitting heeft gemachtigde gesteld dat het opvallend is dat voor de toeslagjaren 2008 en 2009 wel compensatie is toegekend, terwijl een vergelijkbare situatie in 2011 niet tot compensatie heeft geleid. Volgens gemachtigde moet sprake zijn van een consistente beoordeling en heeft belanghebbende ook over dit jaar recht op compensatie.
De behandelend ambtenaar van UHT heeft op de hoorzitting toegelicht dat voor het jaar 2011 sprake is geweest van een neerwaartse correctie op basis van twee factoren: 1) een wijziging in het toetsingsinkomen en 2) gegevens uit de KOI-viewer waaruit bleek dat 11 uur minder opvang per maand was afgenomen (namelijk 55 uur in plaats van 66 uur). Gelet op de beperkte omvang van de correctie bestond er destijds geen aanleiding om aanvullende vragen te stellen aan belanghebbende. De behandelend ambtenaar kon ter zitting niet verklaren waarom ten aanzien van toeslagjaar 2008 wel tot vooringenomen handelen is geconcludeerd. Over 2008 bleek uit de KOI-viewer dat sprake was van 51 uur afgenomen opvang in plaats van de bij voorschot toegekende 66 uur.
In de aanvullende beschouwing van 9 april 2026 heeft UHT zich op het standpunt gesteld dat in 2011 geen aanleiding bestond om te twijfelen aan de door de KOI aan B/T verstrekte informatie. Ten aanzien van het toeslagjaar 2008 verwijst UHT naar productie 0200002 (p. 107 van het ouderdossier), waarin uitvoerig op dat jaar is ingegaan. Uit deze analyse zou volgen dat de feitelijke situatie in 2008, gelet op de specifieke feiten en omstandigheden van dat jaar, niet vergelijkbaar is met die van 2011.
De Commissie acht de nadere toelichting van UHT niet bevredigend. De situatie in toeslagjaar 2011 is in de visie van de Commissie niet wezenlijk anders dan in toeslagjaar 2008. In beide jaren heeft B/T immers ambtshalve, op basis van informatie uit de KOIviewer, zelfstandig de KOT verlaagd zonder enige uitvraag bij belanghebbende te doen. In 2008 ging het om een verlaging van 14 uur per maand en in 2011 ging het om een verlaging van 11 uur per maand. Het is aan normale mensen niet uit te leggen waarom over 2008 wel tot vooringenomen handelen wordt geconcludeerd terwijl dat niet het geval zou zijn over 2011.
Gelet hierop is de Commissie van oordeel dat ook ten aanzien van het toeslagjaar 2011 sprake is geweest van vooringenomen handelen. De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar op dit onderdeel gegrond te verklaren en alsnog compensatie op grond van vooringenomen handelen toe te kennen.
FSV-opname
Belanghebbende heeft in het ouderverhaal aangegeven een toelichting te wensen op de reden van haar opname op de FSV-lijst. De Commissie verzoekt UHT om hierover in de beslissing op bezwaar een nadere toelichting te geven.
Werkelijk geleden schade
Wellicht ten overvloede overweegt de Commissie nog als volgt. Voor zover belanghebbende vindt dat zij meer schade heeft geleden dan aan haar is vergoed, stelt de Commissie vast dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld op www.schadeherstel.toeslagen.nl.
Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2.
Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- aan belanghebbende alsnog een compensatie op grond van vooringenomenheid toe te kennen voor het toeslagjaar 2011;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter