Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16320

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 31 oktober 2024 (UHT-DCHOA) (bestreden besluit)

Hoorzitting: niet gehouden

Overdracht advies aan UHT: 5 juni 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, behoudens voor zover is aangevoerd dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het bestreden besluit.

Aan belanghebbende is in dit besluit met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend over de jaren 2005, 2006 en 2010 tot en met 2019.

Procesverloop

  • UHT heeft belanghebbende bij besluit van 6 maart 2021 met kenmerk UHT-DC-I A geen compensatie toegekend over de jaren 2007, 2008 en 2009. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. UHT heeft op 27 augustus 2024 een beslissing op het bezwaar genomen, waarbij aan belanghebbende alsnog een compensatie is toegekend voor een bedrag van
    € 30.000,-.
  • Lopende bovengenoemde bezwaarprocedure heeft UHT op 16 mei 2024 een nadere herbeoordeling over de jaren 2005, 2006 en 2010 tot en met 2019 in gang gezet.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 22 oktober 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2005, 2006 en 2010 tot en met 2019 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende geen compensatie toegekend over de jaren 2005, 2006 en 2010 tot en met 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 28 november 2024, ingekomen op 3 december 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 1 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 7 april 2026 aangegeven dat belanghebbende ervan afziet te worden gehoord op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 6 mei 2026 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 18 mei 2026 gereageerd op het aanvullend bezwaarschrift.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet is geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar besluit om compensatie of tegemoetkoming over de jaren 2005, 2006 en 2010 tot en met 2019 af te wijzen.

De waarde van hoor en wederhoor

De Commissie gaat voorbij aan wat belanghebbende in haar aanvullende bezwaarschrift heeft overwogen over het nut en het belang van een hoorzitting. Zij volstaat met een verwijzing naar hetgeen over het beginsel van hoor en wederhoor, zoals in een hoorzitting bij de BAC, als hoeksteen van rechtsbescherming is opgetekend in ‘De waarde van hoor en wederhoor’, Jaarverslag 2025 van de Bezwaarschriftenadviescommissie Hersteloperatie Toeslagen, vermeld op de website van de Bezwaarschriftenadviescommissie.

Overschrijding beslistermijn

Belanghebbende heeft de Commissie verzocht om advies uit te brengen over de aan UHT op te leggen maatregelen vanwege de termijnoverschrijding bij het nemen van een beslissing op het bezwaar.

De Commissie is niet bevoegd hierover een advies uit te brengen, omdat dit valt buiten het kader van haar bevoegdheden als bedoeld in artikel 3 van de Instellingsregeling Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen.

Op de zaak betrekking hebbende stukken (O/GS)

Gemachtigde verzoekt om alle stukken die ten grondslag liggen aan het onderzoek naar O/GS-kwalificaties. Zij stelt dat belanghebbende in haar procesbelang geschaad wordt doordat zij niet over de O/GS-stukken beschikt.

De Commissie is van oordeel dat belanghebbende recht heeft op de onderliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de O/GS-beoordeling. De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid Ergin die op 10 maart 2026 is aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) en waarin de Kamer heeft uitgesproken dat UHT standaard en actief inzage geeft in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NKL:RBROT:2026:1545. Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

De stelling van gemachtigde dat het volledige persoonlijke dossier verstrekt dient te worden om te kunnen beoordelen of alle relevante stukken er zijn, volgt de Commissie niet. Behoudens de O/GS-stukken vindt de Commissie dat UHT met het toezenden van het ouderdossier heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Datakluis

Belanghebbende verzoekt om alle stukken uit de datakluis, waarover in de brief van de Staatssecretarissen van 15 april 2026 aan de Tweede Kamer informatie is verstrekt (brief van 15 april 2026, kenmerk 2026-0000132235 van staatssecretarissen van Financiën en Herstel Toeslagen Eerenberg en Palmen) in het geding te brengen die haar direct of indirect raken.

De Commissie overweegt als volgt. Er is thans geen informatie beschikbaar over de inhoud van genoemde datakluis. In deze zaak heeft UHT een dossier overgelegd waarin de gegevens over de beoordeelde jaren zijn opgenomen die zijn betrokken bij de besluitvorming. De beschouwing van UHT in bezwaar en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. Gelet op de thans voorhanden gegevens mag ervan worden uitgegaan dat UHT informatie uit de inmiddels bekend geworden datakluis niet tot haar beschikking had bij het voorbereiden en nemen van het bestreden besluit en dus behoort de inhoud van die kluis niet tot de op deze zaak betrekking hebbende stukken. Dit betekent dat de Commissie niet hoeft te wachten op nadere verduidelijking over de kluisgegevens.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeelde jaren 2005 en 2013 tot en met 2019

De Commissie overweegt dat uit de beschikbare stukken in het dossier blijkt dat voor de jaren 2005 en 2013 tot en met 2019 geen KOT-aanvragen zijn ingediend of beschikkingen zijn genomen.

Op grond van artikel 2.1 en 2.6 Wht wordt compensatie of tegemoetkoming toegekend aan een aanvrager van KOT. De Commissie concludeert dat belanghebbende ten aanzien van de jaren 2005 en 2013 tot en met 2019 niet aan dit vereiste voldeed en dus geen beroep kan doen op de Wht.

Toeslagjaren 2006, 2010, 2011 en 2012

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de jaren 2006, 2010, 2011 en 2012 vooringenomen heeft gehandeld of dat het wettelijk stelsel te hard heeft uitgewerkt. De Commissie is van mening dat sprake was van reguliere vaststellingen en wijzigingen:

-    2006

De KOT voor het jaar 2006 werd initieel toegekend conform de aanvraag van belanghebbende. Na ontvangst van het antwoordformulier met jaaropgave (productie 1206001) heeft B/T de KOT conform de daarin vermelde gegevens en een wijziging in het toetsingsinkomen verlaagd.

-    2010

De KOT werd vanuit 2009 automatisch gecontinueerd voor het jaar 2010. Vervolgens is de KOT verlaagd vanwege een door belanghebbende doorgegeven wijziging (productie 1210002). Hierbij werden minder opvanguren en een hoger toetsingsinkomen doorgegeven. Bij definitieve beschikking is de KOT nogmaals verlaagd conform het door belanghebbende ingestuurde antwoordformulier met jaaropgave (productie 1210004) en een wijziging in het toetsingsinkomen.

-    2011

De KOT werd vanuit 2010 automatisch gecontinueerd voor het jaar 2011. Vervolgens is de KOT verlaagd vanwege een door belanghebbende doorgegeven wijziging in kinderopvanginstelling. Hierbij werden minder opvanguren doorgegeven voor 2011 (productie 1211002). Daarna is de KOT nog tweemaal verhoogd wegens wijzigingen in het toetsingsinkomen. De gegevens uit het door belanghebbende ingestuurde antwoordformulier met jaaropgave (productie 1211005) stemmen overeen met de variabelen uit de daarna genomen definitieve beschikking.

-    2012

De KOT werd vanuit 2011 automatisch gecontinueerd voor het jaar 2012. Vervolgens werd de KOT verlaagd, omdat belanghebbende KOT had stopgezet met ingang van 1 juli 2012 (productie 1212003). Bij definitieve beschikking is de KOT nogmaals verlaagd wegens een wijziging in het toetsingsinkomen.

De bijstellingen die hebben plaatsgevonden zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidscompensatie. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen.

Hieronder zal de Commissie de door belanghebbende aangevoerde algemene bezwaargronden bespreken.

FSV-lijst

De Commissie stelt vast dat uit het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom nog uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid. UHT heeft niet voldoende bevoegdheden om de door belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie te verstrekken. De Commissie adviseert UHT wel om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar.

Discriminatie

Van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie, is de Commissie uit de ter beschikking staande stukken, niet gebleken.

Verrekeningen

Belanghebbende voert aan dat zij in aanmerking komt voor een compensatie van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de verrekeningen van de terugvorderingen met de nadien toegekende toeslagen (waaronder de toegekende KOT). De Commissie overweegt dat deze verrekeningen onderdeel zijn van de uitvoering die aan de KOT is gegeven. Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en de systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. De wet vermeldt de situatie van verrekening niet expliciet. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. Dat is ook met zoveel woorden te lezen in de memorie van toelichting. Daarin staat: Bij gedupeerden door een onterechte O/GS-kwalificatie waren de terugvorderingen op zichzelf niet onterecht, dus deze worden niet gecompenseerd. Wel krijgen de ouders een financiële tegemoetkoming voor het ondervonden nadeel van 30% van de betreffende terugvorderingen (Kamerstukken II 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 14). Uit de wetsgeschiedenis (de nota naar aanleiding van het eindverslag) blijkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7, p. 14). Gelet hierop adviseert de Commissie dat deze bezwaargrond niet tot gegrondheid van het bezwaar kan leiden.

Artikel 19 Awir

Belanghebbende stelt dat B/T in strijd met het toen geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in de betreffende toeslagjaren. Verder betoogt belanghebbende, onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting ten aanzien van artikel 16 Awir, dat B/T een onderzoeksplicht vooraf had, op basis van tastbare gegevens, of aanspraak bestond op KOT voordat een voorschot KOT werd toegekend. Het niet voldoen aan deze onderzoeksplicht komt voor rekening van B/T; terugvordering mag dan niet meer. Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T overweegt de Commissie als volgt. De Commissie meent dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen. Voor zover moet worden uitgegaan van een onderzoeksplicht voor B/T zoals door belanghebbende is betoogd, geldt hiervoor naar de Commissie meent hetzelfde; het niet hieraan voldoen is geen aanleiding om vooringenomen handelen aan te nemen.

Niet-toegekende KOT

Belanghebbende stelt dat ook dient te worden beoordeeld of de kinderopvangtoeslag destijds op juiste hoogte is vastgesteld.

De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en geen betrekking heeft op de herziening van definitieve KOT-besluiten. Voor zover belanghebbende verzoekt om een aanpassing van de hoogte van de KOT over het betrokken toeslagjaar zoals deze indertijd definitief is vastgesteld, geldt daarom dat een beoordeling hiervan buiten de reikwijdte van de Wht valt. De Commissie adviseert UHT dat deze bezwaargrond niet tot gegrondverklaring van het bezwaar kan leiden.

Overige bezwaargronden

De Commissie is wat betreft de overige bezwaargronden van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren, behoudens voor zover is aangevoerd dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter